Email   Print

De beste armoedebestrijding ter wereld

Armoede kan worden opgelost. Maar zolang politici en wereldverbeteraars zijn verblind door goede bedoelingen, zullen arme mensen arm blijven. Muhammad Yunus, oprichter van de Grameen Bank die kleine leningen verstrekt aan arme mensen, weet daarentegen wél hoe je armoede moet aanpakken. Marco Visscher zocht hem op in Bangladesh en sprak uitvoerig met hem. Over de relatie tussen bedelaars in de straten van Dhaka en de westerse verzorgingsstaat.

Marco Visscher | 78 juli 2005 issue

In het voorjaar stond armoede ineens weer hoog op de politieke agenda. Europese leiders verdrongen zich om hun plannen voor armoedebestrijding te presenteren. Chirac riep op de schulden van ontwikkelingslanden kwijt te schelden. Blair richtte de Afrika Commissie op, die voorstelde handelsbarrières af te breken en corruptie tegen te gaan. De Verenigde Naties presenteerden een rapport, geschreven door de Amerikaanse econoom Jeffrey Sachs, waarin optimistisch werd vooruitgeblikt naar een wereld zonder armoede – haalbaar als de rijke landen meer ontwikkelingsgeld zouden overmaken. Als er één plek is waar deze stroom van nieuwsberichten met gejuich zou moeten worden ontvangen, is het in het straatarme Bangladesh. Maar de man die in dit land het meest heeft gedaan om mensen uit hun armoede te bevrijden, schudt alleen maar zijn hoofd. In zijn eenvoudige kantoor – in hoofdstad Dhaka aan een drukke verkeersweg waar het gemotoriseerd verkeer schokkend voortbeweegt en riksjarijders langs de kant staan te wachten op klandizie – toont Muhammad Yunus zich niet onder de indruk. Goede bedoelingen, vindt hij het, maar volkomen los van de realiteit van het alledaagse leven van arme mensen. ‘Het is het bekende recept: liefdadigheid’, begint Yunus. ‘Maar liefdadigheid is niet de manier om mensen in nood te helpen; het is geen gezonde basis voor een relatie tussen mensen. Als je armoede wilt oplossen, moet je mensen in staat stellen hun eigen leven op te bouwen. Dat is helaas niet hoe de hulpindustrie werkt. Westerse overheden en ontwikkelingsorganisaties denken dat ze er zijn voor permanente liefdadigheid. Zo houden zij hele economieën gevangen in armoede, en gezinnen in een onmenselijke situatie.’ Dat is ook wat moois. Bangladesh heeft in ruim dertig jaar tijd meer dan 30 miljard dollar aan hulpgeld en leningen ontvangen – en hier spreekt een ondankbare Bengaal die financiële hulp afwijst? Pas op. Het is niet terecht om Muhammad Yunus in te schatten als een man die achteloos rebelse ideeën over ontwikkelingshulp rondstrooit. Yunus is de onbetwiste aanvoerder van een radicale omwenteling in de bestrijding van armoede. Als oprichter van de Grameen Bank is hij de bedenker van een recept dat in de financiële wereld een razendsnel groeiend segment vormt: microkrediet, kleine leningen aan arme mensen (zie kader). Terwijl zijn bank het voorbeeld is geworden voor honderden instellingen in bijna honderd landen, dringt de steun voor zijn werk door in de gevestigde structuren, waar hij vandaan komt. Yunus was begin dertig toen hij hoogleraar economie werd en hij houdt eredoctoraten aan 22 universiteiten in elf landen, van de Verenigde Staten (waar hij heeft gestudeerd) tot Thailand en van Italië tot Argentinië. Hij is een begenadigde spreker, wat tijdens zijn reizen in de westerse wereld een reeks aan confrontaties oplevert: scepsis ontmoet optimisme, vrijblijvende hoop ontmoet diep gewortelde overtuigingskracht. En zo is het niet zo raar, dat Muhammad Yunus van achter zijn bureau in Dhaka vertelt over het falen van ontwikkelingshulp en de naderende mislukking van nieuwe pogingen om de armoede te beëindigen. Met eigen ogen – waarin de twinkeling tijdens onze ontmoeting niet wil wijken – heeft hij gezien wat werkt en wat niet werkt in Bangladesh, zo ongeveer het armste land ter wereld. Hij heeft gezien hoe miljarden dollars aan buitenlandse hulp hebben geleid tot kolossale projecten (stuwdammen, bruggen, grote fabrieken), maar niet tot nieuwe instellingen of projecten waarin de lokale bevolking zichzelf moest organiseren om haar problemen op te lossen. En dát is waar volgens Yunus de sleutel ligt naar een wereld zonder armoede. Hier volgt een monoloog van ’s werelds beste armoedebestrijder. ‘Arme mensen zijn niet de auteurs van hun eigen armoede. Armoede is een creatie van een ingewikkeld systeem van opvattingen, regels en instellingen dat we voor onszelf hebben bedacht. Als je armoede wilt uitroeien, moet je dus terug naar de tekentafel, uitvinden waar we die zaden voor armoede hebben geplant en daar iets veranderen. Zo kwam ik erachter, dat onze financiële instellingen een enorm hoge drempel hebben ingebouwd – onderpand – waardoor arme mensen, die krediet zo hard nodig hebben om aan hun armoede te ontsnappen, nooit een stap binnen een bank zetten. Ze zouden worden uitgelachen. We geloven dat arme mensen hun leningen niet zullen terugbetalen. We vinden het normaal dat banken – net als andere bedrijven – winst moeten maken en dat ze zo’n zeventig, tachtig procent van de wereldbevolking uitsluiten. Die vooronderstellingen staan niet ter discussie; zo ís het gewoon. In werkelijkheid heeft niemand die ideeën getest. Want welke bank leent eigenlijk geld aan arme mensen? De aanpak van armoede wordt tegengewerkt door onze ingesleten overtuigingen. Arme mensen zijn hulpeloos, ongezond, ongeletterd dus dom, ze hebben niets, ze weten niets, wij moeten voor hen zorgen, wij moeten hen te eten geven... Het is volkomen verkeerd zo te denken. Ik ben ervan overtuigd dat arme mensen net zo menselijk zijn als iedereen. Ze hebben net zo veel potentie als iedereen. Ze worden simpelweg in een doos gestopt waarop staat geschreven: ARM! En het staat er met koeienletters, zodat iedereen hen behandelt zoals we arme mensen nu eenmaal behandelen, omdat we denken dat het zo moet. En dan kom je niet gemakkelijk uit die doos. Dat geldt voor individuen net zo goed als voor landen. Overheden van ontwikkelingslanden krijgen geld van rijke overheden die zo aardig zijn een gedeelte van hun nationale inkomen af te staan voor wat “ontwikkelingshulp” heet. Die verplichte liefdadigheid voor arme landen is een geloofsbrief geworden die te weinig in twijfel wordt getrokken. Zelfs onze religies dragen ons op geld en eten te geven aan arme mensen; ze zeggen niet dat we bepaalde voorwaarden en rechten moeten creëren, zodat die mensen zichzelf kunnen helpen. Maar zulke ontwikkelingshulp richt veel schade aan: de positie van de overheid wordt versterkt, het geld komt niet terecht bij de mensen die het nodig hebben. Overheden van ontwikkelingslanden zorgen er zelfs voor dat hun beleid erop is gericht om in de sfeer van liefdadigheid te blijven, zoals rijke overheden op hun beurt eveneens wetten maken die het andere landen vrijwel onmogelijk maken om te ontsnappen aan liefdadigheid.’ ‘Ik heb het niet alleen over arme landen. Ik heb het ook over de rijke, westerse landen. Daar hebben jullie een heel grote doos ontworpen die “sociale zekerheid” heet. Jullie zeggen: oh, hij is ziek, hij is gehandicapt, hij kan niet voor zichzelf zorgen, het is de verantwoordelijkheid van de samenleving om hem in leven te houden. Dat vind ik volkomen verkeerd. Die denkwijze schept een scheiding tussen zij die werken en voor zichzelf kunnen zorgen en zij die dat niet kunnen. Wat gebeurt er? Als je bij de ongelukkige minderheid hoort, krijg je iedere maand een uitkering. De boodschap is duidelijk: jij kan niets, de overheid moet voor jou zorgen. Dus word jij afhankelijk. Je raakt eraan gewend dat de samenleving zorgt dat jij geld hebt. Je krijgt het, je hoeft er niets voor te doen, je hoeft het niet te verantwoorden. Dat is dodelijk voor jouw initiatief en je gaat wachten op meer hulp. Op dát moment hebben ze jouw vindingrijkheid kapotgemaakt. Ze hebben een fundamenteel element van de mens afgenomen. Dit systeem van sociale zekerheid creëert een menselijke dierentuin. In de dierentuin krijgen de dieren op tijd te eten en er is een dokter als ze ziek zijn, maar: ze zijn gevangen. Ze hebben nog wel een vaag instinct dat vertelt dat ze op jacht moeten gaan, maar ze worden niet uitgedaagd om dagen achtereen hongerig te zijn en een prooi te zoeken. De dieren zijn niet zo scherp en inventief als ze in de wilde natuur zouden zijn. Wat is eigenlijk nog dierlijk aan hen? Ze zijn een slechte imitatie van zichzelf geworden. Welnu, mensen die zijn opgeslokt in het westerse stelsel van sociale zekerheid zijn evenmin zichzelf. Ze worden niet gestimuleerd hun mogelijkheden, talenten en creativiteit te ontdekken. Alle uitdagingen worden hen ontnomen. Ze worden geremd in hun ontwikkeling.’ ‘Het is niet nodig dat arme mensen arm blijven en wachten op liefdadigheid die hen uiteindelijk toch niet zal verlossen. We kunnen armoede verdrijven. En we waren goed op weg. De Verenigde Naties hadden de Millenniumdoelen opgesteld: in 2015 moet de armoede zijn gehalveerd en in 2050 is het helemaal afgelopen. Zo’n grootmoedige poging was niet eerder gedaan. We hadden een gezamenlijk doel waarmee we enthousiast een nieuw millennium binnentraden. En toen kwam “9/11”. Die dag bracht de hele wereld in verwarring. Het gaf de Amerikaanse president een excuus om de wereld in een andere richting te sturen, waardoor een scheiding in de wereld ontstond. Nu is iedereen wantrouwend, iedereen kan een terrorist zijn. Het zal veel tijd kosten om de wereld terug te krijgen op dat spoor van optimisme en op het spoor van een strijd die volgens mij belangrijker is dan de strijd om op alle plekken in de wereld democratie af te dwingen: de strijd om heel gewone rechten toe te kennen aan mensen die zijn uitgesloten en daardoor leven in onmenselijke armoede. Toch denk ik nog steeds dat we de armoede binnen tien jaar kunnen halveren en binnen een mensenleven nog kunnen beëindigen. En dat zeg ik niet zomaar omdat zo positief klinkt. Ik meen het serieus. Elk land, elke stad, elk dorp kan het aantal arme mensen met de helft terugdringen. Tien jaar is een lange tijd, kom op! Om armoede op te lossen, moet je beginnen anders te denken. Je moet arme mensen behandelen zoals jij wilt worden behandeld. Je moet hen dezelfde faciliteiten bieden waarover jij ook beschikt. Inderdaad, ze moeten net als iedereen naar de bank kunnen voor een lening, want met een lening kun je je eigen werk creëren, je kunt jezelf in je onderhoud voorzien en je kunt inkomsten genereren. Krediet is één van de barrières die we moeten opheffen zodat de armen uit armoede kunnen klauteren. Maar het is niet genoeg. Zij moeten bijvoorbeeld ook toegang hebben tot informatietechnologie, want kennis is macht – en macht hadden ze nog niet. Nieuwsvoorziening is eeuwenlang gedomineerd geweest door journalisten: feitelijk een elite die besliste welke informatie geschikt is om door te geven en welke niet. Altijd was je aangewezen op journalisten om te weten wat er gebeurde in het land en in de wereld. Maar nu is dankzij internet een heel scala aan nieuwsbronnen ontstaan waarop ik mij kan laten informeren – van onafhankelijke organisaties tot en met weblogs van particulieren over de hele wereld. Ik kan meningen tegen elkaar afwegen, ik kan op basis van verschillende bronnen mijn eigen mening vormen. Dat is een geweldige bevrijding, want het betekent uiteindelijk dat je arme mensen niet meer kunt bedriegen... Althans, je moet beter je best doen om ze voor de gek te houden. Dankzij de mobiele telefoon kunnen boeren in Bangladesh rechtstreeks met de afnemer onderhandelen over de prijs (zie de reportage over GrameenPhone in Ode 75, april 2005, red.). Via internet ontdekken boeren wat de werkelijke marktwaarde is van hun goederen, waardoor ze hun onderhandelingspositie kunnen versterken. Dit betekent dat arme boeren niet meer zijn beperkt tot de dorpseconomie. Ze zijn niet meer aangewezen op de handige tussenhandelaar die de boeren dom hield en er met de centen vandoor ging. Ze zijn nu aangesloten op de rest van de wereld.’ ‘Het is een goede ontwikkeling dat boeren worden betrokken in de wereldeconomie, maar zaligmakend is het niet. De studieboeken hebben de wereldeconomie sterk versimpeld: het is een open markt, het is een vrije wereld. Nou, probeer maar eens een medicijn op de Japanse markt te introduceren; ze zullen je wel vertellen wat de regels zijn. De markt in de echte wereld is slechts open voor zover die door de schrijvers van de wetten en de toezichthouders is opengesteld voor andere partijen. Maar neem nu de kruidenier op de hoek van jouw straat, waar je al jaren je boodschappen doet. Er komt een grote supermarkt verderop, die veel goedkoper is en cadeautjes en zegeltjes weggeeft. Voor je het weet, sta jij in die supermarkt met je winkelwagentje en is die aardige kruidenier al zijn klanten kwijt. Waar zijn de regels die de kruidenier beschermen? Waar zijn de regels voor deze supermarkt? Aha! Dus pas wanneer je groot bent en veel geld hebt, is het een vrije markt. De studieboeken zijn toe aan een herziening. Dan kunnen we meteen rechtzetten dat een bedrijf niet louter een manier is om geld te verdienen, en een zakenman niet per definitie iemand die zijn winst wil maximaliseren. Bedrijven kunnen namelijk ook een ander doel hebben: het dienen van een maatschappelijk nut. De Grameen Bank is daar een voorbeeld van, er zijn er meer en we hebben er veel meer van nodig. We hebben bedrijven nodig die vanuit hun eerste behoefte een goed doel nastreven. We hebben zakenlieden nodig die niet worden gedreven door geld, maar door hun wens om bij te dragen aan de gemeenschap. Ze zijn er wel, zegt u? Ach natuurlijk, maatschappelijk verantwoorde ondernemers, bedoelt u. Maar vertel me, hoe kun je nu maatschappelijk verantwoord ondernemen als je eerste doel is om winst te maken? Dat gaat niet samen. Ik begrijp het wanneer je als ondernemer geld wilt overmaken aan de slachtoffers van de tsunami. Je doneert nog wat geld aan een fonds dat zieke kinderen helpt en je hangt in je kantoor mooie, ingelijste documenten op, zodat iedereen kan zien welke goede dingen je doet. Maar laat ik je dan deze vraag stellen: waarom richt jouw bedrijf zich niet in zijn geheel op de goede zaak? Let wel, ik heb het niet over liefdadigheidsinstellingen, maatschappelijke of non-gouvernementele organisaties – die kunnen bijvoorbeeld niet naar de bank voor een lening en zijn afhankelijk van subsidies en donaties. Ik heb het over een nieuwe sector: bedrijven die geen verlies willen maken, zodat ze zaken kunnen blijven doen die bijdragen aan de gemeenschap. Dat zijn er nog niet zo veel, want het bedrijfsleven is ten onrechte besmet met een reputatie van meedogenloze winstmakers. Dus als je iets goeds wilde doen voor de wereld, dacht je er niet aan om een bedrijf te beginnen; je was immers niet in geld geïnteresseerd. Je meldde je aan bij een maatschappelijke organisatie of je werd onderzoeker zodat je medicijnen zou ontwikkelen die mensen beter zouden maken – en waaraan, tussen twee haakjes, andere mensen dan weer heel veel geld zouden verdienen. Maar er is een andere manier die uitdagender is: via het bedrijfsleven. Want volgens mij is er geen betere manier dan via een onderneming om je wens voor een mooiere wereld te combineren met effectiviteit.’ Effectiviteit. Het woord is gevallen. Effectiviteit – het is een woord dat opmerkelijk afwezig is in veel discussies over de bestrijding van armoede. Te vaak blijven pogingen om vooruitgang te brengen in ontwikkelingslanden hangen in goede bedoelingen, in bureaucratie, in dure consultancies, in resultaten die te weinig betekenis hebben in het leven van arme mensen. Muhammad Yunus weigert dat te accepteren. Daarom is het hier, in het eenvoudige hoofdkwartier van de Grameen Bank, alsof dat woord al de hele tijd in de lucht hing. Effectiviteit is zijn wezenlijke bijdrage. Yunus laat zien dat armoedebestrijding begint met doen. En dat je dan succesvol kan zijn, en dat er zelfs winst mee is te behalen. ‘Ik droom wel eens van een internationale aandelenbeurs waaraan “sociale ondernemingen” staan genoteerd’, vervolgt Yunus. ‘Wil je arme vrouwen in Latijns Amerika helpen, dan kun je investeren in het Bolivaanse internetbedrijfje dat door lokale vrouwen gemaakte kleding verkoopt. Als je meer affiniteit hebt met nieuwe technologie kun je investeren in een Vietnamees bedrijf dat computers met spraaktechnologie brengt in de dorpen. Universiteiten zouden business-schools inrichten voor jonge social entrepreneurs die niet leren hoe je zoveel mogelijk geld kunt verdienen, maar hoe je zo goed mogelijk een maatschappelijk doel kunt realiseren. Er zou een Wall Street Journal komen die bericht over deze nieuwe verzameling bedrijven. Er zou een heel nieuw tegenwicht komen die de economie en de samenleving enorm zal verrijken.’



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.