|
|
Lekker en dichtbij
Wat van ver komt, is niet altijd lekker. Het gemiddelde land- en tuinbouwproduct wordt duizenden kilometers vervoerd. Deze globalisering van de voedselvoorziening schaadt het milieu, de gezondheid, de gemeenschap en de smaak. Er ontstaat een nieuwe beweging die spek, brood en groenten weer lokaal verbouwt en verkoopt, en die land, voedsel en mensen weer met elkaar verbindt.
John Ellis, boer in de Amerikaanse staat Nebraska, lacht. Eigenlijk is hij opgetogen – en dat is raadselachtig – want zijn medeboeren zijn nog maar één schrale oogst van hun faillissement verwijderd. Ellis heeft zojuist zijn land en zijn machines verkocht om het geld te investeren in een onderneming die zo riskant is dat succes niet kan worden gegarandeerd. Grijzend, met brede schouders en diepe rimpels in zijn gezicht staat hij op de drempel van de nieuwe winkel die hij met enkele medeboeren heeft geopend in de opnieuw tot leven gebrachte buurt rondom de Haymarket in het centrum van Lincoln, de hoofdstad van Nebraska. Vriendelijk zegt hij tegen twee jonge vrouwen die de winkel binnenstappen: ‘Goedemorgen. Kan ik jullie ergens mee helpen?’
Als je goed kijkt naar de flessen in de koelinstallaties en de potten op de schappen van Centerville Market, dan zie je algauw dat dit geen gewone winkel is. Waar het meeste eten dat je op je bord krijgt een grotere afstand aflegt dan ooit tevoren, heeft deze winkel bijna uitsluitend producten in voorraad die in Nebraska zijn verbouwd en geproduceerd. Je vindt er potten maïsgelei en bosbessenjam. Biologische lijnzaadvlokken en allerlei graanproducten. Salades van gemarineerde sojabonen, tarwe en bessen. Inheemse planten en snijbloemen. Gedroogde kruiden. Rabarber en asperges. De koelinstallaties zijn gevuld met biefstuk tartaar, spek, kippenpootjes, lamsvlees en andere gangbare slagersartikelen – een assortiment dat zich kan meten met dat van de beste delicatessenwinkels in de grote steden. Dat alles is geproduceerd door familiebedrijven in Nebraska. En producten als koffie, olijfolie en sinaasappels, die niet in de buurt kunnen worden geproduceerd, koopt Centerville rechtstreeks van boeren overal ter wereld.
Deze nieuwe onderneming, waarvan het bestaan van zoveel mensen afhangt, is niet helemaal uit vrije wil tot stand gekomen. Net als veel andere boeren die nu in de winkel staan, heeft Ellis zijn traditionele landbouwbedrijf gesloten. Tientallen jaren heeft hij met zijn familie sojabonen en graan verbouwd in het nabijgelegen York County, maar hij verdiende elk jaar minder. De kosten gingen omhoog en de prijzen omlaag. De boerderij breidde zich uit en zo maakte Ellis steeds meer schulden. ‘We konden werkelijk geen kant meer op,’ zegt hij, als hij uitlegt dat hij de boerderij heeft moeten verkopen.
De boeren in Nebraska gingen failliet, terwijl de bewoners van die staat honderden miljoenen dollars uitgaven aan voedsel dat van buiten de staat kwam. Voedsel werd over steeds grotere afstanden vervoerd en nog maar een klein deel van de voedselproductie in Nebraska werd ook daar opgegeten. De ogenschijnlijke overvloed op de akkers van de graanschuur van de Verenigde Staten verbergt de economische problemen. Als je over snelweg 80 rijdt – de weg die het hart van Amerika doorkruist – zie je tientallen verlaten graansilo’s, zuivelfabrieken, schuren, conservenfabrieken en boerderijen.
Dat is de reden van bestaan van de Centerville Farmers Market. ‘De grote marges in de voedselproductie vind je niet bij het verbouwen van gewassen, maar in de marketing ervan,’ zegt Larry Swain, een landbouweconoom die Ellis adviseerde bij het opzetten van Centerville Market. ‘Daarover moeten we controle zien te krijgen.’ Swain is een dissident onder de economen, die de meeste Amerikaanse boeren nog steeds vertellen dat ze ‘moeten uitbreiden of verdwijnen’. Hij heeft boeren geholpen ‘microzuivelbedrijfjes’ op te richten om hun kaas, ijs en chocolademelk rechtstreeks aan hun streekgenoten te verkopen. Hij wijst op onderzoek dat heeft aangetoond dat 80 tot 90 procent van de Amerikanen zegt dat ze het liefst eten kopen dat door kleine, plaatselijke bedrijven wordt geproduceerd, verwerkt en op de markt gebracht.
Vandaag bevinden zich onder de klanten van de Centerville Market een jong echtpaar dat biologische melk voor de kinderen koopt, een student die naar op de plant gerijpte tomaten zoekt voor een pastasaus en een chef-kok die allerlei producten nodig heeft voor een nabijgelegen restaurant. Veel boeren blijven na het afleveren van hun producten nog een tijdje in de winkel, laten de klanten van hun waren proeven en maken een praatje met hen.
‘We waren op zoek naar een markt en John heeft ons echt uit de brand geholpen,’ zegt Kay Emrich van de Emrich Family Creamery uit de naburige staat Kansas, die aan Centerville melk en ijs verkoopt uit haar veehouderij met dertig koeien. Jim Knopik van North Star Neighbors, een coöperatief vleesverwerkend bedrijf van zeven families in Fullerton te Nebraska, vertelt dat hun huidige inkomen gemakkelijk twee of drie keer zo hoog kan worden door aan Centerville te leveren. Rich en Lila Brock van Bumblebee Farms in Platte Center verkopen tomaten en komkommers die in door bijen bestoven kassen worden gekweekt. Ellis verkoopt zijn waren bovendien aan restaurants, aan delicatessenwinkels en zelfs aan supermarkten. Ook de Hy-Vee supermarkt in een buitenwijk van Lincoln, die deel uitmaakt van een grote winkelketen, verkoopt nu in Nebraska verbouwde biologische granen en heeft belangstelling getoond voor de melk van de familie Emrich.
‘We willen de mensen in deze staat zelf van voedsel kunnen voorzien,’ verklaart Ellis en hij voegt toe dat alleen al de 225.000 inwoners van Lincoln jaarlijks een half miljard dollar aan eten uitgeven. ‘De boeren uit de streek kunnen van een percentage daarvan gemakkelijk in hun levensonderhoud voorzien,’ zegt hij. ‘Wij bieden hoop aan kleine plattelandsmarkten die verdwijnen omdat ze niet met de grote supermarktketens kunnen concurreren. Wij hebben hart voor de zaak en verkopen echt voedsel, geen namaak.’
Maar hart voor de zaak garandeert geen succes. Ellis heeft meer dan tijd, geld en inspanning in Centerville geïnvesteerd. Zijn vrouw en zijn dochter werken in de winkel en veel boeren hebben goederen geschonken in afwachting van een compensatie als de winkel vaste voet aan de grond heeft gekregen. Als een pionier heeft de winkel zijn eerste winter overleefd, maar hij lijkt nog steeds een beetje op een halfgevulde provisiekamer. Er is nog geen goede leverancier voor brood, diepvriesgroenten en andere belangrijke voedselproducten. Behalve tomaten en komkommers zijn er ’s winters weinig groenten en fruit te koop. Adverteren is te duur, de meeste mensen die in het centrum wonen en werken kennen de winkel nog niet, dus wordt er soms maar weinig verkocht. Een van de ironische, maar treurige resultaten van de Amerikaanse graanschuur is dat ze zich zo eenzijdig heeft ontwikkeld dat ze haar eigen bevolking nauwelijks nog kan voeden. En je hoeft je niet ver buiten Lincoln te begeven om te zien waarmee Centerville Market heeft te kampen.
Aan de westzijde van Lincoln staat een megasupermarkt van Wal-Mart met achtentwintig gangpaden met voedselrekken. Waarschijnlijk verkoopt die supermarkt in en paar uur meer dan Centerville in een heel jaar. Onder de tienduizenden artikelen vind je bijna niets dat in de streek zelf is verbouwd of geproduceerd. Neem een van de veelverkochte artikelen, een ‘televisiemaaltijd van Banquet’ voor 60 eurocent. ConAgra Foods, het bedrijf dat het merk Banquet produceert, heeft zijn hoofdkantoor in Omaha in Nebraska. De ingrediëntenlijst op de diepvriesmaaltijd telt 165 woorden en je weet niet waar al die producten vandaan komen. Je weet niet eens of het allemaal wel eten is. Maar je hoeft maar een paar honderd kilometer westwaarts te reizen om te zien tot hoever die anonieme voedselketen zich uitstrekt. In een reeks pakhuizen in North Platte, Nebraska, stuk voor stuk zo groot als een vliegtuighangar, liggen fruit, groenten, vlees, melk en andere voedselproducten voor het hele middenwesten in reusachtige koelkasten, rijpruimten en loodsen. Dit regionale distributiecentrum van Wal-Mart beslaat een oppervlak van 80.000 vierkante meter. Beschouw deze plek maar als een rustplaats voor voedsel uit de hele wereld, dat daar na een lange reis eindelijk is aangekomen. ‘In principe worden alle producten die in het midden van de Verenigde Staten worden gedistribueerd hier op kwaliteit, smaak en aanblik gecontroleerd en geïnventariseerd,’ zegt Larry Swain, de econoom die de geschiedenis van de voedseldistributie in de Verenigde Staten heeft bestudeerd. ‘Dus als een tuinbouwer in de buurt van Lincoln groente wil verkopen aan Wal-Mart in Lincoln, moeten zijn producten eerst vierhonderd kilometer verder in North Platte worden geïnspecteerd en vervolgens weer naar Lincoln worden vervoerd tegen hoge transportkosten, terwijl het daardoor ook nog eens minder vers wordt.’
Ondanks de klaarblijkelijke absurditeit hiervan wordt dit kolossale distributiecentrum door managers en groothandelaars beschouwd als een ultramoderne en vernieuwende vorm van efficiëntie. Maar je hoeft alleen maar te denken aan de subsidies op wegen en benzine, de gevolgen van de klimaatsverandering en het broeikaseffect, de ecologische problemen die worden veroorzaakt door de industriële landbouwbedrijven die aan het distributiecentrum leveren en een serie andere verborgen kosten, en de ‘efficiëntie’ van over grote afstanden getransporteerd voedsel verdwijnt als sneeuw voor de zon. Omdat deze kosten meestal niet in rekening worden gebracht – noch bij de consument, noch bij de boeren, noch bij de supermarkt – is het voedsel betrekkelijk goedkoop.
In onze voedselvoorziening is niet altijd sprake geweest van zo’n feest van mobiliteit. Nog in de jaren vijftig werd vrijwel alle fruit en groente die in Lincoln en de meeste andere Amerikaanse steden werd geconsumeerd op nabijgelegen kwekerijen verbouwd. Vervoer op de lange afstand was duur en onpraktisch. Maar in de loop van de volgende decennia is dat door een aaneenschakeling van gebeurtenissen veranderd. Er verschenen koelwagens en de benzineprijzen daalden. Van de oostkust naar de westkust werd een door de federale overheid gesubsidieerd netwerk van snelwegen aangelegd. Door vooruitgang in de voedselverwerkende industrie werd langdurige opslag mogelijk. De Amerikaanse graanschuur werd algauw afhankelijk van voedselproducten uit de hele wereld. Uit statistieken van een groothandelsmarkt in Chicago blijkt dat land- en tuinbouwproducten gemiddeld 2400 kilometer afleggen tussen boerderij en bord, dat is bijna 25 procent meer dan in 1980.
Naarmate het belang en de rentabiliteit van bouwland in Nebraska afnam, gingen duizenden boeren in Nebraska en de omringende staten failliet en belandden provinciesteden in een neerwaartse spiraal. De overblijvende boerderijen specialiseerden zich in één of twee gewassen ten behoeve van verafgelegen markten in plaats van een breed assortiment voedselproducten voor streekbewoners te leveren. Ook de diversiteit van het economische landschap ging achteruit, omdat veel voedingsmiddelenbedrijven – van plaatselijke bakkers en winkels tot conservenfabrieken en hotels en restaurants – werden vervangen door een handjevol grote, nationale concerns.
Voedsel uit verre streken is in een groot deel van de Verenigde Staten en de rest van de wereld inmiddels de norm geworden. De appels in de supermarkten komen uit China en Nieuw-Zeeland, ook al liggen overal in de streek boomgaarden; de aardappels in de supermarkten van Peru komen uit de Verenigde Staten, al kan Peru zich beroemen op meer aardappelvariëteiten dan welk ander land ter wereld ook. De hoeveelheid voedsel die tussen landen wordt vervoerd is sinds 1961 viermaal zo groot geworden.
Maar net als bij zoveel andere economische ontwikkelingen die ernstige maatschappelijke en ecologische gevolgen hebben gehad, heeft ook de gewoonte voedsel over grote afstanden te vervoeren reacties opgeroepen en de vorm aangenomen van een wereldwijde beweging die pleit voor de terugkeer naar plaatselijk geproduceerd voedsel. En in Lincoln, dat ver is verwijderd van het modieuze domein van fijnproevers in de kuststreken, vormt de Centerville Market maar een klein deel van dat verhaal. Shadowbrook Farm, een biologische boerderij met 36 hectare, ligt binnen de stadsgrenzen van Lincoln en produceert voedsel voor zeventig gezinnen. Dergelijke door de gemeenschap gesteunde agrarische projecten mogen zich niet alleen in Noord-Amerika in een toenemende populariteit verheugen vanwege hun verse producten en de manier waarop boeren met hun stadse buren worden verbonden. In de zomermaanden stromen duizenden inwoners van Lincoln naar de boerenmarkt op de Haymarket, die elke week vlakbij het spoorwegstation wordt gehouden en waar ongeveer vijftig tuinders uit de nabije omtrek hun waren aanbieden. Het is een bijzonder levendige markt – overal staan mensen te praten en te lachen en er wordt muziek gemaakt – en ze is het sociale en esthetische tegendeel van het systeem dat door het distributiecentrum van Wal-Mart in North Platte wordt gesymboliseerd. Sociologen schatten dat mensen op boerenmarkten tienmaal zoveel gesprekken voeren dan in supermarkten. Afgezien van de smakelijke kost en de vriendelijke gezichten is, aldus Knopnik van Northstar Neighbors, de belangrijkste reden om daar inkopen te doen dat ‘je op een boerenmarkt precies weet waar het eten vandaan komt’.
Dat besef begint meer te betekenen voor consumenten naarmate in het nieuws de risico’s van de gekke-koeienziekte, genetisch gemodificeerde gewassen en bacteriële besmetting vaker aan de orde komen. ‘Voor het eerst in dertig jaar schieten in kleine steden boerenmarkten als paddestoelen uit de grond,’ zegt Paul Rohrbaug, een boer die zijn producten op de Haymarket verkoopt en die directeur is van de Nebraska Sustainable Agriculture Society, een alliantie van boeren, tuinders, voorlichters en stadsbewoners.
De bewoners van de arme buurten van Lincoln – waar hamburgerketens goede zaken doen, maar waar winkels voor verse groenten en fruit schaars zijn – kunnen hun verse voedingsmiddelen het beste bij boeren uit de omgeving kopen. Lincoln Action Program, een buurtgroep die wijkbewoners met een laag inkomen helpt, heeft geld verzameld voor Centerville in ruil voor fruit, groenten en andere verse producten, die ze viermaal per week aan 2000 gezinnen uitdelen en waarvan ze gebruikmaken voor hun gaarkeuken.
Ook zijn er met behulp van Lincoln Action en de Nebraska Sustainable Agriculture Society in de afgelopen jaren diverse gemeenschappelijke moestuinen rondom de stad aangelegd. Deze moestuinen zijn vooral in trek bij de Arabische, Soedanese, Vietnamese, Bosnische en Russische immigranten in Lincoln, die in de winkels in de stad vaak niet de groenten en kruiden voor hun nationale keuken kunnen vinden.
Voedsel uit de eigen streek slaat bij de mensen aan. Naarmate meer boeren een diversiteit aan gewassen voor de plaatselijke markt produceren, zal het voor schoolkantines, restaurants, regeringskantoren en huishoudens gemakkelijker en goedkoper worden in de naaste omgeving verbouwd voedsel in hun keukens te gebruiken. Een boerenmarkt of een gemeenschappelijke moestuin inspireert mensen vaak tot het oprichten van bakkerijen, slagerijen, groentewinkels en restaurants, die met het toenemende aanbod van in de omgeving verbouwd voedsel in aantal groeien.
Dit is het beeld van het herstel van lokale voedseldistributie – land, mensen en bedrijven die een gemeenschap of een streek van voedsel voorzien. Voedseltransport over de lange afstand is echter zo bepalend geworden voor het moderne leven dat de meeste mensen het aanvaarden als de enige manier om zich goed te kunnen voeden. Voor degenen die het zich kunnen veroorloven, is het wonder van exotische vruchten en groenten – aan de andere kant van de wereld gekweekt – een van de duidelijkste voordelen van dit systeem. Goedkoop en snel transport geeft ons toegang tot voedsel uit andere culturen, de fusiecuisine en het uitproberen van nieuwe producten, vooral als we in grote steden wonen.
Er is echter sprake van een onvermijdelijke spanning tussen genieten van een diversiteit aan voedselproducten en de toenemende uniformiteit van het voedselpakket in de hele wereld. Het systeem van voedseldistributie op grote afstand biedt ongeëvenaarde en nog nooit voorgekomen keuzemogelijkheden aan betalende consumenten – elk voedselproduct is overal en altijd te krijgen. Tegelijkertijd is deze verbazingwekkende keuzevrijheid beladen met tegenstrijdigheden. De ecoloog en schrijver Gary Nabhan vraagt zich af ‘welke culinaire melodieën ten onder gaan in het rumoer van die internationale handelsmachine’, die vaak met olifantspoten over lokale cuisines, voedselvariëteiten en landbouwtradities heen dendert. De keuzemogelijkheden die door de mondiale handelsmachine worden geboden zijn vaak illusoir en worden bepaald door steeds weer andere smaakmakers, verpakkingen en marketingslogans voor in principe dezelfde basale ingrediënten. En we weten allemaal dat de smaak van ook buiten het seizoen verkrijgbare producten te wensen overlaat.
Transport over de lange afstand vereist meer verpakking, koeling en brandstof en leidt tot enorme vervuiling en onmetelijke hoeveelheden afval. Boeren drijven niet rechtstreeks handel met de bewoners van hun streek, maar verkopen hun producten aan ver verwijderde en complexe distributieketens waarvan ze maar een heel klein onderdeeltje vormen – en op basis daarvan worden ze ook betaald. Boeren in ontwikkelingslanden die exportgewassen verbouwen, lijden zelf vaak honger, want ze offeren de opbrengst van hun land op aan vreemde monden. De veronderstelde efficiëntie van de voedselproductie op grote afstand leidt ertoe dat veel mensen aan beide uiteinden van de keten slecht worden gevoed.
Het eten van voedsel buiten de daarvoor bestemde seizoenen kan ook slecht voor je gezondheid zijn. Producten die over lange afstanden worden vervoerd en langdurig worden opgeslagen zijn afhankelijk van conserveringsmiddelen en andere toegevoegde stoffen en kunnen op hun reis van boerderij naar bord op alle mogelijke manieren besmet raken. In september 2003 aten zeshonderd mensen aan de Amerikaanse Oostkust bij Chi-Chi, een Mexicaanse restaurantketen, en werden ziek. Drie mensen overleden. De voedselvergiftiging, die in de voorafgaande maanden al enkele keren eerder was geconstateerd, had te maken met lente-uitjes van enkele grote boerderijen in Mexico.
‘Stop niet al je eieren in één mand,’ luidde het advies aan de boeren ooit, maar dat is nu de gangbare mening geworden van de investeerders en kapitalisten van Wall Street, die mensen aansporen hun investeringen te spreiden. Zelfs economen en politici die een lans breken voor de vrije handel – en misschien nog nooit een ei onder een kip vandaan hebben gehaald – zijn het er waarschijnlijk over eens dat het gewoon dom is in een afnemend aantal landbouwgebieden voor de hele wereld voedsel te verbouwen, waarbij het aantal gewassen voortdurend vermindert en een steeds kleiner aantal bedrijven daarvan de touwtjes in handen heeft. Misschien noemen ze het zelfs een recept voor catastrofes.
De veranderingen in ons voedsel duiden op velerlei wijze aan wat de veranderende wereldeconomie betekent voor het milieu, onze gezondheid en ons leven. De kwaliteit, de smaak en de voedingswaarde van ons voedsel wordt sterk beïnvloed door waar en hoe het wordt verbouwd en hoe het op onze tafel terechtkomt. Voedsel is zo belangrijk voor ons dat bedreiging van plaatselijke tradities soms tot heftige en zelfs gewelddadige reacties leidt. José Bové, de Franse veehouder die met zijn tractor op een vestiging van McDonald’s inreed om wat hij ‘culinair imperialisme’ noemde te bestrijden, is het bekendste symbool van een groeiende mondiale beweging die plaatselijke voedselsystemen en tradities wil beschermen en bevorderen. Deze beweging wil landbouwgebieden herstellen, arme landen meer middelen van bestaan geven, gezond voedsel naar de steden transporteren en buitenwijken weer met het platteland verbinden door weiden, braakliggend land en vroegere industrieterreinen te heroveren en te gebruiken als moestuinen, boomgaarden en akkers. John Ellis en zijn medeboeren noemen elkaar ‘de troepen’ en zien Centerville Market als hun ‘missie’. De militaire analogie is misschien een beetje verontrustend, maar ook in zekere zin passend. Ellis heeft het werkelijk over een revolutie – over een oligarchie de macht afnemen en die teruggeven aan het volk. Hier zijn de oligarchieën echter geen corrupte regimes, maar grote ondernemingen. Bij de moderne voedselproductie staan ondernemingen als Kraft, Cargill, en Monsanto de voedseldemocratie in de weg.
Op het eerste gezicht klinkt ‘voedseldemocratie’ misschien een beetje pretentieus – het is wel een merkwaardige combinatie van woorden. Maar als je twijfelt aan de machtsstrijd in de voedselvoorziening, denk dan eens aan een constatering van Frances en Anna Lappé in hun boek Hope’s Edge. Een gewone supermarkt heeft wel 30.000 artikelen in voorraad. Ongeveer de helft daarvan wordt geproduceerd door tien multinationale ondernemingen. Ongeveer 140 mensen – 117 mannen en 21 vrouwen – zitten in de raden van bestuur van die tien ondernemingen. Met andere woorden, al geeft de overvloed aan producten in een supermarkt de indruk van een enorme keuzevrijheid, toch is een groot deel daarvan te herleiden tot merknamen en wijst niet op echte diversiteit in de landbouwproductie. Deze producten zijn niet afkomstig van duizenden verschillende boeren die allerlei plaatselijke variëteiten produceren, maar zijn door slechts enkele topmanagers geselecteerd en mondiaal gestandaardiseerd met de bedoeling zoveel mogelijk winst te maken.
Maar de eerste onafhankelijkheidsverklaringen van deze imperialistische voedselindustrie worden geformuleerd. Sommige ervan lijken louter een vorm van donquichotterie, zoals die van José Bové. Maar in Oaxaca in Mexico is een groep even verontruste burgers erin geslaagd de bouw van een nieuw McDonald’s in hun historische stadscentrum te voorkomen. In Canada demonstreerde een groot aantal mensen tegen de gigant Monsanto, gespecialiseerd in insecticiden en genetische manipulatie, nadat het bedrijf een boer uit Saskatchewan voor de rechter had gedaagd omdat hij gepatenteerde en genetisch gemodificeerde gewassen op zijn land had laten groeien zonder ervoor te betalen. De boer had de zaden van Monsanto niet zelf geplant, maar ze waren naar zijn land overgewaaid; desondanks werd hij schuldig bevonden. In Europa verzetten steeds grotere aantallen mensen zich tegen de import van genetisch gemanipuleerd voedsel uit de Verenigde Staten.
Al deze acties vormen een een verdediging van de lokale voedselvoorziening en van culinaire tradities. Maar de beweging die deze vorm van landbouw en distributie wil bevorderen, doet méér dan protesteren. De Slow Food beweging, die de diverse eetculturen overal ter wereld in ere wil houden, groeit explosief en heeft nu meer dan 80.000 leden in 104 landen. Het is de grootste georganiseerde beweging tegen culinair imperialisme, maar ontleent haar energie niet zozeer aan waar ze tegen is dan aan waar ze voor is, namelijk het behoud van de sociale waarde van goed voedsel, dat mensen, hun leefgemeenschappen en hun land met elkaar verbindt. Slow Food vat haar visie samen in de leus: ‘Recht op smaak.’ De Centerville Market wil evenmin als Slow Food dat marketingmanagers dicteren wat we aan ongezond en onsmakelijk voedsel op ons bord krijgen.
En juist daarom is de Centerville Market zo revolutionair ten opzichte van de gevestigde landbouw, al is de winkel nog zo klein. Het initiatief is gebaseerd op de geografische karakteristieke eigenschappen die in mondiale handelsovereenkomsten zo vaak worden genegeerd. Die handelsovereenkomsten zijn afhankelijk van het vervagen van grenzen en geografische herkomst. Aan het begin van 2004 stelde de Europese Unie voor goederen in heel Europa het stempel ‘Made in EU’ te laten dragen, maar dat stuitte op heftig protest van Duitse autoproducenten en Italiaanse olijfolieproducenten. Multinationale ondernemingen die de goedkoopste ingrediënten gebruiken die ze op aarde maar kunnen vinden, zijn afhankelijk van het uitwissen van deze scheidslijnen. Centerville hangt daarentegen af van het herstel ervan.
Eten uit de eigen streek geeft mensen de gelegenheid opnieuw plezier te beleven aan de ontmoetingen met winkeliers en kooplui en geeft hun het veilige gevoel dat ze weten wat ze eten. Misschien is dit wel de beste verdediging tegen de gevaren die, al dan niet opzettelijk, hun intrede doen bij de voedseldistributie – waaronder de E.coli-bacterie, restanten van pesticiden, biologisch terrorisme en ongeteste genetisch gemanipuleerde ingrediënten. In een tijdperk van klimaatveranderingen en watertekort kunnen boeren in de omgeving wellicht de beste bescherming bieden tegen andere onverwachte tegenslagen. Bovendien smaakt plaatselijk verbouwd voedsel, vers opgediend in het juiste seizoen, beslist beter – en dat is een van de redenen dat deze beweging de aandacht heeft getrokken van chef-koks, restaurantrecensenten en kritische winkelende mensen in de hele wereld.
Het plaatselijke alternatief biedt bovendien ontzaglijke economische mogelijkheden. Geld dat op boerenmarkten en kleine winkels aan lokale producten wordt besteed, blijft in de leefgemeenschap aanwezig, creëert banen en verhoogt inkomens. Ontwikkelingslanden die in hun eigen behoeften willen voorzien, kunnen de grillen van de internationale markt omzeilen. Voedselafhankelijkheid van buitenlandse producenten gaat in deze onzekere tijden gepaard met grote risico’s.
Ondanks de vele voordelen van een kortere voedselketen zal verandering niet gemakkelijk totstandkomen. De controle over het voedselsysteem is grotendeels uitbesteed aan een steeds kleiner aantal bedrijven, in de meeste landbouwgebieden hebben de boeren afgezien van diversiteit en de meeste winkeliers weten niet meer wat ze moeten doen met voedsel dat niet kant en klaar op tafel kan worden gezet.
Maar overal in de wereld zijn voorbeelden van verandering waarneembaar. Boeren op Hawaii vernietigen hun ananasplantages en beginnen groenten te verbouwen in de hoop de geïmporteerde ingrediënten voor salades in vakantieoorden en hotels te kunnen vervangen. In Zimbabwe hadden de vrouwen van pindatelers geen zin meer dure pindakaas te kopen en hebben geïnvesteerd in pindamolens om hun eigen pindakaas te produceren en te verkopen. Schoolbesturen in heel Italië hebben een indrukwekkende actie gevoerd om ervoor te zorgen dat in schoolkantines gezond, mediterraan voedsel wordt opgediend en hebben daartoe contracten afgesloten met plaatselijke boeren. Op het exclusieve niveau van de Wereldhandelsorganisatie begint men landen de ruimte tot zelfvoorziening te geven in het besef dat dit de beste keuze is voor arme landen die zich niet kunnen veroorloven het nodige voedsel te importeren.
Zelfs enkele van de grootste voedselproducenten ter wereld beginnen deze waarden te onderschrijven en dat roept enkele onthutsende vragen en ontzagwekkende mogelijkheden op voor pleitbezorgers van voedsel uit de eigen streek. Onlangs hebben medewerkers van Sysco, de grootste voedselproducent ter wereld, verklaard afhankelijk te zijn van kleine, plaatselijke boeren voor producten die voor hen elders niet te krijgen zijn. Deze veranderingen zullen op talrijke verschillende manieren worden doorgevoerd, dankzij inventieve en moedige boeren, winkeliers en ondernemers. De explosieve ontwikkeling van boerenmarkten en Slow Food wijst op het groeiende aantal consumenten, boeren en voedselbedrijven die hun rol in de voedselketen al hebben veranderd en zich losmaken van voedseltransport op de lange afstand om binnen hun eigen voedselcircuits te kunnen opereren. Het is een feit dat leefgemeenschappen in de hele wereld allemaal in staat zijn de controle te herwinnen die de simpele gedachte van het eten van voedsel uit de eigen streek zo veelbelovend maakt. De mondiale handelsmachine mag dan ontzag inboezemen door haar omvang, keuzemogelijkheden en koopjes, maar leidt ook tot ontevredenheid en stelt veel mensen teleur. En al deze mensen hebben een alternatief. Een steeds groter aantal van hen kiest ervoor voedsel uit de eigen streek te eten.
Brian Halweil is onderzoeker op het Worldwatch Institute, een advies- en onderzoekscentrum in Washington dat mondiale problemen op het gebied van milieu, maatschappij en energievoorziening bestudeert. Meer inforomatie: http://www.worldwatch.org
Met toestemming bewerkt en overgenomen uit Eat Here: Reclaiming Homegrown Pleasures in a Global Supermarket, W.W. Norton, 2004.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.