|
|
Heiligen in Pakistan
Abdul Sattar Edhi en Bilquis Edhi, die vaak worden geprezen als de islamitische equivalenten van Moeder Teresa, leiden waarschijnlijk de grootste vrijwilligersorganisatie ter wereld.
Chetan Kumar begon een jaar geleden te vermoeden dat hij kanker had, maar bleef proberen de aanvallen van duizeligheid te doorstaan. Hij was drieëntwintig jaar en besefte heel goed hoe belangrijk zijn kleine inkomen was. Hij kwam uit een boerenfamilie uit de provincie Sindh in Pakistan en had zich opgewerkt tot journalist bij Ibrad News Daily. Toen de definitieve diagnose werd gesteld, werd hij door het dagblad ontslagen – ondanks openbare protesten van zijn collega’s. Toen het duidelijk werd dat hij niets meer zou verdienen, was hij nog slechts een geschokte jongeman die geliefd werd door zijn familie, maar die van de toekomst weinig had te verwachten. Gedurende de afgelopen vijftig jaar hebben vele arme en wanhopige mensen uit Pakistan echter een plek gehad waar ze hun toevlucht konden zoeken. Dat toevluchtsoord is een creatie van het echtpaar Abdul Sattar en Bilquis Edhi die samen met vele vrijwilligers uit alle lagen van de bevolking langzaam en gestadig een omvangrijk netwerk van sociale dienstverlening opbouwden voor gewone mensen, waar iedereen – ongeacht geloof of sociale status – hulp kan vinden. Vanuit de vaste overtuiging dat je je alleen op eigen kracht uit de armoede kan redden, heeft Edhi wellicht de grootste vrijwilligersorganisatie ter wereld van de grond getild. Zijn organisatie wordt geheel gefinancierd met donaties en krijgt geen logistieke of financiële hulp van de regering. Alleen al in Karachi, een metropool met vijftien miljoen inwoners, worden in de klinieken van de Edhi Foundation elke dag duizenden mensen behandeld. Berooiden en daklozen, gehandicapten en geestelijk gestoorden worden in de centra van Edhi gehuisvest. Aan vrouwen die vluchten voor mishandeling en kinderen die van huis weglopen, wordt onderdak en advies gegeven. Er zijn gaarkeukens voor mensen die honger lijden, vrijwilligers om zieken te verzorgen. Zelfs ongewenste baby’s kunnen worden achtergelaten in jhoolas, wiegjes die door de centra ter beschikking worden gesteld, zodat de baby’s niet in de steek worden gelaten. Medicijnen zijn gratis en medische behandeling is dat ook. In een land waar slechts drie procent van het bruto nationaal inkomen aan gezondheidszorg wordt besteed (in het Westen is de norm 15 procent) geldt Abdul Sattar als een nationale held. Maar voor Chetan Kumar, die nu zijn tweede behandeling ondergaat in het Free Cancer Research Hospital van Edhi, is Abdul Sattar Edhi zelfs een heilige. Hij wordt veelvuldig vergeleken met Moeder Teresa, maar de Pakistani wijzen er trots op dat hij een inwoner is van Pakistan, dat hij niemand wil bekeren en dat zijn deuren voor iedereen openstaan. De levenstaak van Edhi beperkt zich niet tot de levenden. Gedurende de afgelopen veertig jaar hebben zijn organisaties een fatsoenlijke begrafenis geregeld voor 375.000 mensen die anders zouden zijn vergeten. Christenen worden begraven, hindoes gecremeerd, en moslims worden volgens de islamitische traditie gewassen en in een lijkwade gewikkeld. Toen journalist Daniel Pearl van de The Wall Street Journal was vermoord, vroeg de Pakistaanse regering aan Edhi zijn lichaam op te baren in een mortuarium van zijn organisatie om identificatie af te wachten. De ambulances van Edhi rijden in het hele land en zijn vaak het eerst ter plekke bij auto-ongelukken en natuurrampen, bij bomaanslagen en ongelukken met veerboten. De Edhi Foundation stelt gratis advocaten ter beschikking aan verdachten, biedt hulp aan mensen die zijn vastgelopen, bescherming aan slachtoffers van huiselijk geweld en noodhulp aan miljoenen slachtoffers van droogte, honger en overstromingen – niet alleen in Pakistan, maar over de hele wereld. Er zijn hulpgoederen gestuurd naar vluchtelingen en oorlogsslachtoffers aan de Perzische Golf, in Afghanistan, Libanon en Bosnië en naar gebieden die door aardbevingen zijn getroffen in Iran, Armenië, Egypte en Japan. Bij een ontroerende plechtigheid in India heeft Bilquis Edhi kortgeleden een prijs voor humanitaire hulpverlening ontvangen uit de handen van de Dalai Lama. Met het geld heeft ze nieuwe sari’s gekocht voor honderden vrouwen in de beruchte Tihar gevangenis in New Delhi. Ik ontmoet Abdul Sattar en Bilquis Edhi in hun huis – tevens het kantoor van de organisatie – in de van mensen krioelende Saddar Bazaar in Karachi. In hetzelfde gebouw is ook de oorspronkelijke apotheek gevestigd die Abdul Sattar opende toen hij drieëntwintig jaar oud was. Op een uithangbord staat te lezen: ‘Mensen die het welzijnswerk ondersteunen zijn gezegend, mensen die niets hebben te geven ook.’ Hoewel hun hoofdkantoor nu het hele gebouw omvat, woont het echtpaar Edhi nog steeds in dezelfde kamers boven de parterre. Boven hun kantoor hoor je baby’s huilen in het verblijf voor vondelingen. Toen we aan ons interview begonnen, kwam een oudere man binnenstormen, omhelsde Edhi stevig en vertrok weer zonder een woord te zeggen. Het bleek dat de man, die enigszins psychisch gestoord is, in het centrum woont. Hij heeft Edhi gedurende de laatste vijfenveertig jaar elke dag op deze wijze begroet. Edhi werd in 1928 geboren in de deelstaat Gujarat in het westen van het nog onverdeelde India en kwam al vroeg in aanraking met welzijnswerk toen hij samen met zijn moeder andere bewoners van hun dorp te hulp kwam. Hij raakte zo betrokken bij sociaal werk dat hij er meer tijd aan besteedde dan aan zijn schoolopleiding. Na het trauma van de deling van India in 1947 verhuisde de familie naar Pakistan, samen met miljoenen andere moslims. Edhi gaf blijk van ondernemingsgeest, waardoor hij een begeerde positie verwierf als handelaar op de Pakistaanse textielmarkt. Maar van meet af aan gaf dit werk hem te weinig voldoening en hij raakte betrokken bij een welzijnsorganisatie die in zijn woonwijk actief was. Omdat hij vond dat deze organisatie niet genoeg aandacht besteedde aan feitelijke hulp aan armen en hulpbehoevenden, begon hij voor zichzelf en investeerde in 1951 het grootste deel van zijn spaargeld in een winkeltje waarin hij medicijnen onder de marktprijs verkocht. Hij nam een arts in dienst en gaf medische hulp bood aan wie dat vroeg. Zijn apotheek raakte snel alom bekend en werd even vaak door vrijwilligers als door patiënten bezocht. Binnen twee jaar had Edhi een vrouwelijke arts in dienst genomen, op de bovenverdieping een kraamkliniek geopend en gaf hij cursussen in verpleging. De levensweg van een man met hoge verwachtingen en een oprecht geloof in Allah boog duidelijk af van de strikte beperkingen van de gangbare religieuze opvoeding naar een allesomvattend gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid. Het besef dat hij geen religieuze geleerde hoefde te zijn om de principes van de islam in praktijk te brengen was voor Edhi een openbaring. ‘De islam houdt de opdracht in anderen te helpen,’ zegt hij. Toen in 1957 duizenden mensen ziek werden tijdens een griepepidemie, zette Edhi overal in Karachi tenten neer voor gratis medische hulp, waar griepinjecties werden gegeven om de epidemie binnen de perken te houden. Bij elke tent stond een kistje met het opschrift: ‘Betaal wat u kunt, betaal niet als u dat niet kunt…’ Dankzij publieke erkenning van zijn werk tijdens de epidemie ontving Edhi zijn eerste grote donatie, waarvan hij zijn eerste bestelwagen kocht. Hij heeft zelden teruggekeken naar vroeger. In 1966 trouwde Abdul Sattar met Bilquis die zich vanaf dat moment even onvermoeibaar en vasthoudend aan de goede zaak heeftg gewijd. Ook zij wordt zeer gerespecteerd in Pakistan. De vastberadenheid waarvan ze in haar vroegere loopbaan als verpleegster blijk had gegeven, kwam haar goed van pas in de talrijke taken die ze op zich heeft genomen. Hoewel Bilquis en Abdul Sattar alom worden bewonderd vanwege hun humanitaire werk, wekken ze toch vaak rancune en verzet vanwege hun pogingen de rechten van vrouwen te bevorderen in een traditionele, door mannen gedomineerde maatschappij. Bilquis Edhi toont zich onverzettelijk als haar wordt gevraagd of er op dit gebied vooruitgang is geboekt: ‘Mannen willen vrouwen helemaal geen rechten geven. Ze gebruiken de islam en de godsdienst om vrouwen te onderdrukken.’ Abdul Sattar is iets optimistischer: ‘Onze samenleving is erg bekrompen. Het is erg moeilijk. Maar we zijn niet gedesillusioneerd. We hopen op verandering…’ Abdul Sattar Edhi, nu zesenzeventig jaar oud, is waarschijnlijk de beroemdste man van Pakistan, maar buiten de landsgrenzen is hij nauwelijks bekend. De oorzaak daarvan is deels dat hij hulp weigert van zowel regeringen als internationale organisaties, zoals de Wereldbank, omdat hij ervan overtuigd is dat afhankelijkheid van aalmoezen de vastbeslotenheid van mensen om hun eigen problemen op te lossen ondermijnt. Bovendien mijdt Edhi bijna elk publiek evenement dat niet rechtstreeks in verband staat met de fondsenwerving voor zijn organisatie. Een groot deel van de fondsen van Edhi is afkomstig uit de traditionele beoefening van zaqat, de opdracht uit de koran om tien procent van je inkomen aan de armen te geven. Veel Pakistaanse moslims geven geld aan de Edhi Foundation. De aanvaarding van deze ‘zaqat- donaties’ heeft Edhi in conflict gebracht met sommige mullahs die vinden dat deze religieuze donaties via hen moeten worden besteed aan het welzijnswerk. Religieuze machthebbers hebben ook in het openbaar bezwaren geuit tegen de zelfhulpfilosofie van Edhi en tegen het feit dat hij een alternatief biedt voor strikt religieus onderwijs. Edhi heeft meer kritici. Sommige Pakistani zijn regelrecht sceptisch over de vraag of al het geld dat bij zijn organisatie binnenkomt wel aan zinvolle projecten wordt besteed. Ook worden de deprimerende omstandigheden in sommige voorzieningen van Edhi ter discussie gesteld. Toen ik aan Abdul Sattar en Bilquis Edhi vroeg hoe de toekomst van hun welzijnsorganisaties er na hun overlijden uit zal zien, keken ze elkaar aan en glimlachten. ‘Ja,’ zei hij, ‘ze zullen blijven bestaan. We hebben onze familie ook op die tijd voorbereid. Van hieruit kijken we alleen maar toe hoe zij het werk doen…’ Het echtpaar Edhi heeft vier kinderen, waarvan drie het ‘familiebedrijf’ met grote inzet hebben overgenomen. De grote invloed van het werk van de Edhi’s blijkt niet zozeer uit de inzet van hun familie maar vooral uit het feit dat zij duizenden kinderen – die geen familie van hen zijn – hebben opgevoed in, voor het islamitische land Pakistan, bijzondere omstandigheden. Edhi heeft erop gewezen dat menslievendheid de basis is van alle religies en dus staan zijn scholen open voor kinderen van verschillende religieuze achtergronden. Buiten de muren van de Edhi-scholen heeft de harde realiteit van ziekte, armoede en etnische conflicten de overhand, maar daarbinnen bevindt zich een model van hoe Pakistan – en de wereld – eruit zouden kunnen zien.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.