|
|
Zij bouwen aan een betere wereld
Een nieuwe generatie sociale leiders is opgestaan. Het zijn mensen die hun creativiteit en passie inzetten voor de goede zaak. Zij kunnen dit doen, omdat open markten wereldwijd hebben gezorgd voor nieuwe mogelijkheden voor ontwikkelingswerk en maatschappelijk werk. Als ‘sociale ondernemers’ vinden zij nieuwe manieren om problemen aan te pakken – en ze zullen niet rusten voor ze hun doel hebben bereikt. Deze Ode gaat over die mensen die hun unieke talenten gebruiken om een zinvol bestaan te creëren, voor zichzelf en anderen.
Iedereen kent de dot.com-explosie, maar van de échte boom – de wereldwijde explosie van de dot.orgs – hebben miljoenen mensen nog nooit gehoord. En toch zal deze explosie enorme gevolgen hebben. Er ontstaat een sector die het begrip ‘werk’ een geheel nieuwe invulling geeft. Dit is het gevolg van een betere afbakening van de rol van de overheid, de ontwikkeling van nieuwe praktijken en manieren van zakendoen, en het creëren van mogelijkheden voor mensen om hun talenten op andere, positieve manieren te gebruiken. Dit alles is te danken aan ‘sociale entrepreneurs’, ofwel sociale ondernemers. Met hun krachtige ideeën over hoe je het leven van mensen kunt verbeteren – en de uitvoering hiervan in steden, landen en soms zelfs de hele wereld – hebben deze maatschappelijke vernieuwers ervoor gezorgd dat er elektriciteit is in de uithoeken van Brazilië, fair trade-koffie wordt verkocht, een 24-uurs hulplijn en -dienst is opgericht voor kinderen in nood, en dat gehandicapten in Hongarije via georganiseerde netwerken een beroep kunnen doen op hulp. Ook werken ze samen met kleine, financiële instellingen in afgelegen dorpen in Bolivia, stimuleren ze het lezen en de verspreiding van boeken in Zuid-Afrika, en zorgen ze ervoor dat studenten met weinig inkomsten in Washington naar de universiteit kunnen. Ze hebben een grote invloed op de maatschappij, en toch is hun constructieve bijdrage nauwelijks bekend en wordt deze niet op waarde geschat. Desondanks neemt het aantal sociale ondernemers toe. De term ‘sociale ondernemer’ is de afgelopen jaren populairder geworden. Vooraanstaande universiteiten in de Verenigde Staten geven cursussen sociaal ondernemerschap. Onder journalisten, filantropen en ontwikkelingswerkers begint de term gewoon te worden. De nadruk ligt echter vaak op de manier waarop bedrijfs- en managementvaardigheden kunnen worden toegepast om sociale doelstellingen te behalen, bijvoorbeeld hoe non-profitorganisaties commercieel kunnen handelen om inkomsten te genereren. Hoewel dit een belangrijke trend is, kunnen sociale ondernemers ook worden gezien als transformerende krachten: mensen met nieuwe ideeën om de grote problemen in de wereld aan te pakken, mensen die meedogenloos zijn in hun ambities, die met ‘nee’ geen genoegen nemen en niet opgeven voordat ze hun ideeën zo wijd mogelijk verspreid hebben. Steeds meer wordt sociaal ondernemerschap beschouwd als een roeping en vormt het een belangrijk gebied van onderzoek, niet alleen in de Verenigde Staten, Canada en Europa, maar ook in toenemende mate in Azië, Afrika en Latijns-Amerika. Over de hele wereld worden mensen met dezelfde problemen geconfronteerd: gebrekkig onderwijs, een ontoereikende gezondheidszorg, dreigende milieurampen, een afnemend vertrouwen in de politiek, diepgewortelde armoede, een hoge criminaliteit, et cetera. Maar in de arme landen moeten de sociale ondernemers met veel minder financiële middelen veel meer mensen bereiken, waardoor zij veel inventiever moeten zijn om op grote schaal resultaten te behalen. De opkomst van sociaal ondernemerschap kan worden gezien als een speerpunt van een opmerkelijke ontwikkeling die zich de afgelopen dertig jaar in de wereld heeft voorgedaan: de opkomst van miljoenen nieuwe burgerorganisaties. Zo’n vijfentwintig jaar geleden bestonden buiten de Verenigde Staten nog maar heel weinig NGO’s, niet-gouvernementele organisaties, die zich bezighouden met ontwikkelingswerk en maatschappelijk werk. Tegenwoordig zijn er miljoenen NGO’s, verspreid over de hele wereld. Peter Goldmark, tussen 1988 tot 1997 voorzitter van de Rockefeller Foundation, zegt: ‘Deze NGO’s zijn niet van de ene op de andere dag ontstaan. Hun aantal is enorm toegenomen, omdat de omstandigheden zich hiervoor leenden en de tijd er rijp voor was. Een groep sociaal bewogen mensen wilde de problemen oplossen die door de bestaande instellingen niet goed werden aangepakt. Oude formules werden overboord gegooid om plaats te maken voor nieuwe organisatievormen. Deze mensen creëerden meer vrijheid, meer doelmatigheid en meer maatschappelijke betrokkenheid.’ Een paar cijfers. Twintig jaar geleden bijvoorbeeld kende Indonesië nog maar één onafhankelijke milieuorganisatie. Tegenwoordig zijn er meer dan tweeduizend. In Bangladesh is de meerderheid van het ontwikkelingswerk in handen van 20 duizend NGO’s, die bijna allemaal in de afgelopen vijfentwintig jaar zijn opgericht. India heeft meer dan een miljoen van deze burgerorganisaties. Tussen 1988 en 1995 zijn zo’n 100 duizend burgerorganisaties begonnen in de voormalig communistische landen in Oost-Europa. In Frankrijk kwamen in de jaren negentig gemiddeld elk jaar 70 duizend burgerorganisaties bij; vier keer zoveel als in de jaren zestig. In Canada is het aantal geregistreerde burgerorganisaties sinds 1987 met meer dan vijftig procent toegenomen tot bijna 200 duizend. In Brazilië steeg het aantal geregistreerde burgerorganisaties in de jaren negentig van 250 duizend naar 400 duizend, een toename van zestig procent. Net als de handel in de zeventiende en achttiende eeuw heeft de burgersector zich in de meeste landen ontwikkeld van een zeer gesloten tot een meer open sector. De grootste obstakels – overheidsregulering, communicatiekosten en een slechte toegang tot kapitaal en scholing – zijn grotendeels weggenomen. Dit heeft ertoe geleid dat nu miljoenen mensen in deze sector actief zijn, en allemaal brengen zij behalve hun inzet ook nieuwe ideeën in. Historisch gezien zijn deze organisaties altijd met een negatieve term aangeduid – als non-profit of niet-gouvernementele organisaties. Tegenwoordig groeit de overtuiging dat ze een geheel nieuwe sector vertegenwoordigen, veelal aangeduid als de ‘onafhankelijke sector’, de ‘derde sector’, of de ‘burgersector’, de term die ik prefereer. Honderden universiteiten in de Verenigde Staten, waaronder Harvard, Stanford, Yale en Duke, geven cursussen en hebben centra opgericht waar deze sector bestudeerd kan worden. Non-profitmanagement-opleidingen, die een gebied bestrijken dat twintig jaar geleden nog niet bestond, zijn uitgegroeid tot een kleine bedrijfstak. Overheden en internationale organisaties, waaronder de Verenigde Naties en de Wereldbank, winnen steeds meer het advies in van burgerorganisaties. Steeds vaker werken bedrijven op het gebied van marketing met deze organisaties samen. In de komende jaren zullen in de kranten waarschijnlijk nieuwe rubrieken verschijnen die verslag doen van de burgersector, net zoals dit in de afgelopen jaren gebeurde voor het commerciële bedrijfsleven. Terwijl in New York City in de jaren negentig de totale werkgelegenheid met slechts vier procent toenam, steeg de werkgelegenheid in de burgersector met vijfentwintig procent. Een onderzoek dat is uitgevoerd door de John Hopkins universiteit in acht ontwikkelingslanden, wees uit dat de werkgelegenheid in deze sector tussen 1990 en 1995 twee en een half keer zo snel was gegroeid als in de economie als geheel. Deze veranderingen vertegenwoordigen een ingrijpende verschuiving in de manier waarop het ‘niet-commerciële’ of ‘sociale’ bedrijfsleven in onze maatschappij is georganiseerd. Over de hele wereld werden deze activiteiten gedomineerd door besluitvorming op centraal niveau en door instellingen – meestal de overheid – die organisatievormen dwingend van bovenaf oplegden, bijna als een soort planeconomie. Dit lijkt logisch vanuit het perspectief dat overheden verantwoordelijk zijn voor het vertalen van de wens van de burger naar overheidsbeleid en overheidsbestedingen. Toch zijn overheden vaak niet de aangewezen instanties om ‘sociale research & development’ uit te voeren, net zo min als zij de aangewezen instanties zijn om nieuwe ondernemingen te starten. Net als in het bedrijfsleven vereisen nieuwe ideeën en nieuwe modellen om problemen aan te pakken niet alleen veel tijd en energie, maar ook een doelbewuste, scherpe visie en een grote standvastigheid. De resultaten zijn afhankelijk van de mate waarin de maatschappij de vele verschillende talenten van miljoenen burgers gebruikt én koestert. Miljoenen mensen denken erover een bedrijf te starten, niet alleen om veel geld te verdienen, maar ook om hun ideeën vorm te kunnen geven en om de bevrediging die het werken voor jezelf met zich meebrengt. Ook de burgersector biedt tegenwoordig mogelijkheden een eigen bedrijf te starten. Met de juiste financiële en sociale stimuli zouden waarschijnlijk meer mensen hun eigen methode voor sociale verandering creëren, of anderen helpen sociale verandering teweeg te brengen. In de komende jaren zou sociaal ondernemerschap wel eens een van de populairste onderwerpen van gesprek op het gebied van carrièremogelijkheden kunnen worden. Er zit ook een persoonlijke kant aan dit verhaal. Mensen die zich willen inzetten voor sociale vernieuwing delen het verlangen van andere mensen in de wereld hun talenten te gebruiken om zekerheid, erkenning en een zinvol bestaan te creëren – en om plezier te hebben. Wat er de afgelopen jaren is veranderd, is dat de burgersector hiervoor nu een ruim scala aan mogelijkheden biedt, zodat mensen kunnen doen wat ze belangrijk vinden en waar ze goed in zijn; waardoor ze zich iedere dag kunnen bezighouden met datgene wat ze leuk vinden – en daadwerkelijk de wereld kunnen veranderen. Natuurlijk is niet iedereen een sociaal ondernemer en niet iedereen wil dat ook zijn, net zo min als niet iedereen een bedrijf wil starten. Maar bijna iedereen heeft nu wel de mogelijkheid om deel te nemen aan sociaal ondernemerschap. Omdat deze sector zo snel groeit en zich in zoveel richtingen uitbreidt, zijn er veel mogelijkheden voor mensen met allerlei interesses en vaardigheden. Burgerorganisaties hebben grote behoefte aan goede managers, marketingmensen, financieel deskundigen, pr-mensen, computerprogrammeurs, schrijvers, verkopers, kunstenaars, accountants, filmmakers, en ga zo maar door. Afhankelijk van de doelstelling van de burgerorganisatie is er ook behoefte aan journalisten, landbouwkundigen, scheikundigen, leraren, doktoren, juristen, biologen, architecten, songwriters, ingenieurs, technici, uitgevers, planologen, psychologen, et cetera. En in toenemende mate zijn er werknemers en managers nodig die de sociale aspecten en milieuaspecten van hun werk waarderen en die mogelijkheden zien om samen te werken met deze ‘andere’ bedrijfssector. Voor iedereen die ooit heeft gezegd: ‘Dit werkt niet’ of ‘Dit kan beter’, voor iedereen die vraagtekens plaatst bij de bestaande situatie en het systeem wil wakker schudden: nú is de tijd rijp!
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.