Email   Print

Immiteer & innoveer

Na honderden miljoenen jaren van research and development zijn alle oplossingen voor economische uitdagingen al bekend en getest. Van zonne-energie tot air conditioning en van navigatie tot kleurenpatronen – in de natuur is alles al beschikbaar. Een omslagthema over waarom bijen, vlinders en spinnen de goeroes van de industrie van morgen zijn.

Janine Benyus | 71 november 2004 issue

De afgelopen eeuw heeft de mens zich gestort in een doodlopende strijd met de natuur. Hulpbronnen werden uitgeput, terwijl leefomgevingen vervuild raakten. Het verzet van de milieubeweging klinkt steeds sterker. Maar de milieubeweging is vooral tegen. Tegen de industrie. Tegen de economie. Een inspirerende nieuwe stroming zoekt het antwoord op het conflict tussen mens en natuur niet in een ‘tegen’- strijd, maar in een verbond. De mens kan alles van de natuur leren. Na honderden miljoenen jaren van R&D zijn alle oplossingen voor economische uitdagingen al bekend en getest. Van zonne-energie tot air conditioning en van navigatie tot kleurenpatronen – in de natuur is alles al beschikbaar. Directies die op zoek zijn naar een duurzamere productie kunnen het beste een boswandeling gaan maken. - De redactie Biomimicry is innovatie geïnspireerd door de natuur, waarbij naar de natuur wordt gekeken om ervan te leren. In de uitdrukking ‘naar de natuur kijken’ ligt het idee besloten dat wij geen deel uitmaken van de natuur – dat we er van buitenaf naar kijken. Maar dat is niet zoals ik het zie. Ik zie ons als biologische organismen en dat betekent dat wij natuur zijn. Er is geen scheiding. Met ‘natuur’ bedoel ik de ‘meer-dan-menselijke’ natuur – al de biologische verschijningsvormen die hier al veel langer zijn dan wij. Vergeleken met hen komen wij pas net kijken en moeten we nog veel leren over hoe we op een fatsoenlijke manier op deze planeet kunnen leven. Als de leeftijd van de aarde een tijdbalk was die begon op 1 januari en waarop het nu even voor middernacht was op 31 december, zou dat betekenen dat homo sapiens hier een kwartier geleden is gearriveerd en dat de hele gedocumenteerde geschiedenis in de laatste minuut voorbij is geflitst. Bacteriën hebben zich opgewerkt uit de chaos in maart van dat theoretische jaar en in de 3,8 miljard jaar daarna heeft het leven een aantal onvoorstelbare dingen geleerd – vliegen, de wereld rond trekken, op de toppen van de bergen en de bodem van de oceanen leven, zonne-energie opvangen, de nacht verlichten en wonderbaarlijke materialen produceren zoals huid, hoorns, haar en hersenen. Organismen hebben alles gedaan wat wij mensen doen of willen doen, maar zonder fossiele brandstoffen te verstoken, de planeet te vervuilen of de toekomst in gevaar te brengen. Dus ja, we maken deel uit van de natuur, maar we zijn een heel jonge soort die nog op zoek is naar manieren om het goed te doen. We moeten meer studeren, naar de wereld om ons heen kijken en ons afvragen: hoe goed is dat product, die technologie, dat proces, die gewoonte of dat beleid aangepast aan het leven op aarde op de lange termijn? Dat is de vraag waar het om draait. Van alle soorten die op aarde hebben geleefd, is negenennegentig procent nu uitgestorven doordat hun producten of hun processen niet goed waren aangepast.

De verbluffende aanpassingen die het leven heeft gecreëerd vormen tezamen een model voor overleven. Denk maar aan de boskikker, die in de winter stijf bevroren is en in het voorjaar weer ongeschonden wegspringt. Of de dikwijls vervloekte tuinslak, die zijn eigen snelweg aanlegt van slijm, een smeermiddel dat bijna onmiddellijk 1500 keer zijn eigen gewicht aan water opneemt, waardoor de slak over doornige takken kan klimmen zonder zich te bezeren. Bananenslakken kunnen dat ook. Als het gaat om effectieve smeermiddelen, hebben wij mensen niets wat daarbij in de buurt komt. De hoorns van neushoorns verbazen ons door weer aan te groeien als ze zijn afgebroken, terwijl de hoorn geen levende cellen bevat. We weten niet hoe dat mogelijk is, maar wat is dat een geweldig model voor duurzame materialen die nooit hoeven te worden weggegooid. Een ander voorbeeld is de kolibrie, een organisme dat ongeveer zo groot is als een duim. Dit vogeltje vliegt met een topsnelheid van 55 kilometer per uur – sneller dan wij ons per taxi door de meeste steden kunnen verplaatsen – en legt meer dan 3000 kilometer per jaar af. De kolibries die langs de oostkust van de Verenigde Staten naar het zuiden vliegen, pauzeren even aan de kust van de Golf van Mexico, waar ze ‘bijtanken’ op duizend bloemen per dag. Uiteindelijk vliegen ze zonder te stoppen over zo’n duizend kilometer open water, op een verpletterende 2,1 gram brandstof. En dat is geen kerosine: het is nectar. Bovendien: tijdens het bijtanken bevrucht de kolibrie ook nog even zijn energiebron en zorgt er zo voor dat er het volgende jaar weer nectar zal zijn – voor hemzelf, voor zijn nakomelingen of voor volkomen andere soorten die van nectar leven. En als de kolibrie sterft, vergaat zijn lichaam natuurlijk en voedt het de wortels van bloemen, maar ook van paddestoelen, grassen, bomen en struiken. Terwijl ze in hun eigen behoeften voorzien, weten alle organismen de bodem vruchtbaar te maken, de lucht en het water te zuiveren en de juiste cocktail van atmosferische gassen te produceren die het leven nodig heeft om te blijven voortduren. Wat het leven op aarde in zijn totaliteit heeft geleerd, is gunstige leefomstandigheden creëren. En dat is wat wij ook moeten leren. Gelukkig hoeven we het niet zelf uit te vinden. We hoeven alleen maar naar buiten te gaan en het te vragen aan de genieën om ons heen. De belangrijkste vraag voor iedereen die zich bezighoudt met biomimicry is: ‘Wat zou de natuur in dit geval doen?’ Maar dat is een moeilijke vraag – zelfs voor ecologische ontwerpers. We zijn eerder geneigd te proberen onze conventionele oplossingen te verbeteren. Als we een oppervlak willen reinigen, blijven we bijvoorbeeld steken bij vragen als ‘Wat is het minst giftige schoonmaakmiddel dat we kunnen gebruiken?’ of ‘Hoe kan ik de hoeveelheid energie die ik gebruik bij het zandstralen verminderen?’ Een nuttigere vraag zou misschien zijn: ‘Hoe blijft de natuur schoon?’ Andere organismen gebruiken helemaal geen schoonmaakmiddelen of zandstralers en toch kunnen vele ervan alleen overleven als ze schoon blijven. Een blad moet bijvoorbeeld vrij blijven van stof om te kunnen ademen en zonlicht op te kunnen vangen. Botanisten in Duitsland onderzochten de lotus, in Azië een symbool van zuiverheid omdat hij groeit in modderige moerassen en toch droog en schoon blijft. Zij zagen onder een microscoop dat het oppervlak van het blad niet glad en dus gemakkelijk schoon te maken is, maar juist heel bobbelig. Vuildeeltjes blijven wankelen op de punten in plaats van stevig vast te plakken en regendruppels vormen balletjes in plaats van zich te verspreiden. Als de druppels eraf rollen, nemen ze de losse vuildeeltjes mee. En dat geldt niet alleen voor de lotus; veel bladeren blijken zo te werken. De vraag wordt dan niet welk schoonmaakmiddel we moeten gebruiken, maar hoe we ervoor kunnen zorgen dat dingen überhaupt niet vies worden. Het Duitse bedrijf Ispo maakt de gevelverf Lotusan, die is gebaseerd op het lotuseffect. Als de verf droog is, heeft hij de structuur van een lotusblad, waardoor regenwater het gebouw schoonhoudt. En hoe komt de natuur aan energie? Op hele andere manier dan wij. Natuurlijk elk organisme is afhankelijk van fotosynthese, van zonlicht dat wordt opgevangen door planten. Maar in het geval van de mens gaat het om oeroud zonlicht dat 65 miljoen jaar geleden werd gevangen door planten die we nu opgraven en verbranden in de vorm van aardolie, steenkool of aardgas. We verbranden jaarlijks 100.000 jaar aan prehistorische plantengroei. We halen de brandstof voor onze beschaving uit oeroud zonlicht. Wat we moeten leren, is gebruik maken van het zonlicht dat nu de hele dag op ons schijnt. Dus wenden we ons tot de meesters van het opvangen van zonlicht, groene planten, en vragen hen: ‘Hoe komen jullie aan energie?’ Een blad bevat tienduizenden piepkleine fotosynthesereactoren. Het zijn zonnecellen op molecuulniveau die werken met een kwantumefficiëntie van 93 procent. Dit betekent dat van elke honderd lichtdeeltjes die op het blad vallen, er 93 worden omgezet in suiker. Dat is opmerkelijk effectief. Het beste is dat deze zonnecellen in stilte worden gemaakt, in water, en zonder giftige stoffen. Botanisten en ingenieurs kijken daarom nu naar planten om kleinere, betere zonnecellen te kunnen bouwen. Een van de vele voordelen van biomimicry is dat we de natuur als model en mentor zien. Hierdoor verandert de hele manier waarop we de natuur beschouwen en waarderen – zij ontwikkelt zich van magazijn tot leraar. We waarderen niet langer alleen wat we aan de natuur onttrekken, maar wat we ervan kunnen leren. En dat verandert alles. Biomimicry vereist samenwerking, niet alleen met andere organismen, maar ook met specialisten in andere disciplines. We moeten studiegebieden samenbrengen die voorheen waren gescheiden. Op dit moment leren we biologen bestuderen hoe het leven leeft. Vervolgens leren we verschillende groepen mensen bedenken hoe we ons moeten voeden, onze maatschappij van energie moeten voorzien, onze materialen moeten produceren en onze bedrijven moeten leiden. Ik noem deze mensen maar even ontwerpers, bij gebrek aan een beter woord: mensen die menselijke systemen ontwerpen. Op macro-economisch niveau, beginnen sommige vooruitstrevende planners, industriëlen en ondernemers die zich zorgen maken over de enorme hoeveelheid afval die onze economie produceert, te kijken naar ecosystemen waarin onderling verbonden soorten alle mogelijke niches invullen en elke kruimel opeten voor die van de tafel kan vallen. Ze proberen zich voor te stellen hoe we onze economie kunnen omvormen van een lineair model, dat aan de ene kant heel veel middelen verbruikt en aan de andere kant een heleboel afval produceert, tot een circulair systeem met een sterke onderlinge samenhang, waar alleen zonne-energie ingaat en geen of heel weinig afval uitkomt. Deze opkomende discipline heeft een naam, die hopelijk op een dag niet meer paradoxaal zal klinken: industriële ecologie. Het is geweldig dat dit soort werk daadwerkelijk wordt verricht, dat er wetenschappers zijn die het grensgebied tussen ecologie en technologie durven te betreden. Ik heb ze opgezocht in hun laboratoria. Ze proberen hout te verwerken zoals een schimmel, aan wanden te plakken zoals een gekko, kleuren te produceren zoals een pauw, keramiek te maken zoals een zeeoor, gebouwen te koelen zoals een termiet en water aan de lucht te onttrekken zoals een woestijnkever. Het is erg opwindend om de resultaten van deze kruisbestuivingen te zien. Als ik hierover nadenk, vraag ik me vaak af welk aanpassingsvermogen de mens heeft. Iets dat ons lijkt te onderscheiden van andere wezens, voor zover we dat kunnen beoordelen, is ons vermogen om collectief te handelen – als een hele soort – naar wat we hebben geleerd. We kunnen als een cultuur besluiten te luisteren naar het leven, door te geven wat we horen, de aarde niet verder uit te putten. Met die wil en onze ontwikkelde hersenen kunnen we de bewuste keuze maken om het voorbeeld van de natuur te volgen bij het leven van ons leven. Het goede nieuws is dat we een heleboel hulp hebben. We zijn omringd door meesters. Ze zijn overal om ons heen, ademen dezelfde lucht, drinken hetzelfde water. Om van hen te kunnen leren, moeten we ons nederig opstellen en goed luisteren, want alleen dan kunnen we hun symfonie van zinnigheid horen. Wat biomimicry ons biedt – door te leren van de natuur in plaats van alleen over de natuur – is de mogelijkheid om ons een deel te voelen van dit genie dat ons omringt. De organismen om ons heen trachten – net als ingenieurs – problemen op een levensvriendelijke manier op te lossen. Het enige verschil is dat de meeste organismen al zo’n vierhonderd miljoen jaar aan research en development doen. Het nabootsen van natuurlijke vormen en processen is pas de eerste stap op weg naar een breder begrip van de lessen van de natuur. We kunnen de zelf openende en sluitende haken op een uilenveer imiteren om bijvoorbeeld een rugzak te maken die je overal kunt openen zonder dat je een metalen rits nodig hebt. Maar als we die rugzak maken van uit petroleum vervaardigd nylon, hem in elkaar laten zetten door slecht betaalde, onderdrukte arbeiders en hem over grote afstanden vervoeren in een vrachtwagen die dieseldampen uitbraakt, wat schieten we er dan mee op? Het nabootsen van natuurlijke vormen is een begin, maar echt leren van de natuur betekent ook de processen van die natuur en de strategieën van de ecosystemen omarmen en belichamen. We moeten niet vergeten dat we voortdurend een bron van goede ideeën tot onze beschikking hebben. Iedereen is op de een of andere manier een ontwerper en we hebben allemaal een aangeboren kennis van de biologische wereld. Dus als u iets ontwerpt en u vraagt zich af: ‘Hoe zou de natuur dit doen?’, dan moet u direct een stap verder gaan: doe de deur open, ga naar buiten en geniet van de zon, de wind, de regen, de bomen, de insecten, de bladeren, de kikkers, de kolibries, ja zelfs de slakken. Het is tenslotte geen nieuw gadget dat ons als cultuur duurzamer gaat maken; het is een verandering van onze manier van denken en een nieuwe blik, een nieuwe manier om de wereld waarvan we deel uitmaken en afhankelijk zijn te bekijken en te waarderen. We zijn een jonge soort, maar we kunnen ons goed aanpassen en we kunnen goed imiteren. Ik geloof dat we met de hulp van onze tien tot dertig miljoen medesoorten op deze planeet kunnen leren wat andere organismen hebben gedaan, namelijk deze plek tot een paradijs maken, een thuis die van ons is, maar niet van ons alleen. Met toestemming bewerkt en overgenomen van Nature’s Operating Instructions: The True Biotechnologies (Sierra Club Books, $16,95 U.S.) onder redactie van Kenny Ausubel, oprichter van de Bioneers, en J.P. Harpignies. De boeiende en belangwekkende essays in dit boek, over visionairs op velerlei gebied die de natuur als gids gebruiken voor vernieuwingen en uitvindingen, zijn gebaseerd op speeches die werden gehouden tijdens het jaarlijkse Bioneers congres in San Rafael in het Amerikaanse Californië. Janine Benyus is de meest vooraanstaande pleitbezorger van de biomimicry. Ze is schrijfster en docente en studeerde bosbouw, natural resource management en Engelse literatuur. Ze is milieuactiviste en maakt deel uit van het Eco Dream Team bij Interface Inc., een Amerikaanse tapijtfabrikant die is overgeschakeld op innovatieve, duurzame productiemethoden. Benyus is de auteur van Biomimicry: Innovation Inspired by Nature.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.