Zo sorteer je een potlood en een duikbrilIs uw huis een oase van rust? Of kan het nog wat beter opgeruimd? Journaliste Anne Cushman werd moedeloos van de rommel om haar heen en wenste een grote schoonmaak. Hoe doe je dat? Ze kocht twee zelfhulpboeken om je beter te organiseren, maar raakte ze allebei kwijt... en toen zocht ze professionele hulp. En zo ontdekte ze hoe het opruimen je leven kan verrijken. In 1968, als ik op de lagere school zit, merk ik dat mijn tafeltje een beetje een bende is. Vanaf mijn plaats kan ik de tafel van het meisje voor me zien: vrijwel leeg, een keurig stapeltje karton, een doosje kleurpotloden en een paar potloden naast elkaar. Mijn tafel ligt bezaaid met verfrommelde vellen papier van rekentoetsen en dictees, potloden, poppetjes, een van een wc-rol gemaakte kalkoen. Als ik in het opbergvak een lineaal zoek, zit er opeens lijm aan mijn hand. Ik weet niet hoe het is gebeurd en ik heb geen idee wat ik moet doen, maar ik begrijp dat het niet goed is. Telkens als de juf door het lokaal naar achteren loopt, buig ik me over mijn tafeltje, zodat ze mijn rommel niet kan zien. Het helpt niets: de juf staat streng naast me te kijken. Ik schaam me rot. Zesendertig jaar later zit ik op de grond van mijn werkkamer rekeningen te schrijven. Mijn bureau ligt bezaaid met papier: onbetaalde rekeningen, onbeantwoorde brieven, oude kassabonnetjes, papieren servetjes, opengescheurde enveloppen met aantekeningen erop. Ik zit er dus nooit aan te werken, maar spreid mijn papieren uit op het tapijt en schrijf op mijn laptop, zittend op de bank, omringd door boeken en mappen. En het is niet alleen mijn bureau – overal waar ik kijk, ligt troep. Op de stoel van mijn auto: drie lege pakken sinaasappelsap, een pen zonder dop, een dop, de broodtrommel van mijn zoon, de bonnetjes van een fotowinkel. In de keuken: elleboogjes die uit de macaroniverpakking zijn gerold, potjes zonder etiket met onbekende kruiden die ik nooit gebruik, zes potjes salsa, een doos ginsengthee die mijn vader ooit had gekregen. In de kast: blouses die van de kleerhaakjes zijn gegleden, truien die ik niet meer draag, een la vol sokken zonder wederhelft, een rode strapless feestjurk die ik tien jaar geleden twee keer – en met groot succes – heb gedragen, een wirwar van voedingsbh’s (voor het geval ik nog een kind krijg), een wetsuit (voor het geval ik ooit nog eens ga surfen). Ik wil helemaal niet dat mijn leven zo is. Ik wil een huis als een zen-centrum: rustig, ordelijk, getuigend van aandacht, met een plaats voor alles. En alles op zijn plaats, van de wierookstokjes tot de hard gekookte eieren. Ik ken alle spirituele theorieën. Opruimen kan een vorm van meditatie zijn, zoals het ritueel van het schoonmaken van de tempel waarmee iedere dag in een zen-klooster begint. Terwijl we orde scheppen in de buitenwereld, scheppen we ook orde in onze binnenwereld. ‘Als de bloemschikker de bloemen schikt, schikt hij ook zijn gedachten en die van degene die naar de bloemen kijkt’, luidt een zen-gezegde. Maar nog net zo min als op de basisschool weet ik hoe ik die vorm van orde moet scheppen. Mijn omgeving ziet er nog net zo uit als dertig jaar geleden: de vellen papier vallen van mijn bureau en ik zit eroverheen gebogen, zodat de nonnen het niet zien. Ik deel deze eigenschap met andere schrijvers: een soort vaagheid, een onvermogen om met de buitenwereld om te gaan, wat ons ertoe brengt ons terug te trekken in het rijk van de fantasie. Vroeger kon ik met dit onvermogen leven, er zelfs om lachen alsof het een eigenaardigheid was die nauw verband hield met mijn creativiteit. Maar nu, als ongehuwde werkende moeder, kan ik het me niet veroorloven om twintig minuten te lopen zoeken naar mijn autosleutels of naar een paar van twee dezelfde sokken. Om te beginnen, bestel ik enkele boeken over opruimen bij Amazon.com. Het eerste, Organizing from the Inside Out, houdt me voor dat de kleuterklas het schoolvoorbeeld is van ordelijkheid: een plaats voor ieder voorwerp, alles naar activiteit gerangschikt en op alles een etiket. Het tweede, Simply Organized!, komt met een strenge vermaning: als ik ergens twee van heb – maakt niet uit waarvan – moet ik er één onmiddellijk wegdoen. Hmm, denk ik, verbijsterd. Ik leg de boeken naast elkaar om ertussen te kiezen. Een paar dagen later ben ik twintig minuten bezig om ze te zoeken. Het probleem is dat mijn hersens gewoon niet werken zoals de schrijvers het zouden willen. ‘Stop gelijksoortige voorwerpen bij elkaar’, luidt het opgewekte advies van Julie Morgenstern, de schrijfster van Organizing from the Inside Out. Maar als ik naar mijn bureaula staar, is me niet direct duidelijk hoe je drie oordoppen, paperclips, een nagelknipper, visitekaartjes van een acupuncturist en een dierenwinkel, een potlood zonder punt, een keelpastille en een duikbril moet sorteren. Ben ik echt van plan om de hele ochtend te besteden met al deze voorwerpen, één voor één, een eigen plek te geven? Ik staar hulpeloos naar de la, besluit het kaartje van de dierenwinkel weg te gooien, zoek vergeefs naar een puntenslijper, stop in elk oor een oordop... en ga achter de computer zitten werken aan het artikel dat volgende week af moet zijn. Ik kom tot de slotsom dat ik professionele hulp nodig heb. Ik zoek eerst een boeddhistische beroepsopruimer die me de verbanden tussen opbergsystemen en verlichting wijst – misschien een zen-monnik die office-manager is geworden. Maar als ik in Google begin te zoeken, stuit ik op een boekje met de titel Clear Your Clutter with Feng Shui, geschreven door een zekere Karen Kingston, die zichzelf op haar website presenteert als een helderziende en ‘de meest vooraanstaande westerse autoriteit op het gebied van opruimen’. Ik moet zeggen: ik heb mijn twijfels over feng shui. Toen ik werkte op de redactie van een yogatijdschrift, schakelde onze uitgever een feng-shui-expert in om onze chronische opruimproblemen aan te pakken. De adviseur hing vlaggen voor de deuren van ons kantoor om de stilstaande ch’i te doorbreken, liet bellen rinkelen om de energie vrij te maken en zei dat onze interne conflicten zouden verdwijnen als we onze bureaus zo opstelden dat de voortplantingsorganen van alle redacteuren in de richting van de productie-afdeling wezen. Het hielp niets. Ik wil iets concreters. Ik wil iemand die me vertelt hoe ik mijn papieren moet opruimen en waar ik mijn schoenen moet zetten, niet iemand die me zegt dat mijn toilet in het gedeelte van mijn huis is gesitueerd dat ‘voorspoed’ symboliseert. Het boek van Kingston is tot mijn verbazing onmiddellijk inspirerend, ondanks het wat ‘new-agerige’ taalgebruik. ‘Rommel hoopt zich op als energie stilstaat en omgekeerd staat energie stil als rommel zich ophoopt’, schrijft Kingston. ‘De rommel begint als een symptoom van wat er in je leven gebeurt en wordt vervolgens deel van het probleem, want: hoe meer rommel je hebt, hoe meer stilstaande energie erdoor wordt aangetrokken.’ Kingston komt voor advies bij me thuis en loopt langs de muren, laat haar handen er lichtjes overheen glijden en raakt de meubels, de foto’s en prullaria aan. Zo nu en dan blijft ze staan om iets te zeggen of te vragen. ‘Hier doe je niet veel, hè?’ roept ze uit in de werkkamer. Gegeneerd begin ik uit te leggen dat ik vooral op de bank en op de grond zit te werken. ‘We kunnen wel iets aan je bureau doen zodat je daar weer kunt werken,’ zegt ze. Ze draait zich om naar mijn voor meditatie en yoga gereserveerde hoekje. ‘Dat is toch geen plek voor spirituele oefeningen’, zegt ze. ‘Zo vlak naast zo’n kast vol stilstaande energie – wat zit erin?’ ‘Al mijn oude dagboeken,’ antwoord ik. ‘Oude foto’s, brieven, interviews op band…’ Ze knikt. ‘Die kast zal je moeten uitmesten.’ ‘Wat erin zit, wordt niet per se weerspiegeld door de buitenkant. Maar wat aan de buitenkant zit, weerspiegelt altijd iets van wat erin zit’, legt ze uit. ‘Als je hier rondkijkt, kun je zeggen “Dit ben ik”, en dan kan je kiezen of je dat wilt of niet. Als je vanuit dat perspectief begint met opruimen, wordt het een soort meditatieve oefening, omdat je jezelf opruimt, terwijl je je omgeving opruimt.’ Geïnspireerd door haar bezoek besluit ik elke week één klein hoekje van mijn huis op te ruimen: een keukenkastje, een kleerkast, desnoods alleen een la. Ik begin eraan als aan een oefening, het moet binnen een bepaalde tijd af zijn en bij elk voorwerp stel ik de vragen die Kingston me heeft opgegeven: ‘Ben je erop gesteld? Gebruik je het vaak? Word je er vrolijk van als je ernaar kijkt? Als je geen van deze vragen met “ja” kunt beantwoorden, laat het dan los.’ Een keer per maand breng ik spullen naar de kringloopwinkel: geërfde vazen en zoutvaatjes, cadeautjes die ik niet leuk vond, kleren die ik nooit draag. Ik bevestig doorzichtige plastic archiefbakken aan de muur naast mijn bureau om de papieren in te leggen. Ik word me bewust van voorwerpen waarmee ik al zo lang leef, dat ze onzichtbaar zijn geworden: de gebarsten plantenpot op de veranda, het doosje schroeven op de plank boven de gootsteen, de lamp die al maanden op een boekenkast staat waar helemaal geen stopcontact zit. Het is alsof ik zit te mediteren en mijn geest transparant is met al haar vernederende menselijkheid, haar ontkenning, haar eindeloze, futiele overpeinzingen – maar ook haar flitsen van schoonheid en inzicht. Als ik op een avond door de kastlades in de badkamer ga om oude medicijnen weg te doen en tandenborstels in hun houders te zetten, begin ik te begrijpen dat opruimsystemen een praktische techniek zijn om de routinehandelingen van mijn dag te sanctioneren: aan- en uitkleden, tanden poetsen, koken, afwassen. Als ik die klusjes beschouw als iets wat vlug even gedaan moet worden onderweg naar iets anders, lijken ze niets dan tijdverspilling. Maar vanuit het perspectief van de boeddhistische leer vormen al die handelingen gouden momenten, een kans om volledig te ontwaken, zo kostbaar als een duik in een bergmeer. Eigenlijk wíst ik dat wel. Maar de trage, taaie taak van het puinruimen is een manier om dit besef te verinnerlijken. En om te voorkomen dat de rommel zich onmiddellijk weer ophoopt, merk ik dat ik kalmer aan moet doen – ik moet de tijd nemen om een kastdeurtje te sluiten, de dop op een tube tandenpasta te draaien, jassen en rugzakken op te hangen, het lunchdoosje en de post weg te leggen als ik thuiskom, zonder door te draven naar een doel in de toekomst dat ik belangrijker vind. Zo’n vorm van aandacht dwingt tot een belichaamd, volledig lichamelijk leven, bewust van ieder gebaar. Die manier van leven kost tijd. Maar je krijgt ook tijd terug. Ik krijg mijn leven terug, ieder moment. Terwijl ik kasten, lades en de garage opruim, ontdek ik dat het niet zozeer de spullen zelf zijn waaraan ik hecht, maar de herinneringen die eromheen gesponnen zijn. Als het moet, kan ik best afstand doen van truien die ik al sinds mijn studietijd heb, geërfde potten en pannen, afgedankte kookboeken die ik in geen tien jaar heb opengeslagen (maar heb gehouden in de vage hoop dat ik ooit het type zou worden dat zelf stokbrood bakt). De dingen die ik slecht kan weg doen, zijn de dingen die me aan het verleden binden, die bij me oproepen wie ik vroeger was en waar ik ben geweest. Wat moet ik doen met de leren halster die ik op mijn twaalfde heb gewonnen in een concours op mijn lievelingspaard? Er zitten zelfs nog haren tussen. De kasjmier sjaal waaronder ik ineengedoken heb gelegen op de harde houten banken van slaaptreinen door Bihar, het land van de boeddha? Er hangt nog een vleugje India aan – koeienmest, stof, zweet. En mijn wijnrode trouwjurk, die ik aan had op toen we trouwden terwijl ik zes maanden zwanger was? Dat kindje is bij de geboorte gestorven; het huwelijk is geëindigd in een scheiding. Wat moet ik met die jurk doen? En wat moet ik doen met de tientallen vellen papier met kleurige handafdrukken van mijn zoon, gescheurd door onze kat – relieken van voorbije regenachtige middagen? Moet ik ze allemaal bewaren? Geen van alle? Eén vel, dat ik dan wegstop in een doos en tevoorschijn haal als hij volwassen is, ik een oude vrouw en de kat allang dood? De kast in mijn werkkamer zit vol spullen die ik uit een brandend gebouw zou redden: een leven gevangen in fotoalbums en dagboeken die ik tot mijn dood met me mee zal slepen – en die na mijn dood meteen moeten worden vernietigd. In India kwam ik sadhu’s tegen, zwervende asceten in oranje gewaden, die alles hadden weggegeven dat hen aan het verleden bond, zelfs hun naam. Ik heb wel eens gehoord van een taoïstische meester die elke tien jaar alles wat hij bezat weggaf en opnieuw begon. Is dat noodzakelijk voor een spiritueel leven? Terwijl ik een stapel catalogi naar de oud-papierbak breng, vraag ik me af: is rommel een bijproduct van het leven in een samenleving die zo doortrokken is van consumptiedwang dat alle hoeken en gaten gevuld raken met rotzooi? De meeste Amerikanen, heb ik ergens gelezen, gebruiken maar twintig procent van de dingen die ze bezitten. Er bestaat zelfs een opslagindustrie waarin miljarden dollars omgaan, waar je al je bezittingen die je in je eigen huis niet meer kwijt kunt, voor de rest van je leven kunt opslaan zonder er verder naar om te kijken. Dat zijn niet bepaald de problemen van de gezinnen die ik in India heb leren kennen, terwijl zij met zes kinderen in een éénkamerwoning moesten leven. Maar overconsumptie is niet het enige probleem, is mijn conclusie. Mijn leven was immers al een rommeltje op de basisschool met een tafeltje en een enkele la. Dat was het nog steeds toen ik één kamer had in een studentenhuis, toen al mijn bezittingen nog pasten in de achterbak van mijn oude, gedeukte Chevrolet, toen ik vrienden moest vragen hun eigen mok mee te nemen als ze kwamen eten. En toen ik door India trok, verbaasde ik me erover dat het me lukte om er in een lege kamer in een ashram met alleen de inhoud van mijn rugzak nog een bende van te maken. Orde scheppen in de rommel is iets anders dan je potjes met kruiden op alfabetische volgorde zetten, zo begin ik in te zien. Het gaat er op een dieper niveau om de twee polen van je spirituele leven in balans te brengen: het leven koesteren en respecteren, en tegelijk weten dat alles van voorbijgaande aard is. Het gaat erom te leren zorgen voor de dingen en de mensen die je dierbaar zijn – en als het zover is ze los te laten. Zoals de zen-leraar Gary Thorp in zijn uitgebreide meditatie over huishouden, Sweeping Changes, schrijft: ‘Plezier beleef je niet aan je inspanningen om dingen voor altijd bij je te houden, maar van je inspanningen om er goed voor te zorgen.’ Leren orde in de chaos te brengen betekent voor mij dat ik leer om te gaan met het onbeheersbare, het veranderlijke van het leven. Het gaat om goed leven en accepteren dat de wereld onvolmaakt is en knopen zomaar losraken, badspeeltjes schimmelig worden, er gaten in sokken vallen en sokken in de was verdwijnen, jurken niet meer passen. Het gaat erom te accepteren dat je gedachten afdwalen en je lichaam ouder wordt, dat woorden verkeerd gespeld worden en p’s in spiegelbeeld worden geschreven en niets – noch de was noch liefdesrelaties – ooit echt af is en ik ook niets – oude foto’s, het verleden, mijn familie, mijn herinneringen noch mijn lichaam – ooit voorgoed kan vasthouden. Ik ben nu al meer dan een jaar bewust bezig met opruimen en ik ben nog niet klaar. Maar er zit schot in. Op elke plank in de keuken zit een etiket. Ik heb nu alleen nog blouses die ik ook echt draag. Ik schrijf dit aan een schoon, ordelijk bureau in mijn pas opgeruimde werkkamer. Gisteravond ging ik op de vloer van mijn werkkamer een doos foto’s uitzoeken: mijn zoon, zes weken oud, die verwoed probeert te kruipen. Ik in mijn pyjama op mijn derde verjaardag, met een kartonnen kroon op. Mijn moeder op haar negende, dansend in een strorokje op Hawaii... Ik ben geen sadhu of non. Ik ben er nog niet klaar voor om mijn persoonlijke identiteit helemaal los te laten – niet zomaar een geest zonder lichaam, maar de dochter van een vader en een moeder die vroeger een paard had en nu een opgroeiende zoon. Daarom gooi ik niet de hele stapel foto’s in de vuilnisbak, maar ik zoek de foto’s uit, stop de meest aansprekende in een album en doe de rest weg. Ooit op een dag zal ik ook weten wat ik met mijn trouwjurk moet doen. Ondertussen pak ik in huis dingen op, één voor één. Ik zie ze zoals ze zijn. Zoutstrooier. Babyfoto. Tandfloss. Liefdesbrief. En ik help ze allemaal hun ware thuis te vinden.
|
|
De ontmoeting van wetenschap en spiritualiteit
Intensive 'Leiderschap voor vernieuwing', met Joseph Jaworski
Mail&Win boek: Ontdek je bestemming door de kracht van woorden
Mail&Win: Een met alle Leven van Eckhart Tolle
Help je mee het sociale/spirituele bewustzijn van mensen te vergroten?
AGENDA- Jij die mij ik maakt
AGENDA Kerstconcert Simone Awhina
AGENDA - Jongereninspiratiedag 22 november 2008
Mischa, The Netherlands
Fran1951, Nederland
jack70, netherlands
Emilia, Nederland


