Als je bent aangewezen op de straat
Het is gemakkelijk om de groeiende belangstelling voor openbare ruimten af te doen als iets dat alleen de rijken aangaat, die het zich kunnen permitteren. Maar één blik op de markten van Afrika en Azië, en de pleinen van Latijns-Amerika, leert dat juist de armen het meest afhankelijk zijn van openbare ruimten.
Jay Walljasper
| 77 juni 2005 issue
Enrique Peñalosa, de voormalige burgemeester van Bogotá, Colombia, merkt op dat rijke mensen beschikken over kasten van huizen met grote tuinen en zwembaden. Arme mensen hebben alleen maar hun eigen straat en – als ze boffen – een park, bibliotheek of speelplaats. Peñalosa maakte openbare ruimten tot een speerpunt van zijn ambtsperiode, en creëerde of renoveerde 1200 parken en speelplaatsen, legde 300 kilometer fietspad aan, bouwde dertien bibliotheken en opende de langste voetgangerszone ter wereld: zeventien kilometer, dwars door de stad. Sinds hij zijn ambt heeft afgelegd, reist Peñalosa de hele wereld over als ambassadeur die helpt om het leven van burgers te veraangenamen in grote steden van Jakarta,Indonesië, tot Dakar, Senegal. ‘Openbare ruimten zijn geen overbodige luxe’, verzekert hij. ‘Ze zijn even belangrijk als ziekenhuizen en scholen. Ze creëren een gevoel van saamhorigheid. Dat leidt tot een ander soort samenleving. Een samenleving waar mensen van alle inkomensniveaus elkaar ontmoeten in openbare ruimten is meer geïntegreerd, gezonder.’ (Zie Ode 70, oktober 2004, voor een uitvoerig interview met Peñalosa.)
Openbare ruimtes kunnen worden gestimuleerd als een symbool van democratie en betrokkenheid van burgers. Met name in landen waar autoritaire regimes niet alleen alle regeringsniveaus onder controle hadden, maar ook alle publieke ontmoetingsplaatsen nauwlettend in het oog hielden, is dat een waardevolle bijdrage. Project for Public Spaces (PPS) heeft in Oost-Europa verschillende projecten opgezet. In Tsjechië leidden de inspanningen van PPS om de burgers te helpen de openbare ruimte te heroveren tot de stichting van een zusterorganisatie, de Partnership for Public Spaces, die in het hele land projecten opzet, van het schoonmaken van beken en riviertjes in dorpjes tot het herinrichten van een groot plein in Praag.
In de door oorlog geteisterde Balkanlanden wekken de herlevende pleinen en markten hoop op verzoening tussen etnische groepen. Kroatië heeft plannen voor een nationaal programma voor openbare ruimten naar het Tsjechische voorbeeld, terwijl de Servische burgers van Novi Sad met steun van de PPS de eerste biologische boerenmarkt hebben opgezet. In Montenegro werden in november voor het eerst workshops over openbare ruimten gehouden.
In Kaapstad, Zuid-Afrika, ontwikkelt het Dignified Places Programme een strategie voor openbare ruimten die moet bijdragen aan het helen van de wonden van rassenconflicten en aan een nieuw gevoel van eenheid in de stad. Louise Grassov, projectmanager bij het Deense bureau Gehl+Associates, is betrokken bij een ingrijpend initiatief dat zwarten weer het gevoel wil geven dat de stad – waar ze lange tijd zonder een speciaal pasje niet eens mochten komen – ook van hen is. ‘Wat we willen’, aldus Grassov, ‘zijn minder dure huizen in het centrum van de stad, en mensen die zich te voet verplaatsen, in plaats van per auto, weer gevoel van eigenwaarde geven.’
De gigantische toename van auto’s en de lage sociale status van iedereen die geen auto rijdt, is een probleem in veel ontwikkelingslanden. Lisa Peterson van het in New York zetelende Institute for Transportation and Development Policy (ITDP), vertelt dat fietsen geweerd worden van de straten in China en riksja’s in India en Bangladesh. ‘Auto’s geven mensen status. Grote, snelle autowegen geven steden status. Dat is nog steeds het idee van vooruitgang dat op veel plaatsen in de wereld leeft.’
De ITDP en ook het Interface for Cycling Expertise in Utrecht zijn twee van de vele internationale organisaties die deze visie bevechten door de nadruk te leggen op de voordelen van een evenwichtiger verkeersbeleid. Peterson ziet tekenen in Azië, Afrika en Latijns-Amerika dat mensen beginnen in te zien dat het een vergissing is om dezelfde door auto’s gedomineerde ontwikkeling na te streven die in het westen zoveel milieuproblemen heeft opgeleverd en afbreuk heeft gedaan aan de vitaliteit van openbare ruimtes; met name in landen waar de grote meerderheid zich sowieso nooit een auto zal kunnen permitteren. De Wereldbank heeft onlangs afstand genomen van zijn op de ontwikkeling van autoverkeer gerichte richtlijnen, terwijl steden als Bogotá en Dar es Salaam in Tanzania een kans geven aan nieuwe stedelijke ontwikkelingsmodellen met een grote nadruk op openbaar vervoer en fietsen. Een aantal steden legt voetgangerszones aan. Peking, Sjanghai, Gaungzhou in China en Cartagena en Bogotá in Colombia zijn succesvolle voorbeelden; Delhi, Jaipur en Hyderabad in India verkeren nog in de planningsfase.
‘In de Verenigde Staten beginnen mensen nu de nadelen te zien van het bouwen van voor auto’s in plaats van voor mensen’, zegt Peñalosa, ‘en wij in de Derde Wereld moeten daar onze lering uit trekken.’
|

|