|
|
Wees niet bang
Waarom we altijd bevreesd zijn voor het meest onwaarschijnlijke
| 70 oktober 2004 issueElke ouder kent de angst dat er iets vreselijks gebeurt met zijn of haar kind. Kranten staan immers vol van ontvoeringen en gruwelijke moordpartijen. Maar hoe reëel is het om bang te zijn voor iets wat uiteindelijk maar zelden voorkomt? Een moeder ging op onderzoek uit om beter te kunnen leven met angst. Stel je eens voor: terroristen leggen bommen in brievenbussen vlak bij je huis, naast het park waar je kinderen spelen, in de straat waardoor je kinderen elke dag naar school lopen. Die bommen hebben het op jou gemunt, op je gezin, op je ‘manier van leven’. Zou je je kinderen buiten laten spelen? Zou je hen alleen naar school laten lopen? Wie de vraag stelt, heeft het antwoord eigenlijk al gegeven. Toch was in 1966 het antwoord van mijn ouders anders. Ik was toen bijna tien jaar en bij mij in de buurt – Westmount, in Quebec, Canada – bliezen terroristen af en toe een paar brievenbussen op. Niettemin liep ik elke dag in mijn korte jurkje naar school, zonder mijn moeder naast me. Een van de bommen explodeerde verderop bij ons in de straat, een andere op de heuvel, niet ver bij mijn school vandaan, weer een andere bij het gemeentehuis van Westmount, op een steenworp afstand van de jongensschool waar mijn broers op zaten. Mijn moeder deed niet moeilijk over het gevaar. ‘Natuurlijk waren we bezorgd,’ vertelde ze me onlangs, ‘maar we vatten het niet persoonlijk op.’ Ondanks alles leek het toen op de een of andere manier veiliger dan nu. Er was wel sprake van angst, maar deze was niet persoonlijk. Vandaag de dag voelen we ons niet zo veilig. Mijn dochter Zoë is even oud als ik in 1966; ze heeft de prachtigste grijsblauwe ogen en lange veulenachtige benen en ze neemt nog steeds haar lievelingsknuffel mee naar bed, hoewel ze overdag oorbellen in heeft en een strakke spijkerbroek draagt. Zou ik haar alleen naar school laten lopen, niet meer dan twee kilometer bij ons vandaan? Geen sprake van! Of naar het park met uitzicht op het ravijn, waar vooral hondenliefhebbers komen? Absoluut niet! Iedereen weet waarom ouders zo reageren. Het is de angst dat onze kinderen zouden kunnen worden gekidnapt door een onbekende, misschien wel een sadistische pedofiel. In Toronto bijvoorbeeld staan twee namen, Holly Jones en Cecilia Zhang, garant voor een flinke angstinjectie bij vele ouders. In mei 2003 werd Holly Jones, tien jaar oud, gekidnapt toen ze van school naar huis liep. Een dag later werden haar lichaamsdelen gevonden. Cecilia Zhang werd in oktober 2003 ontvoerd, terwijl ze thuis in een voorstad van Toronto lag te slapen. Haar overblijfselen werden eind maart door een wandelaar gevonden – drie dagen voor wat haar tiende verjaardag zou zijn geweest. Na een jaar intensieve berichtgeving in de media kennen we de namen van deze meisjes, hun gezichten, het verschrikkelijke einde van hun korte leven. We leven tegenwoordig in een film van Alfred Hitchcock, waarin alles er normaal, zelfs saai uitziet – alleen weet je dat het gevaar onzichtbaar op de loer ligt, buiten het bereik van de camera. Dit soort verhalen maken me doodsbang. En ik ben duidelijk niet de enige. Al voor de ontvoering van Cecilia Zhang waren bijna zes op de tien ouders uit Toronto die in een opiniepeiling werden ondervraagd ‘heel bezorgd’ over kidnapping. Sinds de moord op Holly Jones is de vraag naar cursussen ‘buurtpreventie’ met 500 procent gestegen, zegt Child Find, de organisatie die helpt bij de opsporing van vermiste Canadese kinderen door foto’s van sommige van hen op vrachtwagens en elektriciteitsrekeningen af te beelden. In datzelfde jaar heeft Child Find de vingerafdrukken van ongeveer 20 duizend kinderen genomen; kennelijk om de identificatie van hun overblijfselen te vergemakkelijken als ze zouden worden vermoord. Het zou volstrekt normaal zijn om aan te nemen dat de wereld tegenwoordig gevaarlijker is dan de wereld waarin ik ben opgegroeid, dat kinderen tegenwoordig veel meer kans lopen om door een onbekende te worden aangevallen. Opmerkelijk genoeg is het omgekeerde waar. Het is veiliger om nu kind te zijn in Canada – en het zou me niet verbazen als het in andere, westerse landen hetzelfde is. Kinderen hebben veel meer kans om de leeftijd van tien jaar te bereiken dan in mijn tijd – voor een deel dankzij nieuwe geneesmiddelen, fietshelmen en autogordels. En in tegenstelling tot wat algemeen wordt gedacht, is het aantal door onbekenden vermoorde kinderen niet toegenomen. In 2002 bleek één kind jonger dan twaalf jaar door een onbekende te zijn vermoord – één op 6,3 miljoen Canadese kinderen. In 1966 werden twee jonge kinderen door onbekenden vermoord. Zowel toen als nu is het veel waarschijnlijker dat een kind wordt vermoord door iemand die hij of zij kent – zoals een ouder – dan door een onbekende. Ook ontvoeringen van kinderen door onbekenden komen steeds minder voor. Vorig jaar werden 67.809 Canadese kinderen als vermist opgegeven, maar de grote meerderheid was óf weggelopen óf door ouders of vrienden ontvoerd. Van dit grote en alarmerende aantal vermiste kinderen waren er slechts 39 door onbekenden ontvoerd, onder wie twee in Toronto – twee op meer dan één miljoen kinderen in Toronto jonger dan zestien jaar. Ja, zeg je nu, maar hoe zit het dan met aanranding en verkrachting? Toen ik jong was, sprak niemand over aanranding en verkrachting van kinderen, maar toch werden velen van ons betast, wat verreweg de meest kenmerkende vorm van pedofilie is. Dit soort aanrandingen wordt tegenwoordig vaker bij de politie aangegeven, maar er is geen bewijs dat ze meer voorkomen. Hoe dan ook, ouders zouden meer op hun hoede moeten zijn voor een oom of een voetbaltrainer dan voor een onbekende in het park. Slechts negen procent van de aanrandingen en verkrachtingen van meisjes onder de twaalf jaar werd door een onbekende gepleegd, heeft het Canadese Centraal Bureau voor de Statistiek gemeld. De rest werd door familie en vrienden gepleegd. In zijn invloedrijke boek The Culture of Fear betoogt de socioloog Barry Glassner dat veel van de grootste angsten in Amerika – voor de moordende vreemdeling bijvoorbeeld, of vliegtuigongelukken, of levensbedreigende borstimplantaten van silicone – óf schromelijk overdreven zijn óf volledig ongefundeerd. We hebben meer angst voor de zeldzame dan voor de veel voorkomende moordenaar, voor de verre dreiging in plaats van voor die in onze huizen en buurten. We zijn dan misschien wel veiliger en gezonder dan onze ouders ooit waren, maar omdat we nu eenmaal mensen zijn, moeten we iets vrezen, dus concentreren we ons op enge dreigingen die bijna nooit dodelijk zijn, terwijl we onze schouders ophalen over veel voorkomende doodsoorzaken die veel meer levens kosten. We hebben meer angst voor de vreemdeling dan voor de auto, hoewel er in 2002 één kind werd vermoord door een onbekende en er in dat jaar 155 kinderen bij auto-ongelukken stierven. De manier waarop we tegen risico’s aankijken, beïnvloedt niet alleen beslissingen in het privé-domein, maar ook in het publieke. Regeringen, die moeten beslissen hoe ze het geld van de belastingbetalers besteden om de volksgezondheid en de veiligheid te beschermen, zijn niet immuun voor de invloed van misplaatste en overdreven angsten. Ze investeren bijvoorbeeld veel geld in de beveiliging van vliegvelden, waarschijnlijk om te voorkomen dat terroristen nog eens zo’n ramp als die van 11 september 2001 veroorzaken. We accepteren dan ook de ruwe behandeling – al is het misschien knarsetandend – voordat we aan boord van een vliegtuig gaan. Tenslotte zijn er op die verschrikkelijke ochtend 2976 mensen gestorven. Dat is ongeveer even veel als het aantal mensen dat in hetzelfde jaar in Canada bij auto-ongelukken stierf. Maar wanneer de provinciale besturen proberen flitspalen te plaatsen om te snel rijden aan te pakken en het aantal dodelijke verkeersslachtoffers op de wegen te verminderen, krijgen ze de kritiek dat ze de privacy van autorijders schenden. Overdrijving van een dreiging is een klassiek syndroom dat in ons psychologisch DNA zit, met als gevolg de fobische angst voor ongedierte, hoogte en het donker. Zelfs degenen onder ons die niet aan een psychiatrische aandoening lijden, kunnen de waarschijnlijkheid van sommige dreigingen overschatten en andere bagatelliseren. Paul Slovic, psycholoog aan de universiteit van Michigan, probeert al meer dan dertig jaar te verklaren waar deze neiging vandaan komt. Zijn belangstelling werd gewekt door een vraag van een geograaf. Deze vroeg zich af waarom mensen terugkeren naar gebieden waar een aardbeving of overstroming heeft plaatsgehad. Slovic besefte dat zijn laboratoriumwerk hem niet hielp om inzicht te krijgen in de perceptie van gevaar, dus begon hij met een reeks experimenten die zouden onthullen hoe we tegen risico’s aankijken. Hij ontdekte al snel dat het grote publiek op een heel andere manier tegen risico’s aankijkt dan deskundigen. Wanneer deskundigen risico’s beoordelen, proberen ze twee verschillende dingen te kwantificeren: de waarschijnlijkheid dat er iets ergs kan gebeuren, zoals een lek in een chemische fabriek, en ten tweede wat de impact waarschijnlijk zal zijn als dit inderdaad gebeurt. Wanneer ze eenmaal de mogelijke schade hebben vastgesteld, moeten ze beoordelen of deze ernstig genoeg is om in actie te komen, hetzij om te voorkomen dat deze ontstaat, hetzij om deze te beperken. Risicobeoordeling zou in stappen moeten leiden tot een rationele beoordeling, zonder alledaagse menselijke gevoelens. Maar in het echt gaan wij mensen zo niet te werk wanneer we beslissingen nemen die ons privé-leven betreffen. We voeren geen kansberekeningen uit, zoals deskundigen dat doen, om tot de conclusie te komen: ‘In 2002 is er in Toronto maar één op de 600 duizend kinderen ontvoerd, dus ik neem aan dat ik mijn tien jaar oude dochter wel alleen in het park kan laten hardlopen.’ In een complexe, onzekere wereld is de manier waarop we risico’s beoordelen – van vliegen, van het eten van genetisch gemodificeerd voedsel, van kidnapping – subjectief, emotioneel en uitermate gevoelig voor de kracht van ons voorstellingsvermogen. Als we ons iets gemakkelijk kunnen herinneren – zoals de afschuwelijke ontvoering van Cecilia Zhang of Holly Jones – denken we dat ontvoeringen waarschijnlijker zijn dan ze in werkelijkheid zijn. Met andere woorden: wanneer we met een complexe, onzekere situatie worden geconfronteerd, denken we niet op rationele, logische manieren. Dit mentale steno kreeg nog meer nadruk in een onderzoek van Paul Slovic en collega-onderzoekers. Aan proefpersonen werd gevraagd de frequentie van verschillende doodsoorzaken te schatten. Hetzelfde werd gevraagd aan een testgroep van deskundigen op het gebied van risicobeoordeling. De vrouwen en studenten dachten dat er meer mensen ten gevolge van moord en doodslag stierven dan aan diabetes. In werkelijkheid is het omgekeerde waar: diabetes kost veel meer levens dan moord en doodslag. Uiteraard wordt er in het nieuws meer aandacht besteed aan moord en doodslag. Dat verklaart ook waarom mensen, zoals ik, banger zijn voor de onbekende dan voor de auto. Auto’s doden veel meer kinderen dan onbekende mannen doen, maar toch kan ik geen enkel kind opnoemen dat door een auto is gedood. Ik ken echter wel de namen van de meisjes die door onbekenden werden vermoord. Tijdens een reeks experimenten vroeg Slovic zijn proefpersonen een lijst van dertig punten, waaronder ‘vaccinaties’ en ‘grasmaaimachines’, te rangschikken in overeenstemming met het risico ervan. Zowel de studentengroep als de vrouwengroep beoordeelde ‘kernenergie’ als het meest riskante gevaar. Deskundigen op het gebied van risicobeoordeling zetten kernenergie daarentegen op nummer twintig. Nadat Slovic meer vragen had gesteld, kwam hij erachter waarom: wanneer leken aan de potentiële ramp van een ongeluk met kernenergie dachten, voelden ze angst. Risico’s die gevreesd worden – zoals kernenergie of kidnapping – worden door het grote publiek als riskanter beschouwd, hoewel ze veel minder mensen doden dan auto’s. Tijdens vervolgexperimenten ontdekten onderzoekers dat als een gevaar onvrijwillig en onbekend wordt gevonden, het grote publiek het als riskanter zal beoordelen dan vaker voorkomende gevaren die meer mensen doden. Met andere woorden: we beschouwen auto’s niet als riskant, omdat we ze kennen; achter het stuur hebben we een gevoel van controle. De onbekende in het park sluipt daarentegen ver buiten onze controlesfeer rond. Hij is de ultieme buitenstaander. We kunnen hem niet in bedwang houden. We kunnen hem niet eens zien. Dus vrezen we het spookbeeld. De media kunnen angst verspreiden. We horen het slechte nieuws, maar we horen zelden of nooit wat de kans is dat het zich voordoet. Het aantal moorden in Amerika daalde tussen 1990 en 1998 met twintig procent, terwijl het aantal moordverhalen in nieuwsuitzendingen toenam met 600 procent. Zoals elke stadsverslaggever weet, heb je grote kans op een begeerde plaats op de voorpagina als je het verhaal brengt van een priester die beschuldigd is van kindermisbruik. Als je onderzoek doet voor een verhaal over hoe het sterftecijfer van jonge Canadezen met de helft is gedaald sinds je zelf een kind was, weet je dat je ergens op de laatste pagina’s terechtkomt. Onze risicoperceptie wordt beïnvloed door wat we in de media lezen en horen. Ik ging naar de bibliotheek in Toronto om te zien hoe het nieuws werd vastgelegd toen ik een opgroeiend meisje in Montreal was. Ik las alle exemplaren van The Gazette, Montreals plaatselijke krant, van de maand april 1966. Het nieuws in The Gazette was in 1966 voornamelijk gericht op politieke en economische instellingen en leiders en niet op de verschrikkelijke dingen die met kinderen om de hoek gebeurden. Wanneer de krant wel de dood van een kind versloeg, verscheen het verhaal op een binnenpagina, in korte, sobere bewoordingen (‘Conciërge vindt verkoold babylijkje’). Er was geen sprake van een verontwaardigd hoofdartikel, noch van diep bedroefd commentaar van columnisten. De krant maakte verschrikkingen niet persoonlijk. De verhalen waren niet geschreven, zodat mensen doodsangst zou kunnen worden aangejaagd. De wereld van het nieuws is sindsdien ingrijpend veranderd. Het aantal televisiezenders is explosief gestegen. Er zijn meer praatprogramma’s en sensatiekranten en dan hebben we het nog niet eens over internet. Om te worden gehoord, overschreeuwen nieuwsverspreiders elkaar. Verslaggevers hebben technieken van de amusementsindustrie geleend, waaronder de stokoude strategie die bestaat uit het publiek bang maken. Angst verkoopt, dat is altijd zo geweest. Je zou je kunnen afvragen waarom. Ik heb Mark Kingwell opgebeld, filosoof aan de University of Toronto, en hem een eenvoudige vraag voorgelegd: waarom gaan mensen in de rij staan voor enge films? Waarom grijpen ze naar nieuws dat hun acuut een onbehaaglijk gevoel geeft? Aristoteles vroeg zich hetzelfde af in het oude Griekenland, zei Kingwell. De klassieke filosoof, zo zegt Kingwell, opperde dat mensen naar een veilige, besloten ruimte verlangen om de stijgende spanning te ervaren die samengaat met de kennis dat er iets angstigs en tragisch staat te gebeuren, gevolgd door de opluchting die het moment van catharsis geeft. Het verschil met nu, legt Kingwell uit, is dat de media geen catharsis bieden. We lezen het slechte en angstaanjagende nieuws telkens weer, de spanning neemt toe, maar er volgt geen oplossing. ‘Er is geen sprake van opluchting,’ zegt Kingwell, ‘dus vibreert er een voortdurende angst op de achtergrond.’ Gezagsdragers kunnen de verspreiding van angst inperken door het publiek snel volledige informatie te geven om het te helpen de risico’s en voordelen van een actie tegen elkaar af te wegen, zegt Douglas Powell, voedselveiligheidsdeskundige en universitair hoofddocent aan de universiteit van Guelph. Toch blijven ze vaak zwijgen of ontkennen ze een probleem, beweert Powell in een boek waarvan hij co-auteur is, Mad Cows and Mothers’ Milk: The Perils of Poor Risk Communication. Ze vertellen het publiek niet direct wat ze weten, ze geven geen uitleg over de risico’s of de maatregelen die worden genomen om het probleem te voorkomen of te verminderen. Deze stilte schept een informatievacuüm dat angstzaaiers graag vullen. Dus wordt de kloof tussen wat de deskundigen weten en wat het publiek weet groter. Een klassiek voorbeeld: toen een koe in Alberta, Canada, ziek werd van BSE, verscheen de hoogste dierenarts van de regering ongeveer elke dag op de televisie om uitleg te geven over het gevaar van gekkekoeienziekte en wat de regering er tegen deed. Het publiek vertrouwde hem. De consumptie van rundvlees nam in Canada zelfs toe. Maar toen het verhaal bekend werd dat er PCB in gekweekte zalm zou kunnen zitten, nam niemand van de Canadese gezondheidsautoriteiten de moeite om het publiek op de hoogte te brengen van de risico’s. De consumptie van gekweekte zalm daalde met twintig tot vijftig procent. Dit laat zien, zegt Powell, dat mensen verstandige keuzes kunnen maken wanneer ze goede informatie krijgen om hen te helpen de risico’s tegen de voordelen af te wegen. Powell zou wel eens gelijk kunnen hebben. Nu ik weet hoe zelden kinderen door onbekenden worden aangevallen, heb ik niet zo’n onbehaaglijk gevoel meer wanneer ik mijn dochter alleen buiten laat spelen. Maar dat vertrouwen is fragiel. De droge kansberekeningstaal kan niet op tegen de macht van de scherpe beelden van Holly Jones en haar familie nadat ze was vermoord. De wereld lijkt gevaarlijker dan ze is, omdat de media er alle belang bij hebben om haar zo voor te stellen. Ze weten dat angst ons bij de strot grijpt en weloverwogen verslaggeving doet dat nu eenmaal niet. We zullen waarschijnlijk wel op irrationele manieren blijven reageren, waarbij we echte gevaren negeren, maar worden geobsedeerd door marginale gevaren. En mijn dochter zal iets missen wat ik als kind zo waardevol vond: de vrijheid om alleen in het park te spelen.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.