Zo is het toevallig ook nog eens een keer
Volgens Noam Chomsky, onvermoeibaar criticus van de wereldpolitiek, zijn het nooit de grote politieke leiders die maatschappelijke verandering afdwingen. Het zijn altijd mensen als u.
John Malkin
| 79 september 2005 issue
‘Onlangs presenteerden twee van de beste onderzoeksbureaus rapporten over opvattingen en overtuigingen die leven onder de Amerikaanse bevolking. Een overgrote meerderheid vindt dat belastinggeld in de eerste plaats moet gaan naar gezondheidszorg, onderwijs en sociale zekerheid – en niet naar het leger. Een overgrote meerderheid is tegen de inzet van het leger, tenzij Amerika wordt aangevallen of er een onmiddellijke aanval dreigt. Een meerderheid is voor ratificering van het Kyoto-protocol over klimaatsverandering en wil dat Amerika zich onderwerpt aan het Internationale Strafhof. Een grote meerderheid vindt dat de Verenigde Naties, en niet de Verenigde Staten, de leiding moeten nemen in internationale crises. Een meerderheid is er zelfs voor om het Amerikaanse vetorecht in de Veiligheidsraad af te schaffen, waardoor Amerika zich zou moeten schikken naar de meningen van de meerderheid.
Het blijkt dat slechts tien procent stemt op basis van de politieke overtuigingen van de kandidaat. De rest stemt op basis van een imago. Ofwel: de man in het Witte Huis zegt niets over het land.
Onze politiek wordt beheerst door reclamemakers, door mensen die tandpasta en auto’s verkopen. Aan die situatie kunnen we alleen een einde maken door echte politieke partijen te vormen. Wil je echte politieke partijen, dan moeten mensen participeren en beslissingen nemen – en niet alleen maar één keer in de vier jaar op een knop drukken. Dat is geen politiek, dat is het tegendeel van politiek. De basis van democratie leg je door burgerorganisaties.’
‘Als een volksbeweging eenmaal op gang is gekomen, gaat het snel. Neem bijvoorbeeld de erfzonde uit de Amerikaanse geschiedenis: de uitroeiing van de oorspronkelijke bevolking. Toen de Europeanen in Noord-Amerika aankwamen, waren er zo’n 8 tot 10 miljoen mensen; we weten niet precies hoeveel, maar ze zijn er niet meer. Tot de jaren zestig van de vorige eeuw werd daarover helemaal niet gepraat. In boeken over geschiedenis of antropologie uit de jaren zestig werd de uitroeiing van de inheemse Amerikanen gewoon ontkend. Eén van de verworvenheden van de protestbeweging van de jaren zestig is geweest dat deze tragedie onder de aandacht van het publiek werd gebracht. Pas sinds de jaren zeventig werd deze kwestie echt serieus genomen. Niet dat iemand er nu nog iets aan kan doen, maar er is tenminste enige vorm van erkenning van die gruwelijke misdaad.
Of neem vrouwenmishandeling. Toen ik jong was, was het heel normaal als een man zijn vrouw wilde slaan. Vrouwen noemden het niet eens mishandeling. De vrouwenbeweging is begonnen met werkgroepen voor bewustzijnsvergroting: vrouwen kwamen bij elkaar om te praten en om tot het inzicht te komen dat ze onderdrukt werden. De meeste onderdrukten beseffen namelijk niet dat ze onderdrukt worden. Mijn grootmoeder voelde zich niet onderdrukt. “Zo was het nu eenmaal”, ongeveer zoals het weer. Mijn moeder had er wel moeite mee, maar deed geen poging er iets aan te veranderen. Maar mijn dochter? Vergeet het maar! Zij zal dat niet laten gebeuren, geen moment.
De eerste stap in een bewustzijnsverandering is dus dat mensen inzien dat ze onderdrukt worden en dat de structuren voor overheersing niet legitiem zijn. Die eerste stap is de moeilijkste. Maar hoe meer het inzicht groeit, hoe meer instituties je krijgt die het ondersteunen. In het geval van vrouwenmishandeling kregen die instituties de vorm van vrouwenhuizen en steungroepen. Tegenwoordig heb je in de meeste steden gespecialiseerde politiemensen die reageren op telefoontjes over huiselijk geweld. Je hebt speciale wetten voor huiselijk geweld. Je krijgt dus een combinatie van innerlijke bevrijding – of ‘mentaliteitsverandering’ als je het zo wilt noemen – en de ontwikkeling van instituties die die verandering ondersteunen en mensen in staat stellen er iets mee te doen.
Het zijn dit soort dingen die door volksbewegingen onder de aandacht van het publiek worden gebracht. In de geschiedenisboekjes staat dat de grote leiders ons die rechten hebben gegeven, maar als je kijkt wat er echt is gebeurd, dan blijken de rechten van onderaf te zijn bevochten, en dat de “grote leiders” er tegen hun zin toe zijn gedwongen hun handtekening eronder te zetten.’
‘In bepaalde gevallen hadden mensen vroeger meer inzicht in hun onderdrukking dan nu. Kijk maar eens terug naar de eerste stadia van de Industriële Revolutie, hier in Massachusetts: de arbeiders in de textielfabrieken maakten toen hun eigen kranten. Het is de tijd van de meest vrije pers in de Verenigde Staten. Er waren door arbeiders gemaakte kranten, plaatselijke kranten die groter waren dan de commerciële pers.
In de fabrieken in Lowell in Massachusetts werkten voornamelijk jonge vrouwen van de boerderijen of Ierse ambachtslui uit de achterbuurten. Ze hadden nog nooit van Marx gehoord; ze hadden nog nooit gehoord van anarchisme. Ze vonden het volkomen normaal dat degenen die in de fabrieken werkten, ook de eigenaar ervan waren en uitmaakten hoe ze werkten. En ze veroordeelden het industriële stelsel, omdat het hen hun cultuur en hun onafhankelijkheid afnam en hen veranderde in horigen in plaats van vrije mensen.
Dat begrepen ze instinctief. En het heeft anderhalve eeuw van onafgebroken propaganda gekost om de mensen van die gedachte af te brengen. Toch denk ik dat dat soort ideeën nog vlak onder het oppervlak sluimert.
In Amerika leer je dat alleen in dictaturen gebruik wordt gemaakt van propaganda. Toch is de bedrijfstak van de public relations niet onder een dictatuur tot ontwikkeling gekomen, maar in de meest vrije landen ter wereld: de Verenigde Staten en Engeland. Daar is een goede reden voor. Hoe meer vrijheid mensen krijgen, hoe meer de elites inzien dat ze de massa niet meer met geweld kunnen beheersen; ze moeten de publieke opinie en de opvattingen beheersen. Hoe meer vrijheid je krijgt, hoe meer manieren de geprivilegieerde groepen – meestal een samenstel van overheidsmachten en particuliere machten – bedenken om je te overheersen. De elites zijn voortdurend genoodzaakt de vrijheid neer te slaan, omdat die niet vanzelf in haar schulp kruipt.’
‘Tot het begin van de negentiende eeuw was een bedrijf iets heel anders dan nu. Het bestond bijvoorbeeld uit een aantal mensen uit de buurt, die bij elkaar kwamen in een vergadering in de stad en besloten om een brug te bouwen over een nabij gelegen rivier. Ze vormden dan een onderneming om het plan uit te voeren, en als het was uitgevoerd, werd de onderneming ontbonden. In de loop van de negentiende eeuw veranderden bedrijven geleidelijk van vorm, en in het begin van de twintigste eeuw werden bedrijven voor de wet rechtspersonen. Dat hield in dat ze vrijheid van meningsuiting kregen, beschermd werden tegen huisvredebreuk en dergelijke. Toen was er ook geen aansprakelijkheid meer. In tegenstelling tot mensen zijn bedrijven potentieel onsterfelijk.
Dankzij de Wereldhandelsorganisatie en nieuwe vrijhandelsovereenkomsten hebben bedrijven nu zelfs meer rechten dan natuurlijke personen. Als General Motors bijvoorbeeld in Mexico een fabriek gaat bouwen, hebben ze recht op een zogeheten “nationale behandeling”. Met andere woorden: Mexico moet GM als een Mexicaans bedrijf behandelen. Maar als een Mexicaan van vlees en bloed in de Verenigde Staten om een “nationale behandeling” vraagt, mag hij van geluk spreken als hij wordt teruggestuurd naar Mexico. Met een beetje pech komt hij in de gevangenis terecht.
De droom van de arbeidersbewegingen in het begin van de negentiende eeuw was internationale solidariteit: globalisering onder de mensen. Maar zoals het woord nu wordt gebruikt, heeft globalisering niets met mensen te maken, maar alles met de belangen van investeerders, kredietverstrekkers, bedrijven enzovoort. In neutrale zin betekent globalisering gewoon allerlei vormen van internationale integratie. Het is dan ook jammer dat sommige actievoerders zich “antiglobalist” noemen. Het is ook wel eens komisch. In Porto Alegre, Brazilië, waar dit jaar wederom het World Social Forum was georganiseerd, zeggen mensen uit alle windstreken en uit alle lagen van de bevolking: “Wij zijn tegen globalisering.” Wat ze doen, is de ultieme vorm van globalisering – maar dan op het niveau van het volk.
Het internationale stelsel van nationale staten is niet legitiem. Kijk maar naar Europa. Eeuwenlang was daar het hoogste doel om elkaar af te slachten.Als je Frans was, ging het er om Duitsers te vermoorden, en omgekeerd. Nu beweegt Europa zich op een ingewikkelde manier naar één of andere vorm van integratie.
Inwoners van Catalonië zeggen al niet meer dat ze in Spanje wonen, maar dat ze in een autonome regio van de Spaanse staat wonen. Hetzelfde geldt voor de Baskische landen in Spanje, in Wales, en elders. Er is een tendens in de richting van een redelijker vorm van leven, waarin mensen autonomie hebben: als gemeenschap, of als etnische groep, of op een ander niveau van taal en cultuur. Als je nu op zondagochtend naar het centrum van Barcelona gaat, zie je mensen in de kathedraal traditionele volksdansen uitvoeren. Een inheemse cultuur die onderdrukt, maar nooit helemaal uitgeroeid was, wordt nieuw leven ingeblazen. Die komt nu weer naar buiten. Het zijn kleine stapjes naar de ontbinding van het ongelegitimeerde statenstelsel.’
Dit zijn fragmenten uit een interview in The Sun (april 2005), een Amerikaans tijdschrift over persoonlijke reflectie, cultureel onderzoek en spiritueel inzicht, dat opvalt door zijn mix van fijngevoelige artikelen en harde politieke interviews.
John Malkin is journalist, musicus en dj, met een bijzondere interesse in maatschappelijke verandering en spirituele groei. In het voorjaar verscheen een verzamelbundel van zijn interviews met muzikanten als Michael Franti en Ani DiFranco, Sounds of Freedom: Musicians on Spirituality and Social Change.