Email   Print

Onze plek in de wereld

Meestal vinden we publieke ontmoetingsplaatsen vanzelfsprekend, totdat ze verdwijnen en we nergens meer naartoe kunnen. Een nieuwe wereldwijde beweging ontstaat die het openbare leven wil herstellen. Om meer contact te maken met anderen, om meer rust te creëren, om meer plezier te beleven aan het leven in de stad.

Jay Walljasper | 77 juni 2005 issue

Het is een donkere winteravond in Kopenhagen en het is druk op straat. Het vriest niet, maar het waait zo hard dat een deel van de overal gestalde fietsen omver wordt geblazen. Scandinaviërs staan bekend om hun flegmatieke terughoudendheid, maar hier wandelen op donderdagavond mensen van allerlei leeftijden en in allerlei verband lachend en pratend door het stadscentrum.

Een groepje opgeschoten jongens, allemaal voorzien van een stuk pizza, paradeert door de belangrijkste voetgangersstraat. Oudere vrouwen inspecteren deskundig de etalages met de mode voor de komende lente. Een ervaren balalaikaspeler op een plein trekt wat publiek. Jongeren zamelen geld in voor een goed doel. Moeders en vaders duwen wandelwagens voort om een luchtje te scheppen. Op de rand van een fontein zijn mensen met hun mobiele telefoon in de weer.

‘Cultuur en klimaat zijn overal ter wereld weer anders,’ zegt de architect Jan Gehl, ‘maar de mensen zijn hetzelfde. Ze komen in het openbaar bijeen als je hun daarvoor de ruimte geeft.’ Gehl is docent ruimtelijke ordening op de Deense Koninklijke Academie voor Schone Kunsten en internationaal adviseur; hij heeft de werkzaamheden aan het voetgangerscentrum in Kopenhagen gecoördineerd sinds het in 1962 werd geopend. In die tijd werd het centrum overspoeld door auto’s. Een voetgangerszone moest het in verval rakende stadscentrum weer doen opleven. ‘Winkeliers protesteerden heftig dat hun bedrijf eraan zou gaan,’ herinnert hij zich, ‘maar zodra de voetgangerszone er kwam, was iedereen er blij mee. Sommigen beweren nu zelfs dat ze destijds zelf het idee hebben geïntroduceerd.’

De voetgangerszone is sindsdien elk jaar een beetje uitgebreid; de parkeerplaatsen verdwenen langzamerhand en de voorzieningen voor fietsers en het openbaar vervoer werden geleidelijk verbeterd. Cafés, ooit gezien als een exclusief mediterraan verschijnsel, zijn in Kopenhagen het centrum geworden van het sociale leven. Gehl laat zien dat gedurende de afgelopen veertig jaar meer dan driemaal zoveel mensen van de zone gebruik zijn gaan maken. Het voetgangersdistrict is nu het bloeiende hart van een hersteld stadscentrum. In deze tijd van onstuitbaar oprukkend verkeer, zich vermenigvuldigende winkelcentra, overweldigende commercialisering en de onverschilligheid van de vele mensen die vinden dat hun gezin en het internet hun alle sociale interactie bieden die ze nodig hebben, geeft het herstel van Kopenhagen hoop aan groeiende aantallen burgers uit de hele wereld die er zorg voor willen dragen dat stimulerende publieke ontmoetingsplaatsen niet ten dode zijn opgeschreven.

Hoewel het pas een eeuw geleden overal op straat krioelde van de mensen, zijn vele straten nu vrijwel verlaten – vooral in de snelgroeiende buitenwijken overal ter wereld, maar soms ook in de oudere steden. Een wandeling door bepaalde stadscentra in Noord-Amerika kan een bijzonder vervreemdende ervaring zijn: het lijkt wel of de hele stad geëvacueerd is vanwege een catastrofe waarover niemand je iets heeft verteld. Zelfs in de overbevolkte stedelijke gebieden van Azië en Afrika heeft de publieke ruimte te lijden onder het toenemende verkeer en de niet goed doordachte plannen voor ruimtelijke ordening die uit het westen zijn geïmporteerd.

Het verval van de publieke ruimte wijst op een verlies dat veel verder reikt dan alleen nostalgie naar het rustige en gerieflijke bestaan van vroeger. ‘De straten, de pleinen, de parken, de markten en de speelplaatsen zijn de slagaders van het openbare leven’, verklaart Kathleen Madden, één van de directeuren van het te New York gevestigde Project for Public Spaces, dat wereldwijd streeft naar verbetering van het gemeenschapsleven.

Mensen houden ervan elkaar te ontmoeten, te praten, te zitten, te kijken, te ontspannen, te spelen, te wandelen, te flirten, te eten, te drinken, te roken, voorbijgangers gade te slaan, te lezen, in de zon te zitten en zich deel te voelen van een groter geheel. De openbare ruimte is het beginpunt van alle vormen van gemeenschappelijkheid, van alle handel en van alle democratie. In evolutionaire zin is de toekomst van de mens zelfs van de publieke ruimten afhankelijk. Daar ontmoeten jonge vrouwen elkaar en flirten met jongemannen – een essentieel aspect van de voortplanting. Talrijke onderzoeken op allerlei gebied, van sociale psychologie tot het ontwerpen van omslagen van tijdschriften, hebben uitgewezen dat de aandacht van mensen het sterkst wordt gewekt door andere mensen, vooral door hun gezichten. Het ligt in de aard van alle mensen naar geschikte plekken te zoeken om bijeen te komen. Daarom is het zo verbazend dat we het belang van deze plaatsen tegenwoordig zo vaak veronachtzamen.

‘Als je mensen twintig jaar geleden vroeg waarom ze naar het centrum van Kopenhagen gingen, zeiden ze dat ze gingen winkelen’, merkt Jan Gehl op, terwijl we in de voormalige marinekazerne zitten waar Gehl + Associates is gehuisvest, zijn adviesbureau voor ruimtelijke ordening. ‘Maar als je het hun nu zou vragen, zouden ze zeggen dat ze gewoon even de stad in gaan.’

Die kleine verandering in de formulering duidt op goede hoop voor de toekomst van de publieke ruimten. Vroeger, zo verklaart Gehl, nam de openbare ruimte in ieders leven een centrale plaats in. Daar trokken de mensen naartoe, daar deden ze inkopen en daar ontmoetten ze elkaar. Vaak woonden mensen in krappe huizen zonder tuin en ze bezaten auto noch koelkast, dus moesten ze wel van de publieke ruimte gebruikmaken. Ze verplaatsten zich meestal te voet. Stadsgezinnen waren voor hun dagelijkse kost afhankelijk van markten en winkelrijke buurten. In de parken konden de kinderen spelen en iets van de natuur ervaren. Op pleinen, in kerken en in herbergen ontmoette je je vrienden.

Dit veranderde tijdens de twintigste eeuw. In de geïndustrialiseerde landen namen auto’s de straten over (en die lieten zich ook in de zich ontwikkelende wereld niet onbetuigd), zodat veel plaatsen beter konden worden bereikt, maar wandelen en fietsen gevaarlijker werden. Kleine en grote steden breidden zich uit en veel winkeliers verhuisden – dankzij de toegenomen mobiliteit – naar winkelcentra in de periferie. Telefoons, koelkasten, televisie, computers en huizen in de buitenwijken met grote tuinen transformeerden ons dagelijks leven. Mensen trokken zich uit de openbare ruimte terug. Omdat publieke ontmoetingsplaatsen niet meer van essentieel belang waren, werden ze verwaarloosd. In veel nieuwbouwwijken dachten de mensen niet meer aan de voetpaden, de binnensteden, de parken en de pleinen, het openbaar vervoer, de speelplaatsen en het genoegen dat je kunt beleven aan een wandelingetje na het eten en aan het ontmoeten van je buurtgenoten. Tegenwoordig vragen velen zich af of publieke ruimten nog wel ergens toe dienen.

‘Sommige steden zijn volkomen bedorven; er is geen mens meer te zien’, zegt Gehl, zwaaiend met een foto die dit moet bewijzen. ‘Kijk, dit is een fitnesscentrum in Atlanta in Amerika. Het is bovenop een parkeergarage van zeven verdiepingen gebouwd. De mensen komen de straat niet meer op, ze gaan zelfs met de auto naar het fitnesscentrum om daar te lopen en aan lichaamsbeweging te doen! Maar in andere steden hebben de mensen besloten er iets aan te veranderen. Ze vechten terug’, vervolgt hij, en toont een andere foto – een straattafereel in Oslo te Noorwegen, waar tientallen mensen zich ontspannen op een caféterras langs een druk trottoir. Gehl wijst een aantal steden aan, buiten Kopenhagen, die zichzelf nieuw leven hebben ingeblazen door prachtige publieke ontmoetingsplaatsen te creëren: Barcelona in Spanje, Lyon in Frankrijk, Bogotá in Colombia, Vancouver in Canada, de Amerikaanse stad Portland in Oregon en het Deense stadje Vilje. Zijn boek New City Spaces (Danish Architectural Press, 2000), dat hij samen met zijn compagnon Lars Gemzøe heeft geschreven, bevat nog meer succesverhalen uit Melbourne in Australië, Cordoba in Argentinië, Curitiba in Brazilië, Freiburg in Duitsland en Straatsburg in Frankrijk.

Melbourne heeft zijn uiterste best gedaan om alle straten voetgangersvriendelijk te maken door trottoirs te verbreden en aantrekkelijk te maken. Cordoba veranderde zijn rivieroevers in een reeks parken. Curitiba was de pionier van een systeem van snelle buslijnen, zodat het verkeer de snelgroeiende stad niet meer kon overspoelen. Portland beteugelde de uitbreiding van de buitenwijken en transformeerde een saaie binnenstad tot een bruisend stadscentrum, allereerst door een parkeergarage af te breken en die door een groot plein te vervangen.

Barcelona en Lyon illustreren de werking van publieke ontmoetingsplaatsen het beste. Vroeger werden deze steden als saaie industriecentra beschouwd, maar nu worden ze alom geroemd als hoogontwikkelde, aanlokkelijke steden die internationaal de aandacht trekken en de inwoners met trots vervullen. Barcelona wordt nu in één adem met Parijs en Rome een schoolvoorbeeld van een fraaie Europese stad genoemd. Tijdens de bevrijdingsroes die volgde op het einde van de dictatuur van Franco – in die periode werden publieke bijeenkomsten bepaald niet aangemoedigd, integendeel – creëerden burgers en stadsbestuurders overal in de stad en de buitenwijken nieuwe pleinen en publieke ruimten in de hoop de wonden van de politieke en sociale onderdrukking te helen. Sommige ervan passen zo goed bij de infrastructuur van de oude stad, dat bezoekers vaak denken dat ze eeuwenoud zijn.

Lyon volgde het voorbeeld van Barcelona en startte in 1989 een ambitieuze campagne om de stad nieuw leven in te blazen. Grote publieke projecten in het stadscentrum gingen vergezeld van initiatieven in minder welvarende buitenwijken, zodat de hele stad ervan kon profiteren. Indrukwekkende voetgangerspleinen en schitterende fonteinen namen in de plannen een prominente plaats in. ‘Vijftien jaar geleden was Lyon niets’, zegt Gehl, ‘en nu is het een toonbeeld voor Europa. De burgemeester van Lyon zegt dat alle kosten voor de herbouw van de stad zijn terugverdiend door toegenomen economische activiteit en alle nieuwe bedrijven die zich daar hebben gevestigd.’

De sleutel tot het herstel van onze publieke ruimten – en onze samenleving als geheel – is het inzicht dat mensen tegenwoordig veel meer keuzemogelijkheden hebben dan in het verleden. Een uitstapje naar de binnenstad, de boerenmarkt of de bibliotheek heeft een praktisch doel én is ontspannend – je kunt je op die manier amuseren, andere mensen ontmoeten en van de omgeving genieten.

‘Mensen gaan niet naar publieke ruimten omdat ze moeten, maar omdat ze dat graag doen’, verklaart Gehl. ‘Als zo’n plek niet aantrekkelijk is, gaan ze ergens anders naartoe. Dat betekent dat de kwaliteit van de publieke ruimten van groot belang is geworden. Alle steden die hun publieke ruimten hebben hersteld, hebben een wedergeboorte doorgemaakt.’ Maar begrijp Gehl – en andere pleitbezorgers voor betere publieke ontmoetingsplaatsen – niet verkeerd. Met ‘kwaliteit’ bedoelen ze de kwaliteit van de publieke ruimte als geheel, niet alleen die van de architectuur.

Terwijl vele publieke ontmoetingsplaatsen overal ter wereld in verval zijn, is er sprake geweest van een soort opbloei van prestigieuze nieuwe projecten, uitgedacht door grote architecten. Het Guggenheim Museum van Frank Gehry in Bilbao, Spanje, zette de toon, en daarop volgden opvallende projecten als het Schouwburgplein in Rotterdam, het Millennium Park in Chicago en de nieuwe openbare bibliotheek van Rem Koolhaas in Seattle. Hoewel die projecten bij architecten en in de media veel opwinding veroorzaakten, blinken ze geen van alle uit als plaatsen waar je kunt rondslenteren en je amuseren. De nadruk op esthetiek overschaduwt vaak hun fundamentele functie om aan de behoeften van de mensen tegemoet te komen. Op de website van het Project for Public Spaces (PPS, www.pps.org/tk) zijn de foto’s van bestuurslid Ethan Kent te zien van een aanzet tot een beroving op de imposante, maar verlaten trap die naar het Guggenheim Museum van Bilbao leidt – en dat wijst nu niet bepaald op een uitnodigende en gastvrije publieke ruimte.

Esthetische kwaliteit staat als laatste punt op een door Jan Gehl opgestelde lijst van twaalf stappen die als richtlijn voor de evaluatie van publieke ontmoetingsplaatsen is bedoeld (zie kader), waarin je prozaïsche, maar belangrijke aspecten aantreft als schuilmogelijkheden bij slecht weer en zitplaatsen. How to Turn a Place Around, het invloedrijke handboek van PPS, wijdt hele hoofdstukken aan participatie van het publiek, managementstrategieën en het belang van kleine dingen als bloembakken, maar er is niets in te vinden over architecturale principes. ‘Er bestaan tegenwoordig nieuwe bouwmaterialen die voor nieuwe, aantrekkelijke publieke ontmoetingsplaatsen kunnen worden gebruikt’, zegt Kathleen Madden van PPS, ‘maar het proces van het creëren van een geweldige plek is niet veranderd: je moet er gewoon iets moois van maken en zorgen dat mensen er van alles kunnen doen. Architectuur is slechts van belang voor zover ze die doelstelling bevordert.’

Matt Blackett, een van de drijvende krachten achter Spacing uit Toronto (misschien het enige plaatselijk tijdschrift ter wereld dat aan ruimtelijke ordening is gewijd), vertegenwoordigt een nieuwe golf in de beweging voor herstel en behoud van de openbare ruimte. Hij is niet afkomstig uit de architectuur, zoals Gehl + Associates, of uit activistische kringen, zoals PPS. Hij kreeg op een wel bijzonder ongebruikelijke manier belangstelling voor de openbare ruimte: hij werd met traangas bestookt tijdens een bijeenkomst van de beweging voor een andere globalisering waar demonstranten door de politie werden verdreven. ‘Daar schrok ik van’, herinnert Blackett zich. ‘En ik vroeg me af: van wie is de openbare ruimte eigenlijk? Hoe konden ze ons wegjagen uit wat publiek eigendom heette te zijn?’

Hij raakte voor de tweede keer geschokt toen hij werd ontslagen als grafisch ontwerper bij Hockey News – een heel goede baan in een land dat gek is op ijshockey. De officiële reden: te laat komen. De werkelijke reden: zijn tram liep vaak vertraging op door files langs de trambaan.

Hij zag zijn vrije tijd als een nieuwe kans, vertrok naar Europa en raakte bij zijn terugkomst teleurgesteld in zijn stad. ‘Toronto maakte een heel andere indruk dan die historische en romantische Europese steden. Dus besloot ik meer te weten te komen over de geschiedenis van Toronto. Ik ging door de straatjes wandelen en naar gesprekken in de tram luisteren – en helpen om hier verbeteringen aan te brengen. Het gezegde Think global, act local begon werkelijk weerklank bij me te vinden.’

Blackett sloot zich al snel aan bij het Toronto Public Space Committee, dat werd opgericht als reactie op de plannen van de stadsbestuurders mensen te verbieden aanplakbiljetten op te hangen aan vrijwel alle lantaarnpalen en telefoonpalen in de hele stad. ‘Terwijl ze de expressiemogelijkheden van de mensen, aankondigingen van de verkoop van percelen en van muziekevenementen aan banden probeerden te leggen, wilden ze wel hun goedkeuring verlenen aan grote elektronische reclameschermen, die zelfs volgens de gemeenteambtenaren verkeersongelukken veroorzaakten.’

De pas opgerichte actiegroep won dat gevecht en houdt zich nu bezig met een veel breder scala aan problemen: beter openbaar vervoer, betere voorzieningen voor daklozen, voetgangers en fietsers, en een grens aan de commercialisering van de publieke ruimte. De groep legt de nadruk op positieve oplossingen en wil niet alleen zeuren over wat er allemaal niet deugt; ze heeft onlangs een bijdrage geleverd aan een thema dat Blackett na aan het hart ligt, namelijk voorrang voor de trams op de lijn in de buurt van zijn huis. Niet omdat hij plannen heeft zijn baan bij het hockeytijdschrift terug te vragen: hij heeft het veel te goed naar zijn zin bij Spacing, dat nu 3500 lezers fascinerend commentaar en prachtige foto’s over het leven in Toronto biedt. Het is een pittig en intelligent tijdschrift, waar een energieke opstandigheid vergezeld gaat van een oprechte toewijding aan stadsontwikkeling.

Blackett beschouwt mobiele telefoons, sms, laptops, webloggen en draadloos internetten als een stimulans om de publieke ruimte te gebruiken en ervan te genieten, vooral voor jonge mensen. Zij brengen inderdaad een evolutie op gang in ons gebruik van openbare ontmoetingsplaatsen. De technologische vernieuwingen van de twintigste eeuw – telefoon, radio, cassetterecorders, televisie, video en computers – hebben ertoe geleid dat we ons in onze huizen en auto’s hebben teruggetrokken. Door de nieuwe technologie kunnen we gemakkelijk met de wereld in contact treden via de telefoon of internet en ondertussen genieten van een park, een café of een wandeling op straat. De meeste mensen die aanvankelijk via internet met elkaar in contact komen, willen elkaar vrijwel altijd persoonlijk ontmoeten en stimuleren zo een persoonlijker getint openbaar leven.

Zowel het Public Space Committee als Spacing zijn symbolen van een groeiende belangstelling van met name jongeren voor ruimtelijke ordening. Blackett is zelf 31 jaar en merkt op dat jonge mensen minder verplichtingen hebben aan hun loopbaan en hun gezin, in kleinere huizen wonen en minder geld kunnen uitgeven, en dus meer tijd op straat en in parken doorbrengen dan ouderen. Ze lijken zich meer dan vroegere generaties bewust te zijn van de noodzaak hun favoriete openbare ontmoetingsplaatsen te verdedigen tegen aantasting door het verkeer en reclame. Sommigen noemen deze pas ontdekte erkenning van het belang van de publieke ruimte zelfs het begin van een sociale beweging.

Als de gedachte aan een nieuwe beweging, die het aanzien van leefgemeenschappen overal ter wereld wil veranderen, je vergezocht lijkt, kijk dan eens naar de Crossroads Mall in Bellevue in Washington. Bellevue is een alledaagse, door auto’s gedomineerde buitenwijk in het oosten van Seattle en lijkt wel heel ver verwijderd van elke opwelling stimulerende openbare ruimten in het leven te roepen. En dat geldt vooral voor Crossroads, een door onafzienbare parkeerterreinen omringd overdekt winkelcentrum uit de jaren zeventig, anderhalve kilometer ten zuiden van de zich uitbreidende bedrijfsterreinen van Microsoft.

Maar kijk nog eens goed. Overal op de parkeerplaatsen zijn speelse kunstobjecten te zien, en caféterrassen en marktkraampjes flankeren de ingangen – net als in een klassieke binnenstad. Een bijzonder goed voorziene kiosk staat in de hal van de hoofdingang, vlak naast een tweedehands boekwinkel. Als je door het winkelcentrum loopt, tref je een openbare bibliotheek, een politiepost en een filiaal van het gemeentehuis aan, waar je, zo krijg ik te horen, ‘bijna net zoveel kunt regelen als in het gemeentehuis zelf’. Er staan zelfs gemakkelijke stoelen bij de toiletten en er is een reusachtig schaakbord te vinden, waar kinderen pionnen en lopers kunnen rondschuiven die bijna even groot zijn als zij. We vinden er enkele vestigingen van winkelketens, maar ook winkels van plaatselijke eigenaars, zoals een wijnhandel en een pottenbakkerij. Bij de eetgelegenheden – waar je kunt kiezen tussen Indiaas, Russisch, Thais, Mexicaans, Koreaans, Grieks, Bar-B-Que, Vietnamees, Italiaans, een sapbar of een hamburgertent – nemen de plaatselijke restauranthouders een prominente plaats in. Ontbijt, lunch en diner worden op aardewerken borden met metalen (geen plastic!) bestek geserveerd.

Veel tafeltjes staan tegenover een podium, waar op deze donderdag aandacht wordt besteed aan de geschiedenis van zwarten in Amerika, met een goed programma van eersteklas muziek, toneel en dans. Het publiek is van velerlei etnische afkomst en weerspiegelt de veranderende bevolkingssamenstelling van de Amerikaanse voorsteden. Een delegatie kleuters uit een naburig kinderdagverblijf klapt het hardst.

Ron Sher, die Crossroads van een lelijk winkelcentrum tot een levendige ontmoetingsplaats heeft getransformeerd, komt met me lunchen en brengt me, onder het begroeten van klanten en gesprekjes met winkeleigenaars, op de hoogte van de volgende fase van zijn plannen: ‘Een combinatie van dure en betaalbare woningen op een deel van het parkeerterrein, zodat dit een echt marktplein op loopafstand van woonhuizen kan worden.’ Ik knijp mezelf om me ervan te overtuigen dat dit allemaal echt is, dat ik werkelijk zit te praten met een projectontwikkelaar die tegen me zegt: ‘Ik wil dat de mensen met het stadsbestuur gaan bespreken hoe we dit nog beter kunnen veranderen in een centrale openbare ruimte voor de hele wijk.’

Natuurlijk slenter ik momenteel liever door Kopenhagen of Lyon of over de beroemde Pike Place-markt in de binnenstad van Seattle. Dat geldt voor de meeste mensen in Bellevue ook. Maar ze wonen daar nu eenmaal, dus is het prachtig dat ze over een winkelcentrum beschikken waar ze hun boodschappen kunnen doen, hun buurtgenoten kunnen ontmoeten en zich kunnen amuseren. Als hier een bruisende openbare ontmoetingsplaats gestalte kan krijgen, dan kan dat overal.

Meer informatie: · Gehl+Associates: www.gehlarchitects.dk · New City Spaces (The Danish Architectural Press, 2003): www.arkfo.dk · Project for Public Spaces: www.pps.org · How to Turn A Place Around: A Handbook for Creating Successful Public Spaces (PPS, 2002): www.pps.org · Spacing Magazine: www.spacing.ca · Toronto Public Space Committee: www.publicspace.ca · Crossroads mall: www.crossroadsbellevue.com/index.htm



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.