|
|
Het vermomde kwaad
Als de vorst der duisternis ons graag het goede ziet doen
De dichter Rumi vertelt dat Mu’awiyah, de eerste kalief van de dynastie der Omajjaden, eens lag te slapen in zijn paleis, toen hij door een vreemde man wakker werd gemaakt. ‘Wie bent u?’ vroeg de kalief. ‘Lucifer’, was het antwoord. ‘Wat wilt u?’ ‘Je ligt te slapen. Het is tijd voor je gebed.’ Mu’awiyah was verbaasd. De vorst der duisternis, die altijd jacht maakt op de ziel van de zwakken van geloof, probeerde hem te helpen zijn religieuze plichten te vervullen. Dat kon toch niet waar zijn? Lucifer verklaarde: ‘Je weet toch wel dat ik ben geschapen als engel van het Licht. Ondanks alles wat er in mijn bestaan is gebeurd, kan ik mijn afkomst niet vergeten. Een mens kan naar Rome of naar Jeruzalem reizen, maar in zijn hart draagt hij altijd de normen en waarden van zijn vaderland met zich mee. Dat is ook met mij het geval. Ik houd nog steeds van de Schepper die me, toen ik jong was, heeft gevoed en me heeft geleerd het goede te doen. Toen ik tegen Hem in opstand kwam, was dat niet omdat ik niet van Hem hield – juist het tegenovergestelde, ik hield zoveel van Hem dat ik jaloers werd toen hij Adam schiep. Ik heb de Heer uitgedaagd en dat betekende mijn val. Niettemin herinner ik me nog steeds de zegeningen die Hij me schonk, en als ik me goed gedraag, mag ik misschien wel ooit terugkeren in het paradijs.’ Mu’awiyah antwoordde: ‘Dat geloof ik niet. Hoeveel mensen zijn door u niet hun ondergang tegemoet gegaan? Dat komt toch op uw conto, of niet soms?’ ‘Geloof me nou maar’, drong Lucifer aan. ‘Alleen God kan scheppen en vernietigen, want Hij is almachtig. Hij was het die, toen Hij de mensen schiep, hun opzadelde met zaken als verlangen, wraak, mededogen en angst. Daarom moet je het kwaad dat je om je heen ziet, niet míj aanrekenen: ik ben niet meer dan een soort spiegel van wat er aan slechtheid gebeurt.’ Omdat hij aanvoelde dat er iets niet klopte, zond Mu’awiyah een wanhopig gebed tot God dat Hij hem zou verlichten. De hele avond en nacht discussieerde hij met Lucifer. Ondanks alle schitterende argumenten die hij te horen kreeg, liet hij zich niet overtuigen. Toen de ochtend aanbrak, gaf Lucifer het op. ‘Okee, je hebt gelijk. Ik heb je gistermiddag wakker gemaakt om te voorkomen dat je het gebedsuur zou missen. Ik deed dat niet om jou dichter tot het Goddelijk Licht te brengen. Als ik jou niet in staat had gesteld je plicht te vervullen, zou jij je heel verdrietig hebben gevoeld. Ik wist dat je dan de komende dagen met dubbel geloof zou bidden, en omdat je de voorschriften niet was nagekomen, zou je God om vergeving vragen. Voor Hem zouden die met liefde en berouw verrichte gebeden stuk voor stuk evenveel waard zijn geweest als honderden van die ordinaire, automatische prevelgebedjes. Je gebeden zouden meer geïnspireerd zijn geweest, en God zou meer van je zijn gaan houden... En ík had nog minder vat op je ziel gekregen.’ Lucifer ging weg. Meteen daarop kwam een engel van het Licht binnen: ‘Vergeet nooit de les die je vandaag hebt geleerd’, zei hij tegen Mu’awiyah. ‘Soms doet het kwaad zich voor als een gezant van het goede, maar wat erachter steekt, is dat het juist meer vernietiging wil veroorzaken.’ Die dag en de volgende dagen bad Mu’awiyah met berouw, geloof en mededogen. Zijn gebeden werden honderden keren door God gehoord.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.