Email   Print

'God spreekt voortdurend tegen iedereen'

Alles ging fout in zijn leven, hij wendde zich tot God... en kreeg antwoord. Neale Donald Walsch schreef populaire boeken over zijn gesprekken met God. En hij beseft dat God ook met u praat.

Tijn Touber | 84 maart 2006 issue

Toen Neale Donald Walsch op een donkere nacht in februari 1992 een brief vol zelfbeklag aan God schreef, had hij niet verwacht antwoord te krijgen. Maar antwoorden kreeg hij, boeken vol zelfs. Zijn Gesprekken met God zijn inmiddels in 34 talen verschenen en hebben miljoenen een nieuwe kijk op spiritualiteit en religie gegeven. De God van Walsch is geen onbereikbare, afstandelijke, abstracte of toornige figuur die vanuit de hemel neerkijkt, maar een intelligente, kritische, betrokken en humoristische waarnemer van het leven op aarde. God heeft bovendien een plan om de mensheid uit haar zelfopgelegde lijden te verlossen. En u kunt daar deel van uitmaken. Walsch herinnert zich die donkere nacht, waarin zijn gesprekken met God begonnen, nog goed. Hij was 49, opgebrand en werkloos. Zijn vrouw had hem zojuist verlaten. Het kon niet erger. Walsch kon de slaap niet vatten en dacht: ‘Wat is dat voor God, die toestaat dat er zoveel lijden is? Wat is de zin van dit alles? En waarom mislukt alles in mijn leven?’ Hij besloot een boze brief aan God te schrijven. Walsch: ‘Toen ik de laatste van mijn verbitterde, onbeantwoorde vragen opschreef en mijn pen wilde neerleggen, bleef mijn hand tot mijn verrassing boven het papier hangen. Plotseling begon de pen als vanzelf te schrijven. Op het papier verscheen: “Wil je werkelijk een antwoord op al deze vragen of lucht je gewoon je hart?” Voor ik het doorhad, was ik een gesprek begonnen.’ Ruim vier jaar later verschijnt de neerslag van de nachtelijke conversaties in boekvorm: Een ongewoon gesprek met God. Het boek wordt binnen de kortste keren een bestseller. Dat is niet alleen te danken aan de originele antwoorden die God geeft, maar ook aan de manier waarop de conversatie tussen God en Walsch verloopt. Walsch stelt op informele wijze precies die vragen die op vele lippen branden. Hij doet dat bovendien met zoveel lichtheid en humor, dat de zware kost verteerbaar blijft. Walsch’s boodschap is voor velen herkenbaar, omdat hij uit ervaring spreekt en veelvuldig voorvallen uit zijn eigen leven gebruikt om iets duidelijk te maken. Bijvoorbeeld: ‘Ik werd streng katholiek opgevoed en één van de regels die ik leerde, was dat ik op vrijdag geen vlees mocht eten. De priester had verteld dat je anders naar het voorgeborchte van de hel zou gaan. Hoewel niemand precies wist wat dat was, klonk het ernstig. Op een goede vrijdag at ik echter per ongeluk toch vlees. Toen ik erachter kwam, raakte ik in paniek. Ik rende naar huis, maar zelfs mijn lieve, begrijpende moeder kon me niet troosten.’ Vele jaren later hoort Walsch dat per pauselijk decreet was afgekondigd dat het eten van vlees op vrijdag vanaf heden geen zonde meer is. Walsch: ‘Wat moet God dan tegen al die arme mensen zeggen, die destijds wél vlees aten en nu in het voorgeborchte zitten?’ Hij doet God na, kijkt wat bedremmeld naar de grond en zegt met een zware stem: ‘Sorry, ik vond het toen wel een goed idee.’ Het is niet niets om te beweren dat God je rechtstreeks antwoorden op je vragen geeft. Walsch is zich daar terdege van bewust. In de inleiding van zijn eerste boek schrijft hij: ‘Mijn leven was waarschijnlijk een stuk gemakkelijker geweest als ik dit alles voor mij had gehouden. Maar welk ongemak dit boek mij ook zal opleveren, zoals van heiligschennis te worden beticht, een oplichter of hypocriet te worden genoemd, of – erger nog – een heilige, ik kan niets doen om het proces nu nog te stoppen.’ Tien jaar na de verschijning van zijn eerste boek, maakt Walsch de balans op. Hij is inderdaad verketterd en van heiligschennis beticht. Maar een overweldigende meerderheid van de reacties getuigen van grote dankbaarheid. Walsch: ‘Miljoenen mensen hebben deze boeken gelezen. De reacties die ik kreeg, waren overdonderend positief. Natuurlijk ben ik niet zo naïef om te denken dat iedereen het eens is met wat ik heb geschreven. Sommige mensen die de boeken hebben gelezen, zijn het er totaal mee oneens. Sommigen zijn het er zelfs mee oneens zonder het materiaal te hebben gelezen en baseren hun mening op wat ze van anderen hebben gehoord. Maar zo moet het ook zijn. Ik zou nooit een boek willen schrijven waar iedereen het mee eens is.’ Met zijn baard en halflange haren, verfijnde gelaatstrekken en vaderlijke oogopslag lijkt Walsch zelfs een beetje op de God die Renaissance-schilders als Leonardo da Vinci plachten af te beelden. Toeval? In ieder geval lijkt hij vandaag in de verste verten niet meer op die overspannen man uit 1992. Zijn ogen schieten geen vuur meer. Ten hoogste brandt er een heilig vuur; het vuur van de passie om Gods boodschap aan de mensheid uit te dragen en een nieuwe spiritualiteit gestalte te geven op aarde. Het moge voor Walsch vanzelfsprekend zijn geworden om met God te spreken, voor een hoop mensen staat deze bewering gelijk aan blasfemie. Hoe weet hij eigenlijk zo zeker dat hij met God converseert? Walsch: ‘Hoe kun je ooit ergens zeker van zijn? Ik heb het zelf ondervonden. De informatie die ik heb ontvangen, bevat verklaringen, concepten en ideeën die ik nog nooit ergens anders heb gehoord, nooit ergens heb gelezen, nog nooit in mijn leven ben tegengekomen – en dat ging destijds tegen mijn eigen geloof in. Dus ik weet in ieder geval één ding zeker: dit is niet iets wat ik heb “verzonnen”.’ Hij trekt een wenkbrauw op: ‘Wat is eigenlijk een scheppingsproces? Ik bedoel, waar haalt iemand inspiratie vandaan? Van wie kreeg Mozart zijn inspiratie? En Michelangelo? En Thomas Jefferson? Als deze mensen vandaag nog zouden leven, zouden ze volgens mij zeggen dat ze door God werden geïnspireerd. Dus dan kunnen we alles terugbrengen tot eenvoudige betekenisleer. “Geïnspireerd” door God of “in gesprek” met God – wat is het verschil?’ Walsch doet geen moeite om anderen van zijn gelijk te overtuigen. In feite vindt hij het niet zo relevant of God nu wél of niet direct met hem spreekt: ‘Het enige waar het om gaat met betrekking tot dit materiaal is niet: waar komt het vandaan, maar: is het waardevol? Dat is het belangrijkste punt. Dat is de vraag. Lees de boodschappen en bepaal of ze waarde hebben voor jou. Meer dan zeven miljoen mensen hebben “ja” gezegd. Dat is een krachtig statement.’ Walsch beweert ook niet dat God alléén door hem spreekt. Integendeel, hij hamert er juist op dat God voortdurend tegen iedereen spreekt. Walsch: ‘De vraag is niet: tot wie spreekt God? De vraag is: wie luistert er?’ Ook Walsch heeft moeten leren luisteren. Zeker in de begindagen, toen God zich voor het eerst aan hem openbaarde, was dat een hele klus. Walsch: ‘Soms gingen er maanden voorbij voordat twee alinea’s op papier stonden. Pas later begreep ik dat dat niet aan God lag, maar aan mij.’ Net als veel van zijn lezers is ook Walsch sterk veranderd door het bestuderen van indringende lessen, zoals: ‘er zijn twee basisemoties die het universum regeren – angst en liefde – en ieder mens kan voortdurend kiezen’, ‘God veroordeelt je niet, dat doe je ten hoogste zelf’ en ‘het leven is geen leerschool, maar een scheppingsproces’. Natuurlijk zijn deze inzichten niet allemaal nieuw. Al eerder waren er boodschappers die uit Gods naam met soortgelijke wijsheden kwamen. En dat is ook precies de boodschap van de God van Walsch. In Een ongewoon gesprek zegt God: ‘Ik heb al zoveel signalen gegeven, maar jullie luisteren niet. Dit boek is weer een signaal.’ Zou dit dan inderdaad dezelfde God zijn die zich destijds aan Boeddha, Mozes, Jezus, Mohammed en anderen openbaarde? Walsch: ‘Die vraag veronderstelt dat er meer dan één God kan zijn en dat is een verkeerde vooronderstelling. Het is net zoiets als vragen naar de zon van gisteren: “Is dat dezelfde zon die ook op Mozes en de profeten heeft neergeschenen?” Het antwoord op beide vragen is: ja.’ Hij leunt achterover om de metafoor te laten bezinken, maar ontwijkt het onderwerp niet: ‘Om het wat directer te zeggen: ja, ik geloof dat God iedere boodschapper hetzelfde vertelt – daarom hebben de diverse religies zoveel overeenkomstige theologische fundamenten. Ik geloof dat het verschil van opvatting dat we zien bij de verschillende boodschappers als het gaat om God, toegeschreven kan worden aan het feit dat iedere boodschapper de wijsheid van God brengt door het filter van cultuur, tradities, achtergrond en opvattingen uit zijn eigen tijd.’ Mogen we Neale Donald Walsch daarom tot het selecte gezelschap profeten rekenen die de mensheid een rechtstreekse boodschap van God brengt? Walsch ontwijkt een direct antwoord en relativeert: ‘De meeste mensen denken dat God alleen communiceert via heilige mannen en vrouwen, of met iemand die dertig jaar lang heeft gemediteerd. Zo iemand ben ik niet.’ Volgens Walsch is het idee achterhaald dat er slechts een handjevol exclusieve boodschappers zouden zijn: ‘Er zijn geen “exclusieve boodschappers”. Alle leerstellingen van alle religies die zeggen dat hun boodschapper de “exclusieve” boodschapper is van God, kloppen niet. Ze hebben het mis. U bent een boodschapper van God. Iedereen is dat. Het leven dat u leidt, is uw boodschap. Als de boodschap die u uitdraagt, u niet bevalt, ga dan een andere uitdragen. Verander uw gedachten over uzelf, verander uw gedachten over het leven, verander uw gedachten over God, en u zult uw hele wereld veranderen.’ Het zijn dergelijke krachtige uitspraken die miljoenen mensen aan het denken hebben gezet over hun relatie met God en de schepping. De invloed van Walsch is groot, omdat hij kundig gebruik maakt van de moderne communicatiemiddelen. De voormalige radioverslaggever en amateurtoneelspeler weet dat niet alleen de inhoud van een boodschap belangrijk is, maar ook de presentatie. Spreekwoordelijk: je haar moet goed zitten. Hij maakt daar graag grapjes over: ‘Vroeger was dat het enige dat belangrijk was: dat mijn haar goed zat. Ik had me zo geïdentificeerd met mijn kapsel, dat ik dacht dat ik mijn kapsel wás. Als mijn haar goed zat, dan ging het met mij ook goed.’ Na een theatrale stilte: ‘Wat dat betreft, is er niet veel veranderd...’ Volgens Walsch is het ons afgeleerd om naar God te luisteren. ‘De grote religies zeggen: God sprak een paar duizend jaar geleden tegen zijn Zoon, de Profeet, Krishna. Sindsdien heeft Hij er het zwijgen toe gedaan. De essentie van de boekenserie Gesprekken met God is dat wij allemaal voortdurend gesprekken met God hebben; we weten het alleen niet. Door onze cultuur erkennen we God niet meer als onze inspiratiebron. We noemen dat liever “toeval” of “vrouwelijke intuïtie” of “een geniale inval” of “een samenloop van omstandigheden”, of waar we dan ook mee kunnen wegkomen in een samenleving die zich steeds verder verwijdert van elke gedachte aan een directe verbinding met God. Het ironische hiervan is dat het vaak de religies zelf zijn die ons zeggen dat we geen directe verbinding met God kunnen hebben. Dat móeten ze wel zeggen, want het is hun enige manier om onze loyaliteit te krijgen en te behouden. Wij moeten wel geloven dat deze religies onze ingang tot God zijn, anders zouden we afvallig worden. Gezien de manier waarop vele religies functioneren, staan we toch al op het punt om ze afvallig te worden. De meeste oorlogen die op deze planeet worden uitgevochten, worden gepropageerd, gecreëerd, gestimuleerd of ondersteund door religies.’ Volgens Walsch zijn in feite alle problemen te wijten aan religieuze ideeën: ‘Onze religieuze systemen hebben geleid tot dood en geweld, sociaal onrecht en grote armoede en een steeds grotere kloof tussen rijk en arm. Ze hebben genadeloze wedijver en erbarmelijke gezondheidsvoorzieningen voortgebracht, evenals kinderen die sterven van de honger, vrouwen die worden mishandeld en verkracht volkeren die worden onderdrukt. Religie heeft ons meer verdriet dan vreugde bezorgd, meer oorlog dan vrede en meer haat dan liefde voor onze medemens dan we willen toegeven.’ En hij vervolgt: ‘Religies hebben ons bijgebracht – en dit gebeurt nog steeds op een dwingende manier – dat er een absoluut systeem van afscheiding en superioriteit bestaat, waarin God de hoogste autoriteit is en de laagste regionen worden bezet door degenen die God niet willen accepteren, zoals God dit wil. Bovendien hebben religies ons doordrongen van een stelsel van wraak, dat korte metten maakt met diegenen die in deze kwesties Gods wil niet accepteert. Bijna alle op uitsluiting berustende, geïnstitutionaliseerde religies spreken herhaaldelijk over een boze, jaloerse en strenge God die geweld en dood gebruikt én het gebruik van geweld en dood als middel om conflicten via religie op te lossen, vergeeft. Als je denkt dat dit wel erg harde taal is, kun je de Tora, de Bhagavad Gita, het Boek van Mormon, of de geschriften van andere grote religies er op naslaan. Alleen al volgens de Bijbel zijn er meer dan een miljoen mensen vernietigd door de hand van God of in Zijn opdracht.’ De scherpe kritiek van Walsch aan het adres van religies is geen poging om te choqueren of beledigen. Hij wil de kwestie uit de taboesfeer halen, zodat werkelijke oplossingen kunnen worden gevonden. ‘Zolang we het niet met elkaar eens zijn over de oorzaak van het menselijk disfunctioneren, zullen al onze pogingen om hier een einde aan te maken op niets uitlopen. Dit is ook de reden waarom we onze problemen nog steeds langs politieke, economische of zelfs militaire weg proberen op te lossen. Dit is echter geen uitweg, want de problemen waarmee onze wereld wordt geconfronteerd, zijn van spirituele aard. Ze hebben te maken met wat wij geloven.’ Walsch vindt het onvoorstelbaar dat de mensheid anno 2006 nog steeds niet inziet dat meer woorden, meer geld en meer bommen geen enkel probleem zal oplossen. ‘Ken je de definitie van waanzin? Steeds opnieuw hetzelfde doen en toch een andere uitkomst verwachten.’ Vooral het beeld dat de mensheid van God heeft, moet op de helling. ‘Het beeld dat door de eeuwen heen door vele religieuze instellingen is gevormd en ontwikkeld, heeft een diepe invloed op ons. Wat als dit beeld onjuist is? Wat als het een gebrekkige versie is van een gebrekkige visie? Wat ik de geïnstitutionaliseerde religies vraag, is of zij hun leerstellingen grondig onder de loep willen nemen om te zien of enkele hiervan misschien niet tot vrede, maar tot oorlog aanzetten.’ Die vraag is minder radicaal dan het lijkt. Op ieder ander gebied in de samenleving is het vanzelfsprekend dat mensen hun beweringen onderbouwen en aan de realiteit toetsen – zeker wanneer zij deze beweringen tot ‘waarheid’ bestempelen. Walsch: ‘Stel je voor dat wetenschappers op dezelfde manier zouden denken als religieuze leiders en op een dag zouden roepen: “Jongens, alle informatie is bekend. De finale woorden zijn gesproken. Vanaf nu denken we niet meer zelf na, stellen geen ingewikkelde vragen meer en baseren ons nog slechts op één bron.” We zouden dat absurd vinden! Het is de hoogste tijd om onze primaire aannames over onszelf, God en het leven opnieuw te beschouwen.’ Van alle concepten over God is er één – in de visie van Walsch – het meest schadelijk: ‘Eén van de ernstigste misvattingen is het idee dat God onbereikbaar is, dat God van ons is afgescheiden. Deze scheidende manier van denken heeft ons vervreemd van onszelf en van de schepping. Het heeft ook geleid tot een scheidende economie en een scheidende politiek, een scheidende sociologie en een scheidende religie. Mijn boodschap leert dat we allen één zijn, dat er geen onderscheid is tussen ons en God, tussen ons en het leven, of tussen ons en elkaar. Mijn boodschap is een bevrijdende in plaats van een verstikkende theologie. Zij bevrijdt de mensheid van het onderdrukkende geloof in een rechtvaardige, jaloerse, boze, veeleisende, exclusieve, straffende, wraakgierige en gewelddadige God, en biedt mensen de vrijheid om hun natuurlijke impulsen te volgen om het goddelijke te zoeken en te ervaren, zonder bang te hoeven zijn door de gemeenschap uitgestoten, door de wetgeving gestraft of door een leger aangevallen te worden vanwege de manier waarop ze dat doen.’ De overgang naar deze inclusieve manier van denken wordt, volgens Walsch, de lastigste waarvoor de mensheid zich ooit gesteld heeft gezien: ‘We zijn eraan gewend God voor ons karretje te spannen en uit Zijn naam de vreselijkste dingen te doen: “God wil dat ik bommen op Bagdad gooi, God wil dat ik de Twin Towers naar beneden haal”. Maar stel nu dat God helemaal níets van ons wil?’ Hij laat de vraag even in de lucht hangen en vervolgt: ‘Mijn boodschap is de boodschap van een God die niets wil of vraagt van de mensheid, maar wiens doel het is, op een eenvoudige en glorieuze manier, het mensdom in staat te stellen om zichzelf ieder ogenblik te herscheppen in de volgende schitterende versie van het prachtigste visioen dat we hebben over wie we zijn.’ Als God niets van ons wil, dan worden we op onszelf teruggeworpen en komt de verantwoordelijkheid voor geluk en verdriet, armoede en rijkdom, vervuiling of duurzaamheid – kortom: hemel en hel – ferm te liggen waar die hoort: bij onszelf. Als God niets van ons wil, dan is het de hoogste tijd om die verantwoordelijkheid te nemen. Hoe? Walsch: ‘Het is de hoogste tijd om onszelf opnieuw uit te vinden en God niet meer te zien als een gescheiden entiteit, maar als een allesomvattende werkelijkheid.’ Neale Donald Walsch is optimistisch: ‘Shift happens.’ Van Neale Donald Walsch verschenen onder meer de volgende boeken: Een ongewoon gesprek met God (Kosmos-Z&K Uitgevers, 1997), Een nieuw gesprek met God (Servire, 1999) en Derde gesprek met God (Servire, 1999).



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.