Email   Print

Burgers voor burgers

We kunnen de toekomst niet overlaten aan overheden en bedrijven

Marco Visscher | 80 oktober 2005 issue

Mensenrechten, humanitaire hulp, democratie, milieubescherming, het recht op gezondheidszorg en onderwijs, rechten voor vrouwen, kinderen, werknemers en dieren, het recht op geboortebeperking, het recht op informatie – het zijn enkele van de verworvenheden van de afgelopen eeuw. En het staat onomstotelijk vast dat al deze veranderingen niet zijn te danken aan politieke partijen, overheden of bedrijven, maar aan georganiseerde actiegroepen van gewone burgers. Daarom heeft Jacques Attali, de Franse oprichter van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD), een radicaal plan gelanceerd: de oprichting van een Algemene Vergadering van niet-gouvernementele organisaties (NGO’s), naar het model van de Verenigde Naties. Dit nieuwe instituut zou – beter dan ieder ander bestaand instituut – in staat moeten zijn om de grootste uitdagingen van deze eeuw aan te gaan. In NPQ (winter 2005) betoogt Attali dat overheden, politieke partijen en bedrijven een steeds minder belangrijke rol spelen in de aanpak van de grootste uitdagingen: armoede, democratie, milieu en publieke diensten. Immers, de globalisering heeft ertoe geleid dat landen sterk op elkaar zijn aangewezen. Internationale afspraken vormen zodoende een belemmering voor nationale regeringen om wereldproblemen op te lossen. Die regels treffen ook bedrijven, die vaak wél grote invloed kunnen hebben op de wereld, bijvoorbeeld met hun technologische innovaties – maar zij hebben vaak simpelweg niet de interesse om te bouwen aan een duurzame wereld. Tot slot zijn er traditionele civiele organisaties – politieke partijen, vakbonden – waarvan de invloed al jaren terugloopt. Attali voorspelt dat op een dag de macht van NGO’s sterker zal zijn dan die van de politiek en de vrije markt. ‘Het lot van de planeet’, schrijft Attali in een lofzang, ‘hangt voor een groot deel af van de rol van NGO’s.’ Immers, deze nieuwe organisaties zijn erop gericht de wereld leefbaarder te maken. Zij vechten niet alleen voor vrije verkiezingen, maar voor de bescherming van de democratie: vrijheid van meningsuiting, bescherming van vrouwen en kinderen, het recht op werk, het recht op onderdak, de toegang tot krediet, de bescherming van biodiversiteit, talen en cultuur. Omdat nationale staten lid kunnen worden van de Verenigde Naties en de belangen van bedrijven en industrietakken worden behartigd in tal van invloedrijke organisaties, vindt Attali de tijd rijp voor een wereldwijde organisatie van NGO’s. Attali stelt in NPQ voor om de jaarlijkse top van NGO’s bij de Verenigde Naties te institutionaliseren en verzelfstandigen. Deze bundeling van maatschappelijke organisaties zou de actiedoelen voor de komende vijftien jaar moeten beschrijven, die ze vervolgens samen met overheden en bedrijven zouden aangaan. Omdat overheden niet in staat zijn om het alleen te doen en omdat NGO’s veelal werken met kleine budgetten en veel vrijwilligers, zou er een belastingvoordeel kunnen komen voor mensen die tijd en energie steken in hun werk voor zo’n organisatie. Bedrijven zouden bovendien betaald verlof moeten geven aan werknemers die zich enige tijd willen verbinden aan een NGO. En ieder land dat hindernissen oplegt aan deze organisaties zou moeten worden uitgesloten van ontwikkelingshulp. ‘NGO’s hebben aangetoond invloed te kunnen hebben op de wereld’, besluit Attali. ‘De wereld heeft ze nu meer nodig dan ooit. Laten we hun rol in de wereld formaliseren. Onze toekomst is te belangrijk om over te laten aan overheden en bedrijven.’ Ook The Nation (24 januari 2005) voorspelt een nieuw hoofdstuk voor NGO’s, maar een heel andere. Ze zouden zich minder moeten richten op fondswerving en meer op marktwerking. De zoektocht naar subsidies en donaties kost veel tijd, geld en energie die beter kan worden besteed aan een bijdrage aan de samenleving, beweren de auteurs. Bovendien vissen organisaties uiteindelijk in dezelfde vijver, waardoor ze het werk onmogelijk maken voor andere organisaties die het geld net zo hard nodig hebben. En wie een overzichtelijk, tijdelijk project over één specifiek onderwerp presenteert, weet zich als fondswerver kansrijker dan wanneer je ‘onderliggende, systematische structuren op de lange termijn’ wil hervormen. Om werkelijk succesvol te zijn, besluit het Amerikaanse weekblad, zouden NGO’s moeten leren zichzelf te bedruipen. Helemaal nieuw is het niet. Het Rode Kruis weet zichzelf staande te houden door bloed van donateurs af te nemen en te verkopen aan ziekenhuizen, de scouting haalt geld op door koekjes te verkopen, Novib verkoopt kalenders. Toch heerst in de sector de overtuiging dat geld moet komen van overheid, filantropen of particuliere donateurs. Sterker, wie beweert dat NGO’s producten of diensten zouden moeten verkopen, kan rekenen op weerstand en verzet – de verleidingen van de vrije markt zouden de idealen snel verdringen. Social entrepreneurs – maatschappelijke ondernemers – zijn het moderne antwoord, schrijft The Nation. Dit type wereldverbeteraar heeft een ondernemende geest, weet van boekhouding en deinst er niet voor terug om bij een bank aan te kloppen voor een lening – een voorrecht waarover NGO’s niet of nauwelijks beschikken. Het doel van zo’n maatschappelijk ondernemer kan zijn quite te draaien, of de winst van de onderneming te investeren in het goede doel. The Nation voorspelt dat steeds meer organisaties elementen van de vrije markt zullen moeten integreren in hun strategie om werkelijk effectief te zijn in hun strijd.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.