|
|
| Share |
Dood op zee
Er komen steeds meer aanwijzingen dat het testen van sonarapparatuur door de Amerikaanse marine fataal kan zijn voor walvissen en dolfijnen. Op een tropisch eiland zoekt een gepensioneerde zeebioloog naar oplossingen om een einde te maken aan de slachting.
Ken Balcomb staat tot aan zijn knieën in de branding van de Atlantische Oceaan, naast een geïmproviseerde, wankele houten tafel. Er ligt een enorme kop van een Cuvierdolfijn op – of liever gezegd: een halve, opengesneden kop die de beenderen, spieren, bloedvaten en vetlagen laat zien.
Al bijna veertig jaar doet bioloog Balcomb onderzoek naar walvissen. Nu voert hij sectie uit op de halfontdooide kop van een ruim 3600 kilo zware tandwalvis die één jaar eerder op het strand van het eiland Abaco, een van de eilanden van de Bahama’s, is aangespoeld. Hij snijdt systematisch met zijn mes diep, maar voorzichtig om niet te veel schade aan te richten, in de schedel waar zich de bulla – het binnenoor – bevindt. Dit orgaan wil hij nader onderzoeken, omdat hij zich de laatste jaren richt op het gehoor van walvissen. Hij zoekt naar inwendige bloedingen, vooral in de buurt van het oor of op andere plekken waar geen bloed mag voorkomen.
‘We weten niet waaraan deze walvis is overleden, maar het ziet er naar uit dat het dier een natuurlijke dood is gestorven’, legt Balcomb uit, enkele uren nadat hij met zijn onderzoek is begonnen. ‘Dat is nuttig om te weten, want het kan dienen als vergelijkingsmateriaal. We weten nu hoe de kop van een spitssnuitdolfijn er van binnen uit moet zien, waardoor we meer inzicht hebben in eventuele beschadigingen die we bij zijn soortgenoten aantreffen.’
Terwijl hij bezig is met zijn onderzoek, cirkelen de zeemeeuwen boven zijn hoofd en spelen de honden op het zonnige strand – een onwaarschijnlijke omgeving voor een wetenschappelijk en exact onderzoek, hoewel aan de andere kant ook erg toepasselijk, gezien het feit dat de gebeurtenissen die aan de sectie voorafgingen zich slechts op een steenworp afstand hebben voltrokken. Iets verder op het strand, waar nu een volleybalnet staat, werd vier jaar geleden op een lenteochtend ook een Cuvierdolfijn gevonden. Het dier leefde nog, maar het was volledig gedesoriënteerd aangespoeld op het strand. Pas na vier mislukte pogingen lukte het Balcomb en zijn collega’s het ruim vijf meter lange dier – dat aan zijn gladde, koele huid te oordelen verder niets mankeerde – diep genoeg in zee terug te duwen.
Tegen die tijd waren er echter nog twee spitssnuitdolfijnen aangespoeld, en Balcomb en zijn vrouw – walvisonderzoekster Diane Claridge – realiseerden zich dat ze te maken hadden met een massale stranding. Er spoelt wel vaker een walvis aan, maar massale strandingen zijn zeldzaam en het tegelijkertijd stranden van verschillende soorten walvissen is nóg zeldzamer. In totaal spoelden er die dag op de naburige eilanden zeventien walvissen aan, vier verschillende soorten. Zes stierven bijna onmiddellijk en de overige dieren werden teruggeduwd in zee. Daarna heeft niemand ze meer gezien.
Balcomb maakte zich zorgen over wat er op die dag, 15 maart 2000, gebeurd was. Hij en zijn vrouw bestudeerden al negen jaar lang spitssnuitdolfijnen voor de kust van Abaco, en in die tijd hadden ze kennis vergaard over tientallen nogal schuwe Cuvier dolfijnen die regelmatig door de nabijgelegen zee-engte zwommen. Balcomb en zijn vrouw behoren tot de weinige experts ter wereld die gespecialiseerd zijn in de gewoonten van spitssnuitdolfijnen. Ze zijn zo gecharmeerd van de dieren dat ze een onderzoeksprogramma naar zeezoogdieren hebben ontwikkeld om jonge mensen naar het eiland te halen voor studie en onderzoek.
Als wetenschapper wist Balcomb dat hij de unieke kans had enkele van de dode walvissen te conserveren om hun toestand en verwondingen nader te onderzoeken. Hij en zijn vrouw verwijderden dan ook de koppen van vier dode dieren en bewaarden ze in de vriezer van een nabijgelegen restaurant. Diezelfde dag belde Balcomb naar een oud-studiegenoot die op het U.S. Office of Naval Research in Washington werkte, en vroeg hem het logboek van alle sonaractiviteiten die op 15 maart 2000 in het gebied hadden plaatsgevonden, te bewaren.
Balcomb deed dit verzoek, omdat hij als walvisexpert en voormalig marineman het sterke vermoeden had dat de spitssnuitdolfijnen in de war waren geraakt door de harde geluidsexplosies van de sonarinstallaties van de Amerikaanse marine. Wereldwijd maken militaire schepen steeds vaker gebruik van krachtige sonar met een groot bereik om onderzeeërs van andere landen te kunnen volgen.
Een paar jaar geleden hadden onderzoekers een massale walvisstranding op de kust van Griekenland voorzichtig in verband gebracht met een marineoefening van de NAVO waarbij intensief gebruik werd gemaakt van sonar. Omdat de meeste aangespoelde dieren toen ook spitssnuitdolfijnen waren, was Balcomb bekend met het onderzoek. Hij wist ook dat spitssnuitdolfijnen en andere walvissen een bijzonder goed ontwikkeld gehoor hebben, met een dikke laag ‘akoestisch vet’ rond hun kaken die het geluid naar het binnenoor geleidt. Hij schrok van de gedachte aan het effect dat een hele reeks geluidsgolven met het geluidsniveau van een straalmotor op het gevoelige gehoor van deze dieren kon hebben.
Halverwege maart waren er marineoefeningen gepland voor de oostkust van Abaco, maar er was niets bekend over oefeningen in de westerse zee-engte waar de walvissen voor hun stranding regelmatig waren gesignaleerd. Daarom vroeg Balcomb aan een vriend of hij mocht meevliegen in zijn vliegtuig om te kijken of er militaire schepen in de zee-engte voeren waar de spitssnuitdolfijnen naar voedsel zochten, en of er meer dieren waren aangespoeld. Beide vooronderstellingen bleken waar. Balcomb trok zijn conclusies en maakte het verontrustende nieuws bekend via internet, waardoor de Bahama’s bij sommige milieugroeperingen in één klap in een kwaad daglicht kwamen te staan.
Op grond van Balcombs snelle actie de koppen van de dode walvissen in te vriezen, stuurde de federale regering vijf dagen later een specialist in echo-locatiesystemen bij zeezoogdieren naar de Bahama’s om te onderzoeken of de sonar inderdaad fysieke schade had veroorzaakt die tot de stranding had geleid. Balcomb was zowel bij de eerste sectie op de Bahama’s als bij de tweede sectie in een laboratorium in Boston aanwezig, en legde alles op video vast. Beide keren werd geconstateerd dat het gehoor en het gedeelte onder de hersenen beschadigd was, en werd geconcludeerd dat dit het gevolg was van een gigantische geluidsgolf.
Acht weken later had de Amerikaanse marine nog steeds niet erkend dat er verband bestond tussen de sonarproeven en de walvisstranding. De resultaten van de sectie werden niet vrijgegeven. Als wetenschapper was Balcomb geneigd een afwachtende houding aan te nemen, maar uit vrees dat de marine de resultaten in de doofpot wilde stoppen, beloofde hij mee te werken aan een persconferentie die door een milieugroepering in de National Press Club in Washington werd gehouden om de resultaten openbaar te maken. Daar verklaarde hij dat de massale stranding en de daaropvolgende dood van de walvissen was veroorzaakt door sonar.
Door de militante manier waarop hij het nieuws naar buiten had gebracht, werd Balcomb in bepaalde wetenschaps- en regeringskringen beschouwd als een soort paria, maar zijn initiatief gaf ook de aanzet tot een intensief, soms zelfs controversieel publiek debat in Europa en de Verenigde Staten dat vier jaar zou duren, over de manier waarop sonar walvissen schade kon toebrengen en de maatregelen die genomen konden worden om een eind te maken aan de walvisstrandingen.
Hoewel de Amerikaanse marine eerst ontkende dat haar schepen ook maar iets te maken hadden met de strandingen, of zelfs maar aanwezig waren in de zee-engte, werd later gemeld dat acht marineschepen op het moment van de walvisstranding betrokken waren bij een oefening met sonarproeven in de zee-engte. Een jaar later verscheen een rapport waarin stond dat marineschepen gedurende zestien uur twee ‘sonarpings’ per minuut hadden uitgezonden die zo’n 225 decibel produceerden – te vergelijken met het geluidsniveau van een straalmotor – en dat dit waarschijnlijk tot de massale stranding had geleid. Met deze opzienbarende bekentenis herzag de marine haar standpunt volledig.
In 2002 strandde opnieuw een groep spitssnuitdolfijnen, nu op de kust van de Canarische eilanden, tijdens een militaire oefening waaraan schepen uit meerdere landen deelnamen. Dit keer waren de onderzoekers – gealarmeerd door de gebeurtenissen op de Bahama’s – snel ter plekke om de aangespoelde dieren te bestuderen. Zij kwamen begin dit jaar tot de verrassende conclusie dat vooral spitssnuitdolfijnen na sonarproeven stranden, omdat zij door het sterke geluid dat hun territorium binnendringt in paniek raken, waardoor zij te snel naar de oppervlakte komen. De conclusie was gebaseerd op de aanwezigheid van gasbelletjes en vetbolletjes in de organen en bloedvaten van de dode dieren; die wijzen namelijk op een variant van duikersziekte die gepaard gaat met interne bloedingen. Men had een plausibele, wetenschappelijke verklaring gevonden voor door sonar veroorzaakte strandingen, hoewel deze nog steeds omstreden is.
Kort daarna reserveerde het Amerikaanse Congres ruim één miljoen dollar voor de financiering van een ongekende reeks wetenschappelijke en politieke conferenties over het onderwerp, waarbij talrijke experts op het gebied van walvissen, sonar en de onderlinge problematiek betrokken zijn. Deze bijeenkomsten worden nu gehouden. De kwestie staat op de politieke agenda en er komt steeds meer geld binnen voor onderzoek naar de manier waarop kunstmatige sonar het leven in zee beïnvloedt.
Wereldwijd neemt de bezorgdheid toe. Vorig jaar werd in het Europese parlement een resolutie aangenomen om het gebruik van sonar aan banden te leggen en 67 milieugroepen uit Noord-Amerika en Europa stuurden een gezamenlijke petitie naar het NAVO-hoofdkwartier waarin zij de alliantie opriepen hun beleid met betrekking tot het gebruik van sonar grondig te herzien. ‘Wij maken ons ernstig zorgen over het toenemende gebruik van krachtige sonar op zee’, luidde de openingszin. ‘Er is grote ongerustheid ontstaan over een mogelijke uitbreiding van deze technologie die een ernstige bedreiging vormt voor zeezoogdieren, vissen en ander leven in de oceaan.’
Balcomb vindt deze acties bemoedigend, maar tijdens zijn sectie op het strand zegt hij dat de dieren er helaas niet minder gevaar door lopen. De spitssnuitdolfijn – een soort verklikker uit de diepzee – waarschuwt ons dat onze sonar ernstige schade toebrengt aan het leven in zee. Maar de gebeurtenissen in Washington en elders in de wereld geven geen aanleiding te veronderstellen dat er snel zal worden ingegrepen.
Schout-bij-nacht Steven Tomaszeski, hoofd Oceanografie bij de Amerikaanse marine en al dertig jaar marineofficier, benadrukt dat de marine de zeebewoners een warm hart toedraagt, en elk jaar miljoenen dollars wil besteden om erachter te komen hoe zij hun voortbestaan het beste kunnen garanderen. Momenteel financiert de Amerikaanse marine ongeveer zeventig procent van al het onderzoek naar zeezoogdieren in de Verenigde Staten en bijna vijftig procent van alle onderzoeken wereldwijd. ‘De Amerikaanse marine wil het voortouw nemen in het vergaren van kennis over en het behoud van zeezoogdieren in de hele wereld’, aldus Tomaszeski.
Hij voegt eraan toe dat we niet moeten vergeten dat de Amerikaanse marine een gevechtsorganisatie is, die tot doel heeft de Verenigde Staten te beschermen en ‘ervoor te zorgen dat niemand ons de toegang tot welk deel van de wereld dan ook kan beletten. Willen we de dreigingen waarmee we tegenwoordig worden geconfronteerd het hoofd kunnen bieden, dan hebben we eerder krachtiger dan zwakkere sonar nodig’, aldus Tomaszeski.
Er moet dus een balans worden gevonden; enerzijds moeten de zeezoogdieren beschermd worden, en anderzijds mag Amerika’s militaire paraatheid niet in gevaar worden brengen. Er is echter één probleem en ook Tomaszeski erkent dit: er is nog maar weinig bekend over het leven in zee, ook bij de marine.
‘We weten meer over de maan dan over de oceanen op onze eigen planeet’, zegt de generaal, een lange man die zijn best doet om sympathiek over te komen. ‘Van veel walvissen weten we niet waar ze zich bevinden, en we weten maar weinig over de werking van hun gehoor. Sommige mensen zeggen dat je daarom geen risico’s moet nemen en geen akoestische apparatuur in zee moet gebruiken. Dat is het voorzorgsprincipe. Maar ik kan naar eer en geweten geen vloot de zee opsturen zonder sonar. Het is verreweg het beste verdedigingsmiddel tegen onderzeeërs.’
Daarvoor zijn goed opgeleide mensen nodig die de signalen kunnen interpreteren. Deze mensen moeten ervaring opdoen op zee. Voor dat doel worden regelmatig oefeningen gehouden waarbij sonar wordt gebruikt, en één zo’n oefening vond in 2000 plaats voor de kust van Abaco. Hoewel voorlichtingsmateriaal voorhanden is waarin dit gebied wordt genoemd als een toevluchtsoord voor walvissen, beweert Tomaszeski dat de commandant hiervan niet op de hoogte was. ‘De mensen die bij de oefening betrokken waren, vonden het verschrikkelijk dat de dieren massaal strandden, maar om eerlijk te zijn, hebben we onvoldoende stilgestaan bij de mogelijke aanwezigheid van walvissen.’
De massale stranding op de Bahama’s had voor de Amerikaanse marine en andere belangrijke militaire organisaties in de wereld niet op een slechter tijdstip kunnen plaatsvinden. Gedurende enkele jaren lag de Amerikaanse marine al in de clinch met milieugroeperingen over het plan om wereldwijd een nieuw, krachtig systeem met laag-frequente actieve sonar in te voeren, waarvan de geluidsgolven een veel grotere afstand kunnen afleggen dan de gewone, mid-frequente sonar. Dit juridische gevecht ging over regelgeving – had de Amerikaanse marine de effecten van het nieuwe sonarsysteem op het milieu grondig genoeg bestudeerd? Had zij de mogelijke schadelijke effecten op walvissen wel goed gedefinieerd? – en was grotendeels gebaseerd op theoretische argumenten. Met de stranding op de Bahama’s werd theorie opeens praktijk, en wel op een manier die niemand had verwacht. Het type mid-frequente sonar dat voor de kust van de Bahama’s werd gebruikt, was goed getest, ook qua tijdsduur, en had veilig moeten zijn.
Al snel veranderde de Amerikaanse marine haar houding. In plaats van te ontkennen dat sonar schadelijk kon zijn voor walvissen, wees ze nu op het verschil tussen de mid-frequente sonar die bij de Bahama’s werd gebruikt, en de laag-frequente sonar (met langere golflengte) die men nu wil gebruiken. Het onderscheid is terecht in die zin dat zeezoogdieren op verschillende frequenties horen, maar dit is voor veel milieudeskundigen niet bepaald een geruststelling. De grootste baleinwalvissen schijnen niet te lijden onder het gebruik van mid-frequente sonar omdat zij op een lage frequentie horen. Betekent dit dat zij meer risico lopen als de nieuwe, laag-frequente sonar wordt ingevoerd?
Er staat veel op het spel in dit debat, en niet alleen omdat de Amerikaanse marine 350 miljoen dollar heeft geïnvesteerd en tien jaar onderzoek heeft gedaan om laag-frequente sonar te ontwikkelen. Militaire plannenmakers vrezen voor een nieuwe generatie ‘stille’ dieselonderzeeërs van potentiële vijanden als China, Noord-Korea en Iran. De Amerikaanse marine stelt dat deze goedkope, technisch niet-geavanceerde onderzeeërs onopgemerkt de drukke Amerikaanse kustwateren kunnen binnendringen om daar te blijven wachten tot zij kunnen aanvallen, tenzij de meer effectieve langeafstandssonar wordt gebruikt. En niet alleen de Amerikaanse marine wil de laag-frequente sonar invoeren; ook het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland ontwikkelen dergelijke systemen.
Naar aanleiding van de massale walvisstranding op de Bahama’s oordeelde een federale rechter vorig jaar dat de Amerikaanse marine het effect van haar laag-frequente sonar op het leven in zee onvoldoende had getest, en gelastte de stopzetting van alle sonarproeven. De Amerikaanse marine en de milieugroeperingen die de zaak voor het gerecht hadden gebracht, sloten later een tijdelijk akkoord waarin de proeven met laag-frequente sonar werden beperkt tot het gebied voor de kust van Oost-Azië. De marine vindt dit echter een onbevredigende oplossing.
Maar net nu de strandingen ervoor hebben gezorgd dat milieuactivisten massaal in het geweer zijn gekomen, hebben de juridische nederlaag en de groeiende protesten ervoor gezorgd dat de regering-Bush en enkele congresleden maatregelen hebben getroffen die de Amerikaanse marine al jaren bepleit, namelijk het vrijstellen van haar schepen en sonar van een aantal wetten ter bescherming van het leven in zee die als ‘hinderlijk’ worden ervaren.
Al enkele jaren zijn wetsvoorstellen met dit doel door het Congres afgewezen, maar afgelopen herfst – nu de politieke invloed van het leger op zijn hoogst is door de oorlog in Irak en de strijd tegen het terrorisme – werd het voorstel als aanvulling op het begrotingsvoorstel van het ministerie van Defensie alsnog aangenomen. De wijzigingen leiden tot een versoepeling van de definitie ‘pesterij’ van zeezoogdieren, en een verhoging van het aantal dieren dat schade kan worden toegebracht zonder dat dit juridische consequenties heeft. De Amerikaanse marine kan nu volledig worden vrijgesteld van de wetten met betrekking tot zeezoogdieren als de minister van Defensie dit nodig acht.
De versoepeling kwam in hetzelfde jaar dat het Congres 1 miljoen dollar reserveerde voor onderzoek naar de schadelijkheid van sonar voor walvissen, waardoor sommige mensen zich afvroegen of het Congres niet het paard achter de wagen spande. ‘Moeten we niet eerst meer weten over de gevolgen van sonar voor walvissen voor we een besluit nemen over de versoepeling van de regels die we al hebben?’ vroeg Naomi Rose, zeebiologe bij de Humane Society of the United States, en tevens lid van de congrescommissie.
Volgens Tomaszeski zal de Amerikaanse marine uitsluitend gebruikmaken van de vrijstelling in geval van een gewapend conflict. ‘Bovendien’, voegt hij er vol vertrouwen aan toe, ‘kunnen we onze sonar nu testen en gebruiken zonder walvisstrandingen te veroorzaken.’ Gezien de ervaringen in het verleden, zijn veel mensen hier echter sceptisch over.
Volgens de marine zijn de strandingen op de Bahama’s en de Canarische Eilanden de enige bewezen voorbeelden van door sonar veroorzaakte schade, maar tientallen andere strandingen uit de afgelopen tien jaar worden nu opnieuw bekeken door onderzoekers om te zien of de sonar mogelijk ook daarbij een rol heeft gespeeld. Er hebben zich ongewone en onverklaarde massale strandingen voorgedaan bij de kust van Japan, Madeira, de Amerikaanse Virgin Islands en nog meer bij de Bahama’s en met name de Canarische Eilanden, maar er was toen niet genoeg bekend om te onderzoeken of er op dat moment sprake was van marineoefeningen. ‘We begrijpen dat iedereen nu veel beter oplet dan vroeger, en een walvis op het strand valt moeilijk over het hoofd te zien’, antwoordde Tomaszeski. ‘Dus als er zich weer een stranding voordoet, is het voorspelbaar wie er als eerste over ondervraagd wordt.’
Mensen over de hele wereld houden van walvissen en andere zeezoogdieren – omdat het indrukwekkende, speelse en intelligente dieren zijn – en men wil hen graag beschermen tegen de gevaren die de mens veroorzaakt. Maar omdat walvissen het grootste deel van hun leven onder water doorbrengen, zijn er nog veel geheimen. Naar verluidt is de Noordkaper een van de meest bestudeerde walvissoorten ter wereld, maar onderzoekers weten nog steeds niet waar deze dieren zich gedurende enkele maanden per jaar ophouden. Als dat bij een goed bestudeerde walvis al zo kan zijn, hoe zit het dan met de spitssnuitdolfijn, een dier van vijf ton waarover we bijna niets weten?
Ze zijn genoemd naar hun harde, soms lange snuit en brengen even weinig tijd aan de oppervlakte door als meer bekende zeezoogdieren. Niemand weet hoeveel spitssnuitdolfijnen er zijn, maar onderzoekers denken dat ze over de hele wereld voorkomen. Het zijn zeer diepe duikers – ze verblijven regelmatig langer dan een uur op een diepte van duizend meter – en ze komen heel langzaam naar de oppervlakte. Omdat ze zoveel tijd op grote diepte doorbrengen, lijken ze chronisch verzadigd te zijn met stikstof, waardoor ze bijzonder gevoelig zijn voor de vorming van het type gasbelletjes dat tot duikersziekte kan leiden. Hoewel veel zeezoogdieren gedesoriënteerd raken door de luide sonartrillingen, spoelen de spitssnuitdolfijnen aan op het strand, omdat zij hier extra gevoelig voor zijn.
Het gehoor is voor walvissen het belangrijkste zintuig. Ze gebruiken het om voedsel op te sporen, contact te houden met de groep en een partner te vinden. Sommige soorten zingen lange ‘liederen’, andere fluiten en schreeuwen of huilen. Walvissen kunnen enorm hard ‘zingen’ – de potvis produceert een geluid als een straalmotor – maar kennelijk zijn de zeebewoners eraan gewend.
Voor kunstmatige geluiden geldt dit niet. Onderzoekers hebben vastgesteld dat het achtergrondgeluid onder water van scheepvaart, gas- en oliewinning, sonar en andere bronnen op sommige plaatsen tien keer zo luid is als twintig jaar geleden. ‘Het is moeilijk te bepalen of het toegenomen achtergrondgeluid een subtiel effect op het gedrag heeft dat op den duur weer invloed heeft op de voortplanting, waardoor de populatie op de lange termijn daalt’, zegt John Hildebrand, specialist in onderwaterakoestiek bij het Scripps Institution of Oceanography in Californië, een ander lid van de federale commissie voor zeezoogdieren. ‘We doen hier niet veel onderzoek, maar het lijkt erop dat het geluidsniveau elk jaar met een paar procent toeneemt.’
De toenemende herrie die de mens onder water maakt, is een bedreiging op de lange termijn, maar pas na de massale stranding op de Bahama’s werd het onderwerp op de wetenschappelijke en politieke agenda geplaatst. De stranding op de Bahama’s leverde voor het eerst exemplaren voor onderzoek, en het was ook de eerste keer dat er een rechtstreeks fysiologisch verband werd aangetoond, ook al was nog niet alles duidelijk. De daaropvolgende gebeurtenissen maakten duidelijk dat er een groot verschil in inzicht bestaat tussen de verschillende groeperingen en organisaties die belang hebben bij de effecten van lawaai op zeezoogdieren. De voornaamste reden dat het Congres vorig jaar een miljoen dollar reserveerde om de zaak te onderzoeken was omdat de leden het er niet over eens kon worden wat er moest gebeuren.
De tweede algemene vergadering van de commissie vond eind april plaats en werd bijgewoond door 28 vertegenwoordigers van verschillende organisaties, waaronder de Amerikaanse marine, ExxonMobil en de Whale and Dolphin Conservation Society. Ook de 62-jarige Balcomb was lid van de commissie. Hij voelt zich het prettigst op zijn boot, op zoek naar walvissen, en met zijn verwilderde baard leek hij volledig misplaatst in de vergaderzaal. Het feit dat er enkele mensen aanwezig waren met wie hij in de clinch had gelegen, maakte de zaak er niet beter op.
Het doel van de commissie is consensus bereiken over de regelgeving die de Verenigde Staten eventueel moet invoeren om zeezoogdieren beter te beschermen tegen de effecten van door mensen geproduceerde geluiden. De reeks vergaderingen, waaronder een vergadering in september in Londen, zal halverwege volgend jaar zijn afgerond. Op basis van de besprekingen in april waarbij ik aanwezig was, is het moeilijk voor te stellen dat de commissie tot een eensluidend advies zal komen.
Vooral technische en theoretische zaken werden besproken, maar het werd al snel duidelijk dat het voornamelijk een kwestie van beleid is: in hoeverre mag de mens walvissen en andere zeezoogdieren ongemak en pijn bezorgen, of zelfs doden door geluidsoverlast? Milieudeskundigen, walvisliefhebbers en wetenschappers als Balcomb maakten al snel duidelijk dat de mens naar hun mening de grens van het toelaatbare al had overschreden. De Amerikaanse marine, de geologen en de vertegenwoordigers van de petroleum- en gasindustrie en scheepvaartbedrijven stelden dat het probleem niet alleen beheersbaar was, maar zelfs al onder controle was.
Misschien omdat de Amerikaanse marine een politieke overwinning had behaald in het Congres, afgelopen herfst, richtte de discussie zich voornamelijk op de rol van de petroleum- en gasindustrie. Net als de geologen vuren zij luide laag-frequente geluidssignalen af op de oceaanbodem, en zeker één walvisstranding is in verband gebracht met een reeks geluidssignalen die werd uitgezonden door een Amerikaans onderzoekschip. Het dode dier werd ontdekt door Amerikaanse biologen die op vakantie waren in Mexico. Onderzoekers gaan ervan uit dat als de signalen één dier fataal zijn geworden, ze andere dieren ook fataal kunnen worden, zonder dat we dit merken.
Chip Gill, lid van de commissie namens de International Association of Geophysical Contractors, benadrukt de noodzaak van ‘een goede balans’. ‘Akoestische energie kan inderdaad schade veroorzaken, maar die moeten we afwegen tegen de voordelen voor de mensheid’, zei hij na de vergadering. ‘Wij vrezen dat er regelgeving wordt opgesteld die van grote invloed zal zijn op ons vermogen te opereren, en we zien niet in hoe de voordelen voor de dieren de eventueel aanzienlijke kosten die we zullen moeten maken, rechtvaardigen.’
Naomi Rose, afgevaardigde van de Humane Society, zegt dat ze verbijsterd is over de uitlatingen van de organisaties die de geluidsoverlast produceren. ‘Ze proberen ons ervan te overtuigen dat er geen probleem is, terwijl dit duidelijk wel het geval is. De strandingen hebben aangetoond dat het geluid op zichzelf al dodelijk kan zijn. Bovendien vormt het lawaai een extra belasting van de ecosystemen in de oceaan die al van zoveel kanten worden belast. Is het echt nodig dat we tot het uiterste gaan?’
Ken Balcomb is een typische wetenschapper die gelooft in aanwijsbare oorzaken en gevolgen, maar hij vraagt zich soms af waarom die eerste spitssnuitdolfijn letterlijk bij hem voor de deur aanspoelde. ‘Het was vast toeval,’ zegt hij op hetzelfde strand waar het dier is aangespoeld, ‘dat dit dier en later nog meer soortgenoten naar een plaats zwommen waar ze de meeste kans hadden om geholpen te worden.’ Niet dat ze gered konden worden, want de meeste hadden ernstige, interne bloedingen. Balcomb gelooft dat zelfs de dieren die in zee zijn teruggeduwd niet lang daarna ook zijn gestorven. Het leek erop alsof de bijzonder intelligente dieren precies die mensen opzochten die begrip hadden voor hun beproevingen, zodat ze de alarmklok zouden luiden.
Het komt zelden voor dat een bioloog met een dergelijke situatie wordt geconfronteerd en de kans dat dit twee keer gebeurt, is miniem. Toch is dit precies wat Balcomb drie jaar na de massale stranding op de Bahama’s overkwam, in de buurt van zijn walvisonderzoekscentrum aan de andere kant van de Verenigde Staten in de staat Washington. Nadat een Amerikaanse torpedojager in de Haro Strait bij de grens van Canada in mei vorig jaar gebruik had gemaakt van sonar, begon een groep orka’s (zwaardwalvissen) zich volgens Balcomb en anderen zeer geagiteerd te gedragen. In de twee weken die volgden, spoelden enkele dode bruinvissen op de nabijgelegen stranden aan. In totaal stierven er minstens zestien bruinvissen na het sonargebruik. Wederom was Balcomb aanwezig om onderzoeksmonsters te verzamelen.
Dit keer concludeerde de Amerikaanse marine al snel dat haar niets te verwijten viel. Experts bekeken de video-opnamen die Balcomb van de orka’s had gemaakt en concludeerden dat hun gedrag binnen de normen viel. Als er al sprake was van afwijkend gedrag, dan lag dat waarschijnlijk aan het feit dat er boten met walvistoeristen in de buurt waren die voor geluidsoverlast zorgden. In het geval van de dode bruinvissen concludeerden de onderzoekers van de marine dat er tien een natuurlijke dood waren gestorven en zes waren overleden door ‘onbekende oorzaken’ – volgens hen eveneens een normaal percentage. De oefeningen van de Amerikaanse marine waren terecht gehouden en noodzakelijk om marinepersoneel te trainen in het opsporen van drijvende mijnen, stond er in het rapport, en er was geen enkele reden om manoeuvres in het gebied in de toekomst te beperken.
Balcomb werd boos toen hij dit las. Hij had vooral veel kritiek op de manier waarop de dieren waren onderzocht. De expert van de marine had alleen maar naar beschadigingen aan het gehoor gekeken, zei Balcomb. Ze had niet de moeite genomen te zoeken naar tekenen die erop wezen dat sonar misschien de oorzaak was geweest van het gedrag dat tot hun dood had geleid en ze had ook niet gekeken naar de dodelijke gasbelletjes en vetbolletjes die bij de stranding op de Canarische eilanden waren ontdekt.
Balcomb beschreef de stranding van de bruinvissen en de reactie van de marine terwijl hij op het strand aan de oostkant van zijn eiland naar een spitssnuitdolfijn zocht die enkele weken eerder was aangespoeld. Toen hij het dier uiteindelijk vond, was er weinig meer van over dan een skelet, maar wat hij zag, was zorgwekkend. De grote botten van de kop waren helemaal zwart en bedekt met rode vlekken, waarschijnlijk bloedvlekken die te wijten waren aan interne bloedingen.
‘Nog niet zo lang geleden zouden we hebben gedacht dat zo’n aangespoeld dier was aangevallen door haaien en daarom onder het bloed zat,’ zei Balcomb, ‘maar met onze huidige kennis moeten we de mogelijkheid overwegen dat de interne bloedingen het gevolg zijn van sonar. Het is een hele andere kijk op wat er met walvissen gebeurt en de gevaren waarmee zij in de oceaan worden geconfronteerd.
Marc Kaufman is verslaggever bij de binnenlandredactie van de Washington Post, waar hij de sonar-geschiedenis sinds 2001 volgt. Hij is al meer dan vijfentwintig jaar werkzaam als journalist, en heeft onder meer berichtgeving verzorgd vanuit India, Afghanistan, Vietnam en andere Aziatische landen. Tegenwoordig houdt hij zich bezig met wetenschap en gezondheid en de invloed erop van het Amerikaanse overheidsbeleid. Dit verslag schreef hij exclusief voor Ode.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |






You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.