Email   Print
Share  

Zorg+aandacht=groei

Voor veel sociale ellende bestaat een uitermate eenvoudig recept: aandacht. Odysseus wist al dat zorg en aandacht het begin zijn van rust, rechtvaardigheid en welvaart. De boodschap van Mentor is na een paar duizend jaar nog steeds onthutsend actueel.

Jay Walljasper | 83 januari 2006 issue

Er was eens een jongen die alles tegen leek te hebben. Hij was arm, blind en zwart, en woonde diep in het Amerikaanse zuiden tijdens de harde tijd van de rassenscheiding. Maar er was één groot pluspunt in zijn leven: hij had een buurman die hem leerde pianospelen. De jongen heette Ray Charles en hij veranderde de wereld door vorm te geven aan de toekomst van rock’n-roll, soul en countrymuziek. ‘Wiley Pittman, dat was me een kerel’, herinnerde Charles zich in een interview vóór zijn overlijden in 2004. ‘Zonder hem zou ik waarschijnlijk geen muzikant zijn geworden.’ Pittman was eigenaar van een winkel annex café. Elke middag, als de drukte van de lunch voorbij was, ging hij achter een aftandse buffetpiano zitten en speelde boogie-woogie – een uitgelaten, bluesachtige muziekstijl die in die tijd populair was. Charles herinnerde zich dat hij van jongs af aan stopte met wat hij ook aan het doen was als hij de eerste noten uit die piano hoorde vliegen. Hij glipte dan het café binnen om te luisteren en te leren. ‘Ik realiseer me nu’, zei Charles, ‘dat hij had kunnen zeggen: “Ga toch weg, jochie, zie je niet dat ik aan het studeren ben?” Maar dat deed hij niet. Hij nam de tijd.’ Als tiener werd Charles bedreven genoeg op de piano om er zijn brood mee te kunnen verdienen. Hij trok naar Seattle – aan de andere kant van het land – waar hij tot in de kleine uurtjes in nachtclubs speelde. Tegen het ochtendgloren strompelde hij dan naar huis, hondsmoe, om om negen uur ‘s ochtends wakker te worden gemaakt door een buurjongen die dolgraag meer over muziek wilde leren. ‘Dan kwam ik uit bed – slaap deed er niet meer toe omdat hij het was’, legde Charles uit. ‘Je kon zien dat hij leergierig was, hij wilde alles weten. En dat ik in staat was hem een aantal dingen te leren, maakte me gelukkig, het deed mijn hart sneller kloppen. Ik kon die jongen helpen.’ Die jongen heette Quincy Jones. Hij werd later de meest legendarische producer ter wereld en won 26 Grammy Awards – meer dan iemand er ooit heeft gewonnen. Net als Ray Charles wilde Jones ook graag iets teruggeven aan andere kinderen. Hij werd de drijvende kracht achter We Are the World, een naam die iedereen wel kent van het concert en het album waarop alle grote namen uit de popmuziek meededen. Het was een baanbrekende, wereldwijde campagne om geld in te zamelen voor ontwikkelingslanden en mensen bewuster te maken van de honger aldaar. ‘Toen we elkaar ontmoetten was ik veertien en hij zestien’, herinnert Jones zich. ‘Ik keek gewoon tegen hem op omdat hij het allemaal zo goed wist. Hij zei altijd: “Quincy, speel de muziek op de manier zoals hij oorspronkelijk is bedacht, want dat is de oorspronkelijke ziel van de muziek...” En dat is me de rest van mijn leven bijgebleven.’ De lessen die Ray Charles kreeg van zijn buurman zijn een schoolvoorbeeld van de manier waarop mentorschap een enorm verschil kan maken in een mensenleven. In de loop van de geschiedenis is mentorschap dé manier geweest waarop wijsheid en praktische kennis werden overgedragen – door ouders, leraren, grootouders, spirituele leiders, peetouders, meesters, adviseurs, collega’s en vrienden. Het woord zelf is terug te voeren op de Odyssee van Homerus, waarin wordt verhaald hoe Odysseus, voordat hij begint aan zijn lange reis, een goede vriend vraagt of die zijn zoon wil beschermen en begeleiden. De naam van die vriend was Mentor. Tegenwoordig wordt mentorschap, misschien meer dan ooit, gezien als een waardevol hulpmiddel voor jonge mensen die iets van hun leven willen maken – vooral voor degenen die in armoede zijn geboren of het gewicht van andere sociale ellende met zich mee moeten torsen. De eenvoudige daad van één persoon die de tijd neemt om een ander te helpen, vermenigvuldigd met miljoenen, kan de wereld veranderen. Kinderen moeten tegenwoordig vaak in hun eentje uitvinden hoe de wereld werkt, vooral als ze uit een minder bevoorrechte omgeving komen. Maar jonge mensen die een zorgzame volwassene vinden die een gedeelte van haar tijd aan hen wil besteden, hebben een duidelijke voorsprong. Dat blijkt uit een onderzoek onder negentigduizend jongelingen in Amerika, gepubliceerd in het Journal of the American Medical Association (september 1997). Jay Winsten, vice-rector van de Harvard School of Public Health, merkt op dat sinds dat onderzoek het aantal kinderen in mentorprogramma’s in Amerika is omhooggeschoten van vijfhonderdduizend naar twee miljoen. Dat is nog steeds slechts een fractie van het geschatte aantal van zeventien miljoen Amerikaanse kinderen die een mentor nodig hebben vanwege familieomstandigheden of omdat ze op sociaal-economisch gebied achtergesteld zijn – maar het is een veelbelovend begin. De toenemende belangstelling in Amerika voor mentorschap kan voor een groot deel worden toegeschreven aan de opvallende uitkomst van een onderzoek in 1993. Wetenschappers verdeelden duizend kinderen die een mentor zochten in twee groepen – de ene helft werd gekoppeld aan een mentor via het gerenommeerde programma Big Brothers/Big Sisters, de andere helft kwam op een wachtlijst te staan. De kinderen, in de leeftijd van tien tot zestien, kwamen allemaal uit eenoudergezinnen en tachtig procent van hen leefde in armoedige omstandigheden. Uit het onderzoek kwam het volgende naar voren: voor de kinderen die minimaal een jaar contact hadden gehouden met een mentor was: - de kans dat ze met drugs in aanraking zouden komen 46 procent lager - de kans dat ze zouden spijbelen 52 procent lager - de kans dat ze gewelddadig gedrag zouden vertonen 33 procent lager. Dit alles in vergelijking met de kinderen die nog geen mentor hadden. Marc Freedman, die het onderzoek leidde, zegt dat hij eerst dacht dat er iets niet klopte aan de gegevens. Hij had een dergelijke uitkomst absoluut niet verwacht. Bovendien was hij erg verrast toen hij ontdekte dat maar heel weinig van de mentors in het Big Brothers/Big Sisters-programma een achtergrond hadden in jeugdhulpverlening, psychologie of onderwijs. ‘Het ging alleen om de relatie zelf’, herinnert hij zich. ‘Het waren gewone mensen die tien tot twaalf uur per maand doorbrachten met deze kinderen, ze meenamen naar McDonald’s en naar sportwedstrijden. Het is net als die oude kreet van Woody Allen: negentig procent van het leven bestaat uit gewoon komen opdagen. Zij kwamen opdagen voor deze kinderen en luisterden naar hen.’ Jean Rhodes, professor in de psychologie aan de Universiteit van Massachusetts, die al meer dan twintig jaar onderzoek doet naar mentorprogramma’s, laat een waarschuwend geluid horen. ‘Je moet niet denken dat dit een wondermiddel is. Het is niet zo dat mentorschap al onze sociale problemen kan oplossen en dat de regering en particuliere organisaties niets meer hoeven te doen. Maar de resultaten van mentorschap zijn spectaculair als je uitgaat van relaties die minimaal een jaar duren en als je uitgaat van kwaliteitsprogramma’s.’ Voor haar heeft een programma kwaliteit als de mentors zorgvuldig worden geselecteerd en voorbereid in plaats van gewoon maar aan een kind worden gekoppeld zonder dat ze echt weten wat ze moeten verwachten. In haar onderzoek suggereert Rhodes dat negatieve ervaringen met een mentor de toestand van de kinderen alleen maar verergeren en dat die hun idee versterken dat ze niemand kunnen vertrouwen en dat niemand om hen geeft. Over de hele wereld steken mentorprogramma’s nu in hoog tempo de kop op. Het idee heeft voet aan de grond gekregen in Europa, Australië en Nieuw-Zeeland. Uit een programma op scholen in Singapore is het Asian Mentoring Partnership voortgekomen, dat het idee in de hele regio wil verspreiden. Voormalig lerares en schoolbestuurder Susan G. Weinberger, die programma’s heeft helpen opzetten in Canada, Bermuda en Singapore, merkt op: ‘Kinderen over de hele wereld hebben dezelfde problemen: groepsdwang, pesten, drugs, alcohol, bendes, winkeldiefstal en problemen met hun zelfbeeld. Ik had een lijst met onderwerpen gestuurd naar mensen in Singapore, zodat ze die konden aanpassen aan de plaatselijke omstandigheden, en ze zeiden dat zij exact dezelfde problemen hadden.’ Op dit moment hebben veel experimenten plaats om de mogelijkheden van mentorschap uit te breiden. Sommige scholen nodigen vrijwilligers uit om leerlingen te begeleiden en te onderwijzen. Ook bedrijven doen mee aan de mentorbeweging. Het warenhuis Bloomingdale’s in New York koppelt zijn werknemers, inclusief de directeur, aan kinderen van een nabijgelegen basisschool. Gele schoolbussen uit New Yorks grotendeels Afrikaans-Amerikaanse wijk Harlem rijden regelmatig door hartje Manhattan en stoppen bij het kantoor van zakenbank Goldman Sachs waar de leerlingen hun mentors ontmoeten. Een Nederlands bedrijf knoopt banden aan met nieuwe Afrikaanse bedrijven (zie kader). En mentors zijn er niet alleen voor kinderen. De National Retired Teachers Association is in Amerika een campagne gestart om beginnende docenten te koppelen aan doorgewinterde onderwijsveteranen die hen kunnen bemoedigen en inspireren. In Californië brengt een gelijksoortig programma jonge doktoren in contact met ervaren collega’s. Tot op heden wordt mentorschap gezien als uitsluitend een plaatselijke oplossing die afhankelijk is van de contacten in een gemeenschap. Het is natuurlijk prachtig als dat werkt, maar het is geen oplossing voor de grootste sociale behoefte van de eenentwintigste eeuw: de steeds breder wordende kloof tussen de armen – vooral in de ontwikkelingslanden, waar de helft van de mensen leeft van twee dollar of minder per dag – en degenen die welvarender zijn. Door de recente opkomst van e-mentorschap, waarbij e-mail wordt gebruikt als de voornaamste band tussen mentors en ‘leerlingen’, gaat er een wereld van nieuwe mogelijkheden open om mensen met elkaar in contact te brengen. De AOL Time Warner Foundation en de advocatenorganisatie Mentor hebben onlangs de handen ineen geslagen om een aantal praktische richtlijnen samen te stellen (zie www.mentoring.org/mentorsonline) voor het promoten van deze nieuwste stap in een eeuwenoude traditie van mensen die elkaar inspireren. Op die manier kun je je makkelijk een nieuw tijdperk voorstellen waarin mensen van alle leeftijden ideeën uitwisselen en kennis delen over grenzen heen. Je hoeft geen machtig iemand te zijn als Quincy Jones met allerlei bekende vrienden om iets te kunnen betekenen voor mensen in ontwikkelingslanden die vechten tegen de armoede. Stel je eens voor: een bedrijf in Chicago gebruikt zijn expertise om een moeizaam op gang komend bedrijf in Thailand te ondersteunen. Een dorp in België zamelt geld in om hulp te bieden aan een dorp in Zaïre. Studenten in Japan houden contact met studenten in Brazilië. Muzikanten in Montreal, studenten in Japan, milieugroeperingen in Australië, spoorwegwerkers in Zwitserland, kerkgemeenschappen in Polen, softwareontwikkelaars in Korea en families in Florida strekken een helpende hand uit naar hun tegenhangers over de hele wereld. E-mails en telefoongesprekken kunnen worden aangevuld door de verzending van gereedschap en goederen, en misschien zelfs een bezoek. En de voordelen gaan twee kanten op. Het bedrijf in Chicago ontdekt dat de groeiende bekendheid met de Aziatische cultuur nieuwe zakelijke mogelijkheden opent. Een verkoopmanager uit Chicago raakt gefascineerd door de tempels in Thailand, wat het begin is van een succesvolle carrière in de architectuur. Een man uit Zaïre die op bezoek is bij zijn nieuwe vrienden in België, doet een suggestie om het plaatselijke park op te knappen, tot grote vreugde van de kinderen uit het dorp. Een jonge vrouw uit Japan ontmoet haar echtgenoot op een feest in Sao Paulo. Mentorschap is een veelbelovend instrument om de armen in de wereld te helpen. Het eenvoudige idee van het onderhouden van een-op-een-relaties tussen mensen – in een gemeenschap of wereldwijd – werkt ook als een tegengif tegen diepgeworteld wantrouwen en cynisme wat hulpprogramma’s betreft. Veel mensen willen niet dat hun belastinggeld naar ontwikkelingshulp gaat, omdat zij niet kunnen kiezen hoe en waar ze het geld besteden, of ze vermoeden dat het grootste deel van de donaties aan charitatieve organisaties nooit terechtkomt waar het nodig is. Omdat het contact in een mentorrelatie persoonlijk is, zorgt het ervoor dat die weerstand wegsmelt. Het is een rechtstreekse, authentieke ervaring – je bent voortdurend in gesprek met de mensen die je wilt helpen, je gaat begrijpen wat zij het meest nodig hebben, naast geld bied je hen iets belangrijks, en je krijgt iets terug. Mentorschap geeft ons allemaal de gelegenheid onze eigen vaardigheden en kennis te gebruiken om de wereld tot een beter oord te maken. Wij kunnen allemaal, op onze eigen manier, Wiley Pittman worden – de buurman annex boogie-woogiepianist wiens hart en ziel voortleven in de muziek van Ray Charles en Quincy Jones. Voor meer informatie: www.whomentoredyou.com www.mentoring.org www.BBBSA.org www.goal.amsterdam.nl



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit

Van onze adverteerders: