|
|
Het merk India
India is het nieuwe succesverhaal uit Azië. Toch dankt het zijn economische groei niet aan de uitverkoop van goedkope arbeid of grondstoffen, maar aan hersenkracht en talent. Jurriaan Kamp woonde jarenlang in India en beschrijft de wonderlijke ontwikkeling. ‘Als dit globalisering is, dan ben ik voor’.
Onlangs was ik getuige van een uitzending over de uitreiking van de Indiase ‘Oscars’. Ik wist dat in Bollywood (bij Mumbai, het voormalige Bombay) jaarlijks misschien wel meer films worden gemaakt dan in Hollywood. Na tussen 1985 en 1990 vier jaar in India te hebben gewoond, meende ik ook te weten dat die films zelden iets te bieden hebben aan een Westerse kijker. En dus stelde ik me niet veel voor van de uitreiking van de Indiase filmprijzen. Ik verwachtte vrouwen in sari’s die antieke heilige dansen uitvoeren. Esthetisch. Mooi. Maar eindeloos ver weg. Groot was mijn verbazing toen ik werd meegesleurd in een adembenemende show. Snelle, ritmische muziek. Ja, ook sari’s, maar op een of andere manier leek de traditionele Indiase klederdracht versmolten met Westerse mode. Dat was sowieso het kenmerk van de show: een versmelting van Oost en West. De inspiratie van MTV was herkenbaar, maar de uitvoering niet zo plat. Oogverblindende dansen waarin ‘cool’ ergens ‘vrouwelijk soft’ ontmoette. Ik dacht: als dit globalisering is, dan ben ik voor. Deze ontmoeting van culturen is een verrijking. Inmiddels weet ik dat de Indiase televisie niet alleen zulke shows biedt tijdens de jaarlijkse uitreiking van de filmprijzen. Het is een dagelijks aanbod. India is niet meer het land met één staatszender die monotone en onhandig geproduceerde nieuwsuitzendingen verzorgt. India is sinds mijn vertrek in 1990 ingrijpend veranderd. Decennialang deed India niet mee. Verscholen achter hoge tariefmuren werkten de Indiërs aan het ideaal van zelfvoorziening. Dat streven pastte – en past – bij hun trotse landsaard. De gesloten economie bracht wel een stortvloed aan inferieure kwaliteit met zich mee. Ruim tien jaar geleden dronken de Indiërs nog Campa Cola dat alleen wat betreft kleur aan de the real thing deed denken. Ze reden in auto’s die in de jaren vijftig waren ontworpen en die sindsdien elke innovatie hadden moeten ontberen. Telefoneren betekende vooral schreeuwen over krakende lijnen. Indiase blikjes bier werden gemaakt van een soort gietijzer; het was al een wonder als je ze openkreeg. Van de superieure kwaliteit van het Indiase wereldwonder de Taj Mahal bleek in de industrie niets terug te vinden. En de Indiërs spraken met zelfspot over de ‘hindoe-groei’ van hun nationaal inkomen, dat jaarlijks met gemiddeld drie procent toenam – nauwelijks voldoende om de bevolkingsgroei bij te houden. Ruim tien jaar later – in de zomer van 2002 – bracht ik weer een aantal weken in India door. In het tussenliggende decennium was ook India gezwicht voor de globalisering: de grenzen waren geopend. En India was onherkenbaar veranderd. Althans, dat deel dat níet de armoede is. Niet alleen de televisie biedt een andere wereld. Het straatbeeld van de metropolen Delhi en Mumbai wordt intussen ook bepaald door moderne auto’s en in de winkels lagen bekende internationale merken. Achter dat bekende beeld schuilt nog altijd een eigen Indiaas verhaal: vrijwel elk product dat in India wordt verkocht, wordt ook in het land zelf gemaakt. India importeert niet, India produceert. Tegenwoordig niet meer alleen, maar samen met internationale bedrijven. Echter: de meerderheid van de aandelen van de producerende bedrijven is doorgaans in Indiase handen. Het land dat in 1947 onafhankelijk werd met het ideaal van zelfvoorziening, blijkt er betrekkelijk goed in te zijn geslaagd om op eigen kracht deel te nemen aan het proces van globalisering. Die ontwikkeling trekt de aandacht. Op 8 december 2003 verschenen nieuwe edities van twee tijdschriften. In India kwam Outlook uit met op de omslag: ‘India: How does the world see the India “brand”?’. En in de Verenigde Staten kopte Business Week op de cover: ‘The rise of India. And what it means for the global economy’. Twee visies vanuit zeer verschillende perspectieven op hetzelfde verschijnsel: de plotselinge doorbraak van India in de wereldeconomie. Het Amerikaanse zakentijdschrift stelt met bewondering vast dat de Indiase economie – waarvan de groei op jaarbasis inmiddels boven acht procent is komen te liggen (het wereldwijde gemiddelde bedraagt drie procent) – de eerste ontwikkelingseconomie is die is gegrondvest op hersenkracht – en niet op spierkracht of natuurlijke hulpbronnen. India ontwikkelt zich als een softwarenatie. Steeds meer internationale bedrijven besteden hun softwareontwikkeling aan India uit. ‘We kunnen ons nauwelijks voorstellen dat we in een bedrijf investeren zonder dat we de vraag stellen welke plannen dat bedrijf heeft met betrekking tot India’, zegt een durfkapitalist in de reportage. Twintig procent van de Fortune-500-bedrijven heeft een onderzoek- en ontwikkelingscentrum in India. Maar niet alleen de Indiase software ingenieurs maken faam. Steeds meer Amerikanen ontdekken ook dat zij – als zij een vliegticket of een hotelkamer willen boeken – via een gratis 1-800-nummer uiteindelijk in gesprek raken met iemand in India. Want India bezit – in dit geval dankzij het kolonialisme – miljoenen goed opgeleide, perfect Engels sprekende arbeidskrachten. Engels is voor India meer dan een koloniale erfenis, het is de enige taal waarin alle Indiërs met elkaar kunnen communiceren. En de bevolking van een miljard mensen die met ruim twee procent per jaar groeit, betekent dat er jaarlijks óók meer dan 250 duizend nieuwe Indiase ingenieurs van Indiase scholen en universiteiten komen. Die ingenieurs beginnen hun loopbaan met een salaris van tienduizend dollar per jaar, ongeveer een achtste van het aanvangssalaris van hun Amerikaanse collega’s. En dus is nu al vijf procent van de Amerikaanse software-ingenieurs en bijna zeven procent van de elektrische ingenieurs werkloos. Dat is een trauma waaraan het Amerikaanse bedrijfsleven zich zal moeten aanpassen, aldus Business Week. Zoals China de productiekosten van tal van goederen omlaag bracht, zo verlaagt India de kosten van de dienstverlening. Maar het economisch effect is veel ingrijpender voor het Westen: de industrie – waar de goedkope concurrentie van China wordt gevoeld – neemt bijvoorbeeld nog geen 15 procent van de Amerikaanse economie en ruim 10 procent van de banen voor haar rekening; de kracht van India ligt op het gebied van de dienstverlening: 60 procent van de Amerikaanse economie en tweederden van de banen. Het progressieve Outlook – regelmatig het platform voor de uitgesproken kritische beschouwing van schrijfster Arundhati Roy op de huidige wijze van globalisering – stelt naar aanleiding van het economische succes de vraag: wat is India? Om te vervolgen dat het antwoord niet zonder haakjes kan worden gegeven: een groeiende moderne natie (waar zo nu en dan een bruid wordt verbrand), een seculier land (waar een militante hindoe-politicus tot deelstaatpremier kan worden verkozen), een tropisch land (met sneeuwbergen in het Noorden), een IT-natie (met één van de de laagste pc-penetraties in de wereld). Kortom, India is een caleidoscoop, het land is veel meer dan een plotseling en onverwacht economisch succesverhaal. En altijd is er de neiging tot relativering. Outlook citeert topman Mukesh Ambani van Reliance, de grootste particuliere onderneming van het land, die op een recent internationaal congres zei: ‘Wij kunnen laten zien dat er een wereld voorbij het materialisme bestaat.’ Die spirituele erfenis bepaalt nog steeds een groot deel van het merk India. Outlook: ‘Het is niet duidelijk waarom wij altijd de hoogste ratio van heiligen per duizend mensen hebben gehad. Of we zijn zo goed dat met enige regelmaat, één van ons onder een boom transformeert; of zo slecht dat we zoveel boodschappers nodig hebben om ons te redden.’ Niettemin constateert ook Outlook dat de ‘brains’ van India ook een deel van de internationale bekendheid van het land zijn geworden in de afgelopen tien jaar. Van een wazige handelaar in verlossing werd India een relevante speler in de materiële wereld. Er zijn maar drie landen in de wereld waar supercomputers worden gebouwd. India is er een van. En maar vijf landen die communicatiesatellieten lanceren. Inclusief India. Toch heeft India nog een lange weg te gaan. Met een aandeel van zeventien procent in de wereldbevolking draagt India slechts één procent bij aan de wereldhandel. Om die cijfers in perspectief te plaatsen: alleen al de groei van de in- en uitvoer van aartsrivaal China van het afgelopen jaar bedroeg het dubbele van de totale waarde van de Indiase handel. En de bejubelde opmars van India als computernatie betekent vooralsnog, dat net geen miljoen Indiërs werk vinden in softwarebedrijven. Dat is een druppel op een gloeiende plaat in een land met bijna een half miljard arbeidskrachten. Ook hier tekent zich een verschil af met de ontwikkeling van China, waar miljoenen boeren werk hebben gevonden in fabrieken. De Indiase ‘softwaregroei’ is van een hogere waarde, maar biedt veel minder banen. In het overvloedige arbeidspotentieel van India ligt niettemin ook een toekomstige kracht van het land. India is volgens de prognoses het enige land ter wereld waar de bevolking de komende vijftig jaar zal blijven groeien. En het was die aanwas van jonge arbeidskrachten die aan de basis lag van eerdere Aziatische economische successen. Outlook zet de schaduwzijden van het Indiase succesverhaal op een rij. India verdient niet meer dan twee procent van de wereldwijde software-inkomsten. De recente economische voorspoed bereikt maximaal twintig procent van de Indiërs – nog altijd 200 miljoen mensen. De inkomens van de boeren op het platteland – de andere tachtig procent van de bevolking – stagneren al vijftien jaar. En op het gebied van het terugdringen van de kindersterfte, de armoede en het analfabetisme zijn de Indiase resultaten aanzienlijk minder spectaculair. Maar misschien wel de belangrijkste winst van de recente economische ontwikkelingen is het toenemende zelfbewustzijn. ‘Het India dat wint’ luidt de slogan van de publiciteitscampagne waarmee de zittende regering de komende parlementsverkiezingen ingaat. India is trots. Trots op het feit dat van elke tien kledingstukken die in Wal-Mart wordt verkocht er tenminste één uit India komt. Trots op het feit dat Europeanen tegenwoordig in auto’s rijden die in India zijn geproduceerd. Trots ook op het feit dat India niet alleen assembleert en dient, maar ook maakt en bezit. En trots op al die landgenoten die vooroplopen in baanbrekende bedrijven (zie kader). Indiërs in het buitenland worden steeds meer gezien als ‘slim’ en als ‘talenten’ en steeds minder als vertegenwoordigers van een land van bizarre heiligen en van schrijnende armoede. Dat zelfbewustzijn zal geen directe gevolgen hebben voor de omstandigheden in de sloppenwijken van Calcutta. Maar het zelfvertrouwen vertaalt zich ook in groeiende ondernemerskracht. Daar ligt het bijzondere kenmerk van de recente Indiase ontmoeting met de globalisering. De shows op de televisie getuigen er bijvoorbeeld van, dat India eigen waarden weet te behouden en te ontwikkelen en niet verwordt tot een leverancier of een productiebedrijf voor de Westerse welvaart. India wordt een belangrijke economische partner, voorspelt Business Week. En, zo wil de optimistische visie, uiteindelijk zal de toenemende creatieve kracht van Indiase ondernemers ook de armoede in het land verdrijven. Ergens in het midden van de jaren negentig heeft het publieke imago van India een facelift ondergaan, gevolgd door een liposuctie en daarna nog een paar welgemikte ingrepen rondom de navel. Na afloop heeft het nieuwe, strakke India zich vol overgave gestort op de siliconen – met als afzender Silicon Valley, in de Verenigde Staten. Hele drommen Indiase computerbreinbazen, durfkapitalisten en snelle jongens hebben van Californië hun eigen speeltuin gemaakt. Het kroost van de Indiase immigranten was inmiddels ook volwassen en besloot Wall Street te belegeren of stormenderhand het Congres binnen te dringen. Ze hoorden voor hun gevoel bij een jonge, invloedrijke elite en stapten vol zelfvertrouwen door de wandelgangen van het Amerikaanse parlement. Clichés gingen voor de bijl, het exotische werd ingeruild voor extra salaris en de heiligste koe was een netwerkserver. Tien jaar kan een hoop verschil maken. Je hoort tegenwoordig veel minder van die geijkte opmerkingen ‘dat je zo goed Engels spreekt’, gevolgd door flauwe vragen over olifanten. Nu ligt het commentaar ‘wat zijn jullie toch slim in India!’ veel eerder voor de hand. En daar komt bij dat yoga door de goeroes en oplichters heel gangbaar is geworden, net als bindi’s door Madonna, indipop door de hiphop-muzikanten en jurken met een sari-snit dankzij de uitreiking van de Oscars. De organisaties voor Indiërs in Engeland kunnen haast niet geloven wat er allemaal gebeurt. ‘Made in India’ is inmiddels niet alleen fatsoenlijk, maar voor dat iemand het in de gaten had ineens razend populair. Een Indiase manager van een Franse bank in Londen zegt: ‘Het verschil is dat de mensen nu beseffen waartoe we zoal in staat zijn. Vroeger dachten ze dat India alleen maar een land was waar curries vandaan komen.’ Te lang is India een markt geweest voor Engeland, maar nu wordt dat land een afzetmarkt voor India. Het komt erachter wat de Indiër in India zelf vermag. Bij duizenden tegelijk Britse banen inpikken, bijvoorbeeld. Contracten overnemen die Britse bedrijven als hun verworven recht beschouwen. Posities innemen binnen multinationals op een niveau dat voorheen ondenkbaar was. Kijk eens naar een paar feiten: de geestelijke vader van de Pentium-chip is Vinod Dham, ooit begonnen met acht dollar. Vinod Khosla leidt een van ’s werelds machtigste participatiemaatschappijen. Sabeer Bhatia heeft hotmail uitgevonden en Rangaswami Srinivasan heeft de oogcorrectie met lasertechniek ontwikkeld. De feiten worden alleen maar hartverwarmender wanneer je de Amerikaanse organisaties nader beschouwt. Er zijn 1,6 miljoen Indiërs in de VS die 0,6 procent van de bevolking uitmaken, maar ze vormen de snelst groeiende en meest welvarende minderheid. Bill Gates heeft bevestigd dat eenvijfde van alle technici bij Microsoft uit India afkomstig zijn. Bijna twaalf procent van alle Amerikaanse artsen hebben een Indiase achtergrond. Het geschatte gezamenlijke jaarinkomen van de Indiërs in Silicon Valley: zestig miljard dollar. SEEMA SIROHI en SANJAY SURI
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.