Email   Print
Share  

Wat van jou is, is (ook) van mij

Onder aanvoering van de Verenigde Staten wordt de wereld in hoog tempo geprivatiseerd. Alles moet wijken voor de markt. Volgens Jonathan Rowe komt deze privatiseringsdrift voort uit een fatale misvatting van de Amerikaanse geschiedenis.

Jonathan Rowe | 84 maart 2006 issue

De Amerikaanse president George W. Bush presenteerde vorig jaar de ‘eigendomssamenleving’ als leidraad voor zijn tweede ambtstermijn. Dat riekt naar een interessante filosofie, maar achter die term schuilt een politiek die er vooral op is gericht de wereld te transformeren tot een speelterrein voor multinationale ondernemingen. Het is een radicale visie waarvan de invloed ver voorbij Washington reikt. De Amerikaanse politiek om de wereld te herstructureren ten behoeve van het bedrijfsleven dringt door tot in de uithoeken van de planeet, met name via handelsovereenkomsten en vooraanstaande organisaties als de Verenigde Naties, het IMF en de Wereldbank. Afgezien van een paar goedkeurende knikjes in de richting van het gezin en de religie zal – in de visie van Bush – de markt de motor worden die elk aspect van het moderne leven aandrijft, elk moment en elke vierkante centimeter ruimte. Het concept van publiek of gemeenschappelijk eigendom – dat traditioneel werd gezien als een gezonde controle op de excessen van de markt – houdt binnen deze opvatting op te bestaan. Dit klinkt alarmerend, maar het is vooral de constatering van een feit. De wens alles te privatiseren en de regering te veranderen in een veiligheidsdienst om eigendomsrechten te beschermen, is in Washington een gebruikelijk refrein geworden. Die wens wint ook op veel andere plaatsen terrein, ook in landen die ooit als solide sociaal-democratische staten werden beschouwd. Door bijvoorbeeld de klimaatakkoorden van Kyoto te ondermijnen, blijft de regering van Bush de atmosfeer gebruiken als een vuilstortplaats voor het bedrijfsleven. In Azië heeft de Amerikaanse regering het handhaven van ‘intellectuele eigendomsrechten’ – ofwel: de bescherming van patenten en auteursrechten – tot een centraal thema van haar diplomatie gemaakt. In Europa valt de regering-Bush Europese verbodsbepalingen op genetisch gemanipuleerd voedsel aan, ten behoeve van Amerikaanse bedrijven die maar al te graag willen profiteren van hun patenten op biotechnologische producten. Deze politiek is niet bij George W. Bush begonnen. De voormalige Britse premier Margaret Thatcher heeft in de jaren tachtig voor het eerst de visie van volledige overheersing van de markt onthuld met haar uitspraak dat er niet zoiets als een samenleving bestaat. Dit proces is onder de huidige Amerikaanse regering stevig versneld. Bekommernis over werknemers, leefgemeenschappen en het milieu is in de Amerikaanse politiek vrijwel verdwenen. Met zijn beleid en uitspraken suggereert Bush steeds dat zijn ideeën een terugkeer vormen naar de ware aard van Amerika en naar de kern van de boodschap die Amerika aan de wereld dient over te brengen. De Verenigde Staten vormen immers de ‘zuivere staat’ – zoals opgevat door de Engelse filosoof John Locke – waarin vrije mensen slechts zoveel regeringsmacht tolereren als voor de bescherming van hun eigendom nodig is. De machinerie van de markt zou overal voor zorgen, soepel functioneren en niet worden belemmerd door sociale tradities, de behoeften van de leefgemeenschap en andere waarden die niet rechtstreeks zijn gekoppeld aan het proces van winst maken. In deze zienswijze vertegenwoordigt winst, én het eigendom dat die winst mogelijk maakt, de ultieme waarde en het hoogste goed. Dit aspect van de Amerikaanse psyche kan niet worden geloochend. Het is verbonden met het oogverblindende, maar roekeloze adolescente karakter van dit jonge land. Maar er bestaat een ander aspect van de Amerikaanse psyche dat nog dieper is geworteld in de geschiedenis van de natie – eentje dat meer rijpheid en wijsheid heeft te bieden. En, boeiend genoeg, het belang ervan kan gemakkelijk worden afgelezen aan een korte geschiedenis van juist datgene dat George W. Bush en zijn aanhangers hooghouden als de rechtvaardiging van hun campagne voor een volledig vrije markt: eigendom. Eigendom is een spiegel. De manier waarop we erover denken, zegt veel over de manier waarop we over onszelf denken. En de manier waarop de Amerikanen gedurende een groot deel van hun geschiedenis over eigendom hebben gedacht, verschilt volkomen van wat de machtigste politici en economen tegenwoordig beweren. De positieve boodschap van de Amerikanen aan de wereld zou niet de eigendomssamenleving moeten zijn, maar : ‘Doe het niet zoals wij het nu doen. Doe het zoals wij het vroeger deden.’ Zoals de onlangs overleden Amerikaanse historicus Perry Miller heeft opgemerkt, werden de eerste kolonisten in New England gedreven door een individualistische, puriteinse theologie, die desondanks stevig was verankerd in het maatschappelijke leven. Deze theologie droeg hen op aardse rijkdom te verwerven als bewijs van hun uitverkiezing door God, maar toch mochten ze zich niet over die rijkdom verheugen of er enig belang aan hechten. Ze bouwden hun nederzettingen rondom een gemeenschappelijke weidegrond, die zowel werd gebruikt om vee te laten grazen als om bijeenkomsten te houden. De akkers lagen er omheen; dit was het traditionele patroon van Engeland en van veel andere gebieden in de hele wereld. Het idee van gemeenschappelijke weidegronden – van eigendom met een collectieve dimensie – was een essentieel onderdeel van het economische leven. Het daaraan verbonden delen van bezit werd belichaamd in een algemeen wettelijk principe dat ‘publieke verantwoordelijkheid’ werd genoemd. Het rechtsbeginsel van publieke verantwoordelijkheid stamde uit de tijd van de Romeinen. Het bepaalde dat waterwegen, kustlijnen, de lucht en wilde dieren op basis van hun aard gemeenschappelijk eigendom waren en niet als privé-eigendom mochten worden beheerd. Ook bosgebieden in particulier eigendom werden als gemeenschappelijk eigendom beschouwd en men kon er jagen, vissen en zelfs hout kappen, tenzij de eigenaar ze omheinde. Er was geen ijzeren gordijn tussen particulier en gemeenschappelijk bezit. Vrijheid betekende niet alleen maar geïsoleerd zijn van het collectieve leven, maar ook het recht eraan deel te nemen. De gemeenschapszin die de eerste kolonisten wilden uitdragen, werd onder druk gezet door de aantrekkingskracht van goedkoop land van Indianen in het westen. Historici hebben vooral de eerste jaren na de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783) gekenschetst als een snelle wending in de richting van de markt. Toch bleven de traditionele economische waarden bestaan en werden in sommige opzichten sterker. Een voorbeeld daarvan is de bedrijfsvorm die tot ver in de negentiende eeuw de overhand had. Deze wettelijke constructies werden beschouwd als instellingen ten behoeve van een publiek doel, en niet zozeer als instrumenten om particuliere winst te maken. Staatswetten verleenden vergunningen aan ondernemingen die in een publieke behoefte voorzagen – zoals het bouwen van een tolbrug of het aanleggen van een spoorweg. Ze waren beperkt van omvang en hun vergunningen waren na een aantal jaren verlopen. De overheersende opvatting in die tijd was dat particuliere eigendomsrechten moesten wijken voor het algemene welzijn. Deze visie is te herleiden tot de dertiende-eeuwse theoloog Thomas van Aquino, die beweerde dat zelfs diefstal gerechtvaardigd is als de situatie het vereist. ‘In geval van nood is alles gemeenschappelijk bezit,’ schreef hij, ‘zodat het waarschijnlijk geen zonde is zich het bezit van een ander toe te eigenen, want de nood heeft het tot gemeenschappelijk bezit verklaard. Volgens de kerkelijke wetten kunnen de armen in de parochie in feite hulp van de rijken eisen, en vragen om terechtwijzing of excommunicatie als die hulp zou uitblijven.’ De grondleggers van Amerika onderschreven enkele van deze denkbeelden over gemeenschappelijk eigendom, naast de opkomende ideologie van de markt. De gedachte leefde dat Amerika een breuk met het verleden vertegenwoordigde – een novus ordo saeclarum, een nieuwe wereldorde, zoals op de dollarbiljetten staat – en niet zozeer een voortzetting van de oude wereldorde. De principes van gemeenschappelijke rechten en publieke verantwoordelijkheid werden een essentieel onderdeel van wat historici nu de ‘burgerlijk-republikeinse’ visie op eigendom noemen. De burgerlijke republikeinen stonden niet vijandig tegenover privé-eigendom, dat voor hen in principe een publiek doel diende. Als het goed werd verdeeld – en dat ‘als’ was doorslaggevend – kon privé-eigendom mensen in staat stellen echte staatsburgers te zijn. Deze visie werd vooral uitgedragen door Thomas Jefferson en James Madison, respectievelijk de derde en vierde president van de Verenigde Staten. Het was Madison, de belangrijkste auteur van de Amerikaanse grondwet, die in Virginia het wetsvoorstel indiende om niet omheinde bosgebieden tot collectief gebied om te jagen en te vissen te verklaren. Jefferson drong aan op een natie van individuele boeren – niet omdat hij in een landelijk Arcadië geloofde, maar omdat dit de economische structuur vormde die het meest met de staatsburgerlijke deugden overeenkwam. In zijn befaamde preambule op de Amerikaanse grondwet heeft Jefferson de formulering ‘leven, vrijheid en eigendom’ van John Locke veranderd in ‘leven, vrijheid en het streven naar geluk’. Hij heeft niet uitgelegd waarom hij dat deed, maar het lijkt duidelijk dat hij zich probeerde te richten op het doel dat eigendom zou kunnen dienen, en dat hij eigendom niet zozeer wilde koesteren als een doel op zichzelf. In de Verenigde Staten zelf blijkt de stuwkracht van het burgerlijk-republikeinse denken bijzonder duidelijk uit de clausule over patenten en auteursrechten. Deze clausule gaat over ideeën, en aangezien Amerika zelf een idee is – de eerste natie die als zodanig werd opgevat – is de clausule bijzonder veelzeggend. Ze maakt duidelijk dat deze, door de regering verleende, eigendomsrechten privileges zijn – en geen rechten. Ze worden slechts getolereerd voor zover ze het algemeen belang dienen. Met dat doel zijn de monopolies die ze verlenen beperkt tot een ‘bepaalde periode’, net als de bedrijfsvergunningen uit die tijd. Daarna moeten de publicaties en uitvindingen terugvloeien naar het publieke domein dat hun voedingsbodem is geweest. Benjamin Franklin, de achttiende-eeuwse wetenschapper, gaf uitdrukking aan de burgerlijk-republikeinse visie toen hij uitlegde waarom hij, net als Jefferson, geen patenten wilde op zijn talrijke uitvindingen. ‘Aangezien we in hoge mate profiteren van de uitvindingen van anderen,’ schreef hij, ‘zouden we blij moeten zijn anderen van dienst te zijn met een uitvinding van onszelf.’ Geen enkele clausule in de grondwet is vaker overtreden, zowel naar de letter als naar de geest. De rechters van het Amerikaanse hooggerechtshof – die zogenaamd ‘de wetten strikt interpreteren’ – hebben ‘beperkte’ perioden de betekenis van ‘onbeperkt’ gegeven. Uit een recent onderzoek van de Harvard Business School is gebleken dat landen als de Verenigde Staten, die deze monopolistische eigendomsaanspraken meer reikwijdte hebben verleend, niet het resultaat van een toegenomen vernieuwing hebben bereikt. Integendeel, het systeem van patenten ontmoedigt in feite nieuwe uitvindingen door een mijnenveld van buitensporige en vaak pietluttige monopolistische rechten te scheppen waartegen uitvinders moeten opboksen. Desondanks leggen de Verenigde Staten juist dit gebrekkige systeem aan de wereld op. In Azië is Amerika aan een jihad van dwangmaatregelen begonnen. Zo zet het land de Filippijnse regering onder druk om met harde hand op te treden tegen de duizenden kooplieden die in een mager levensonderhoud voorzien door het verkopen van illegale cd’s tegen prijzen die gewone Filippijnen kunnen betalen. China is een ander belangrijk doelwit. China kent een kunstzinnige traditie die niet zozeer is gebaseerd op originaliteit, maar eerder op kopiëren. Kopiëren was een vorm van eerbetoon aan een meester, geen ‘overtreding’ in de Westerse, juridische zin. Zelfs in Irak heeft de Amerikaanse bezettingsmacht officieel verordonneerd dat de staat voortaan Amerikaanse patenten zal opleggen aan genetisch gemanipuleerde zaden. De bepaling zal het traditionele gebruik van het bewaren van zaden uit de ene oogst om de volgende aan te planten verstoren en zou Irakese boeren kunnen onderwerpen aan de juridische intimidatietactieken die biotechgigant Monsanto op Amerikaanse boeren heeft toegepast. Het werkelijk merkwaardige aspect van dit verhaal is dat Amerika zich – in een vergelijkbare ontwikkelingsfase – zélf als een schaamteloze piraat heeft gedragen. In 1843 kostte een exemplaar van A Christmas Carol van de populaire Britse schrijver Charles Dickens in Engeland 2,50 dollar; in Amerika kon je een nagedrukte versie voor 6 dollarcent kopen. Dat is een veel grotere marge dan de huidige Aziatische ‘piraten’ realiseren. In Manila kost een cd van Barry Manilow tegenwoordig 700 pesos (11 euro) in een filiaal van een winkelketen en ongeveer 90 pesos (1,40 euro) bij een marktkraam. In feite hebben de Verenigde Staten hun industriële economie op gang gebracht door diefstal van ontwerpen van gepatenteerde Britse textielapparatuur. (Engeland zelf heeft de kunst van de katoenfabricage uit India gestolen en heeft dat land grotendeels om die reden gekoloniseerd.) Een jonge edelman uit Boston, Francis Cabot Lowell genaamd, maakte gebruik van familieconnecties om Britse textielfabrieken gedetailleerd te inspecteren. Hij onthield de gepatenteerde ontwerpen, verborg schetsen in zijn hutkoffer en richtte na zijn terugkeer een katoenfabriek in New England op. En dat was niet het enige. Lowell haalde het Amerikaanse Congres ertoe over invoerrechten van bijna 85 procent te heffen op Engels katoen. Toen de Verenigde Staten zich als natie ontwikkelden, deden ze precies dezelfde dingen als waarvan ze nu China en ontwikkelingslanden beschuldigen: het schenden van zowel auteursrechten als patenten, het ‘protectionisme’ ten behoeve van binnenlandse industrieën. Tegenwoordig bestaan er, ondanks de ondermijnende effecten van economische dogma’s en bedrijfsbelangen, nog steeds overblijfselen van het traditionele denken over publieke verantwoordelijkheid, zelf in de Verenigde Staten. Bestemmingsplannen, wetten ten aanzien van het gebruik van vuurwapens en beperkingen van het autoverkeer zijn allemaal gebaseerd op het principe dat privé-bezit geen absoluut gegeven is en in zekere mate ondergeschikt moet zijn aan de algemene gezondheid en veiligheid. In de afgelopen jaren hebben gerechtshoven in New Jersey en Michigan zich beroepen op publieke verantwoordelijkheid om algemene toegang te garanderen tot stranden die waren opgeëist door privé-eigenaars. En de regering van Bush levert, ironisch genoeg, een bijdrage aan het in ere herstellen van bepaalde ideeën over collectief eigendom. Ze heeft zozeer de nadruk gelegd op eigendomsrechten, dat ze een reactie heeft opgeroepen. Wetsvoorstellen over het overdragen van nationale parken aan projectontwikkelaars, het bij opbod verkopen van de oceanen aan visproducenten en de onbetrouwbare belegging van hun kostbare spaar- en pensioengelden in Wall Street stemmen de Amerikanen tot nadenken. En dat niet alleen: de opkomst van de interneteconomie heeft de conventionele denkbeelden over eigendom zozeer onder druk gezet, dat ze op het punt van barsten staan, waarmee ze de dogma’s van de markteconomie meesleuren. Deze veranderingen hebben het concept van collectief eigendom in het politieke debat doen terugkeren. Computerdeskundigen komen naar voren om het nieuwe marktplein – het wereldwijde web – te beschermen tegen bedrijven die het willen verdelen in privé-enclaves waarvoor entreegeld wordt geheven. Gemeentebesturen openen openbare internetcentra om al hun inwoners toegang te geven tot dit marktplein. Tegelijkertijd keren mensen zich steeds vaker tegen grote winkelketens die hun traditionele hoofdstraten en de collectieve sociale functies die deze belichamen, bedreigen met ontmanteling. In de hele wereld bieden mensen weerstand aan de aanval op hun lokale voedingstradities door McDonald’s, aan aanvallen op hun wijze van landbouw door Monsanto en andere giganten uit de agrarische industrie en aan aanvallen op hun persoonlijke omgeving door reclame en lawaai. In Hong Kong probeert een organisatie, Hush the Bus, iets te doen aan de schreeuwende televisieschermen die in de stadsbussen zijn verschenen. In zekere zin spreekt Hush the Bus namens mensen, overal ter wereld, die tegen deze commerciële bedrijfscultuur zeggen: ‘Er zijn grenzen. Jullie kunnen niet overal beslag op leggen.’ Dit gaat over iets wat zelfs nog belangrijker is dan grenzen. Het gaat over de erkenning dat het collectieve eigendom – de ruimte en de hulpbronnen die we gezamenlijk bezitten – op zichzelf een domein van productiviteit en waarde is en dat dit eigendom steeds belangrijker wordt naarmate de markt meer tijd en ruimte opeist. De oorspronkelijke betekenis van het woord ‘privatiseren’ is: ‘beroven van’. Als mensen overal ter wereld eens heel goed kijken naar de onbeteugelde macht van multinationale bedrijven en naar de meedogenloze en pijnlijke privatiseringsprogramma’s, zullen er steeds minder blijken te zijn die de visie van George W. Bush op de ‘eigendomsmaatschappij’ nog aanvaarden. Ook de natuur drijft ons die kant op. De realiteit van de klimaatsverandering dringt zelfs door tot ideologisch rigide voorvechters van het privé-eigendom als het enige sociale goed. Vervolgens kwam de orkaan Katrina, die de geprivatiseerde dromen van de overtuigde gelovigen in de markteconomie aan diggelen sloeg door eraan te herinneren dat zulke calamiteiten geen enkel eigendom respecteren. Vrijwel elke stuiver aan eigendomswaarde in de stad New Orleans was, zo bleek, van twee dingen afhankelijk. Het ene was de samenleving als geheel – belichaamd in het ingewikkelde systeem van wallen en dijken waarvan men aannam dat ze de watervloeden zou keren. Het andere was de natuur, in de vorm van moerassige kustgebieden die de schok van de orkaan hadden kunnen opvangen als de olie-industrie er geen verwoestingen had aangericht. Deze twee dingen waren de voorwaarden voor de opbouw van die stad. De verwaarlozing ervan betekende haar ondergang. Wij, de aardebewoners, bevinden ons allemaal in New Orleans. Vrijwel alles wat ons ‘privé-bezit’ wordt genoemd, is in werkelijkheid een gezamenlijk product van eigenaars en werknemers enerzijds, en van de grote, onzichtbare handen van de samenleving en de natuur anderzijds. Wat zou olie waard zijn zonder snelwegen om het op te verbranden? Wat zou een duur huis waard zijn, in een stad op welk continent dan ook, zonder politiebescherming, riolen en wetten op het gebied van ruimtelijke ordening? Eerlijke ondernemers zijn de eerste personen die dit erkennen. ‘Ik meen dat de samenleving verantwoordelijk is voor een aanzienlijk percentage van wat ik heb verdiend’, aldus de Amerikaanse investeerder Warren Buffet. Hij is één van de rijkste mensen ter wereld en heeft enig verstand van rijkdom en van waar die vandaan komt. De ware visie op een eigendomssamenleving die ten dienste staat van de wereld is een visie die evenveel aandacht besteedt aan wat we gezamenlijk bezitten als aan wat we voor onszelf houden. Jonathan Rowe is auteur en medeoprichter van het Tomales Bay Institute, een denktank die openbare ruimte en publiek bezit (water, lucht, bos, marktplein, stadsparken, tijd, internet, etc.) wil beschermen. Zie ook: http://www.onthecommons.org en www.earthisland.org/tbi. In Ode 45 (april 2002) schreef hij een essay over de noodzaak van bescherming van ons erfgoed.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit

Van onze adverteerders: