Email   Print

Uitgekleed

Nooit gedacht mij nog eens te tooien in ecologisch en sociaal verantwoorde kleding. Ik vond het maar wrang: de keuze tussen mooi en verantwoord. Poncho’s uit de wereldwinkel? Hennepbroeken van de biologische winkel? Afgedragen overhemden uit de kringloopwinkel? Niets voor mij. Natuurlijk, ik had gehoord van de sweatshops, de naaiateliers waar werknemers en soms kinderen worden uitgebuit. Ik had ook gelezen dat katoen de meeste landbouwchemicaliën gebruikt. Toch vond ik mezelf steeds weer in de grotere kledingwinkel. Mijn modegevoeligheid won het telkens van mijn betrokkenheid. Maar er komt een moment dat je te veel weet en niet meer terug kan. Dat je beseft dat de keten van de katoenboer via de ververij tot aan het naaiatelier een aaneenschakeling van misstanden en onrecht – zelfs van dood en verderf – blijkt. Dat je gewoon mooie kleren wil waarvan je weet dat ze níet zijn gemaakt met gif en zweet. Dus ben ik verder gaan zoeken. Inderdaad, met een zaklamp, maar wie verantwoorde kleding wil, heeft een reeks aan mogelijkheden. Deze Ode zet er een aantal voor u neer. Intussen probeerde ik het traject van mijn eerste biologische, fair-trade shirt terug te reizen – en ik kwam terug met twee verhalen.

Marco Visscher | 65 april 2004 issue

Een lastige: wat is de overeenkomst tussen een katoenboer en een rockster? Ze lopen een verhoogd risico op zelfmoord. Als ik eraan denk, raak ik nog altijd van streek. Een tijdje geleden vernam ik aan Ode’s leestafel van de Indiase katoenboeren die maar één uitweg zien uit hun ellende: het opdrinken van hun landbouwchemicaliën. In het Indiase Down To Earth las ik hoe zij zich tot over hun nek in de schulden hebben gestoken om pesticiden aan te schaffen en vervolgens ontdekten, dat de plaag resistent was geworden tegen dit gif. De plaag sloeg toe, de opbrengst van de oogst daalde. Nieuwe katoenzaden en landbouwchemicaliën werden op krediet gekocht. Maar de oncontroleerbare plaagaanvallen werden regel. Van sommige boeren werd het land afgenomen, omdat ze hun schulden niet meer konden terugbetalen. Anderen pleegden zelfmoord en lieten hun gezin achter met een torenhoge schuld. Ik had nog nooit een katoenplant of een katoenboer gezien. Als T-shirts en spijkerbroeken aan bomen zouden groeien, was de relatie tussen producent en consument zo veel zichtbaarder; nu zitten er nog heel veel stappen en al gauw duizenden kilometers transport tussen het katoenzaadje en het eindproduct. Maar de boeren over wie ik las, waren onherroepelijk verbonden met de kleding die ik droeg. Dit wilde ik eigenlijk helemaal niet weten. Dat vinden kennelijk meer mensen. Want waar suïcidale popidolen sterven in aanbidding en kunnen rekenen op internationale pers, gaan katoenboeren in ontwikkelingslanden stilletjes ten onder. Het lijkt wel of politici, ondernemers en wetenschappers net zo resistent zijn geworden voor de noodkreet van deze boeren als de plaag voor de chemische verdelgers. En consumenten? U en ik? Wij weten het vaak gewoon niet. Toch kan niemand om de feiten heen. Katoen wordt gemiddeld zes tot tien keer per seizoen ‘verrijkt’ met pesticiden die een sterke cocktail van chemicaliën bevatten, waarvan sommige kankerverwekkend zijn en andere overtuigend in verband worden gebracht met hoofdpijn, duizeligheid, longontsteking, astma, geboorteafwijkingen en depressiviteit – wat de stap naar zelfmoord overigens kleiner maakt. Fabrikanten zijn verplicht de bijwerkingen op het etiket te vermelden, maar veel boeren in ontwikkelingslanden kunnen niet lezen. De beschermende kleding die tijdens het spuiten wordt aanbevolen, is doorgaans veel te warm om te dragen in het warme klimaat. Toch waren het deze middelen die veel boeren hoop hebben gebracht op een glansrijke toekomst. Eind jaren zestig werden ontwikkelingslanden overspoeld met het nieuwe wonder van Westerse technologie: landbouwchemicaliën. Deze ‘Groene Revolutie’ zou binnen één generatie een einde maken aan de eeuwenlange traditie van moeizaam boeren in onzekere klimatologische omstandigheden. Katoenvelden brachten hogere opbrengsten dan ooit gedroomd. Tijdrovende handarbeid maakte plaats voor het gemak van de gifspuit die succesvol een einde maakte aan de voortdurende dreiging van plagen en insecten. Goedkoop waren de producten ook nog, want de overheid betaalde een flinke duit mee. De droom van iedere boer was uitgekomen. De morning after liet enkele seizoenen op zich wachten, maar toen was de conclusie onvermijdelijk: plagen en insecten werden resistent tegen de gebruikte middelen. Boeren hadden nieuwe middelen nodig – en méér. Intussen was onder internationale druk de subsidie van de overheid teruggedrongen: boeren moesten alles zelf betalen. Zo begon een neerwaartse spiraal. De nachtmerrie van iedere boer was uitgekomen. Een paar cijfers nog: twintig procent van het wereldwijde gebruik van insecticiden wordt ingezet in de katoenteelt. Voor een gemiddeld T-shirt is 250 gram katoen en 125 gram bestrijdingsmiddelen nodig: een ongekende verhouding in de moderne landbouw. Geen katoen meer dan? Maar: synthetische stoffen zijn moeilijk afbreekbaar en bij de raffinage van aardolie – grondstof voor synthetische vezels – treedt zware luchtverontreiniging op; voor viscose moeten bomen worden gekapt; leer heeft tijdens het looien ook een onwaarschijnlijke cocktail van chemicaliën nodig; voor één vierkante meter zijde worden zo’n honderd levende rupsen in kokend water gegooid om de cocons af te wikkelen. Wol dan? Het scheren van schapen schijnt bepaald niet zachtzinnig te gaan en als lammetje hebben ze een andere pijnlijk ingreep ondergaan: uit voorzorg tegen een nare ziekte is een flink stuk huid en vlees van het achterwerk afgesneden – zonder verdoving. En voor ze worden geschoren, worden ze door een bad van pesticiden gehaald. Hennep, ten slotte, is een verhaal apart. Dat veelbelovende gewas is door de politiek helemaal buitenspel gezet, omdat één variant kan worden gebruikt om de geest te verruimen. Maar dan nog. Katoen is niet voor niets de belangrijkste grondstof voor kleding en textiel: het zit gewoon het best. Over de omstandigheden in de naaifabrieken – helemaal aan het andere uiterste van het productieproces – wist ik iets meer. De laatste jaren hebben actiegroepen al veel sociale misstanden openbaar gemaakt: kinderarbeid, lage lonen, het verbod op vakbonden. In No Logo, het populaire boek van Naomi Klein over de wijze waarop grote bedrijven de moderne wereld vormgeven, las ik met verbijstering over naaisters die onder werktijd niet naar de wc mochten, maar in een plastic zakje – onder hun machine – moesten plassen. Dergelijke onmenselijke werkomstandigheden staan niet op zichzelf. Zeker in de drukke aanloop naar kerstmis kunnen de orders zo hoog zijn, dat werknemers verplicht moeten overwerken – soms tot twee uur ’s nachts om de volgende ochtend weer om zeven uur te beginnen. Wie oververmoeid raakt en even de concentratie verliest, kan van de supervisor een lijfstraf verwachten. Wanneer menstruatieverlof al is geregeld, moeten vrouwen via een vernederende procedure het fysieke bewijs leveren door voor de fabrieksdokter hun onderbroek uit te trekken. Zwangerschap betekent meestal ontslag. Kon het werkelijk zo zijn, dat de kledingstukken in mijn klerenkast onder deze omstandigheden zijn gemaakt? Wanneer de Schone Kleren Kampagne weer eens een actie was begonnen om druk uit te oefenen op een kledingwinkel, vulde ik wel eens zo’n voorgedrukt protestkaartje in. Maar een maand later kon ik mezelf weer terugvinden in dezelfde winkel die ikzelf had opgeroepen tot goed gedrag. Een mens heeft toch af en toe nieuwe kousen nodig. En hoe wist ik of de concurrentie het beter deed? De protestacties hebben zeker succes gehad. Een aantal kledingbedrijven zijn erdoor gestimuleerd een gedragscode op te stellen. Daarin staan enkele essentiële arbeidsrechten vermeld, bijvoorbeeld het recht op een eerlijk loon. Maar veel codes zijn abstract en onvolledig, klagen actiegroepen als de Schone Kleren Kampagne en No Sweat. Wanneer is een loon ‘eerlijk’? Verder reppen codes niet van het recht op een vakbond, zijn ze vaak niet vertaald in de lokale taal van de werknemers en worden ze niet gecontroleerd door een onafhankelijke instelling. Het grote probleem in de kledingindustrie is het complexe systeem van contractanten: ondernemingen die orders uitbesteden aan kleinere fabrieken, die weer een deel van het werk uitbesteden aan andere fabrieken, et cetera. Hierdoor voelt niemand zich verantwoordelijk voor de slechte omstandigheden. Kledingfabrieken zeggen dat ze zich houden aan de wet en dat ze hetzelfde eisen van hun toeleveranciers. Dat kan wel waar zijn, maar in ontwikkelingslanden zijn wetgevers even soepel en corrupt als de arbeid goedkoop is. Dat moest ik maar eens met eigen ogen zien. En zo stond ik ineens in Tirupur. Deze stad in zuid-India wordt ook wel ‘T-shirt Town’ genoemd. Van alle T-shirts die vanuit India naar de rest van de wereld wordt geëxporteerd, komt bijna de helft uit Tirupur. Vermoedelijk zo’n 300 duizend mensen in Tirupur hebben werk gevonden in de kledingindustrie. Officiële cijfers zijn moeilijk te achterhalen, omdat veel werk wordt verricht in de informele sector, bijvoorbeeld door vrouwen die thuis een naaimachine hebben staan. De stad groeit nog altijd. In de stad en de regio wonen ongeveer een miljoen mensen. S. Muthukumarasamy begon twintig jaar geleden te werken in de kledingindustrie. U zegt het, híj heeft het gedaan: verven, printen, strijken, labelen, snijden, naaien, noem maar op. Nu geeft hij leiding aan een vakbond. ‘Toen ik begon met werken,’ begint Muthukumarasamy, ‘waren er maar vijfhonderd fabrieken, nu zijn dat er vierduizend. De stad was erg eenvoudig. We hoopten dat de stad zou verbeteren met de komst van zo veel werkgelegenheid, maar het is alleen maar slechter geworden. De voorzieningen zijn dramatisch. Het water is hier duur omdat het van ver buiten de stad moet worden aangeleverd. De rivieren in de buurt zijn vervuild en veel mensen wonen in erbarmelijke omstandigheden. Dat is wat de kledingbedrijven Tirupur hebben gebracht: heel veel banen, maar vooral ook milieuvervuiling en uitbuiting.’ Er is veel kritiek op de vakbonden in Tirupur. Werknemers vinden dat ze niet voldoende opkomen voor hun belangen. Ze strijden weliswaar voor betere betaling, maar zelden voor betere werkomstandigheden. En over de belangrijkste problemen in Tirupur – het vervuilde water en de hoge kosten van levensonderhoud – wordt niet onderhandeld. Bovendien staat lidmaatschap gelijk aan problemen op de werkvloer – nóg meer problemen. Zo probeert G. Basker, werkzaam bij een fabriek die de katoenstof strijkt, een hoger loon af te dwingen via de vakbond. Volgens de officiële ‘bodemlonen’ – een afspraak tussen de grotere vakbonden en de vereniging van fabriekseigenaren – zou Basker 130 roepies per dag moeten verdienen, maar hij krijgt er 105. Sinds hij zijn strijd voert, krijgt Basker ‘mentale marteling’, zoals hij het zelf noemt. Op het kantoor van de vakbond wil Basker wel vrijuit praten. ‘De supervisor schreeuwt voortdurend tegen me. Hij scheldt me uit en vernedert me. Vaak word ik gedwongen om twee ploegendiensten achter elkaar te draaien, maar ik krijg nooit de beloofde premie voor nachtwerk. Hij wacht het moment af dat ik een fout maak, zodat hij me kan wegsturen. Ik vind heus wel weer een baan, maar overal in Tirupur kom je dezelfde problemen tegen.’ Als je een kijkje neemt in een fabriek, zul je altijd een mooi plaatje voorgeschoteld krijgen. De taxichauffeur in Tirupur was niet de eerste die me deze waarschuwing gaf. De ventilatoren zullen aanstaan, alle lampen zullen volop schijnen, maar zodra je weg bent, gaat alles weer uit om kosten te sparen. Je krijgt een keurig schone wc te zien, maar dat is niet de wc waarvan werknemers gebruik mogen maken. Bovendien zullen ze niet vertellen dat niemand onder werktijd naar de wc mág. Je mag wel met werknemers praten, maar nooit zonder de manager of de supervisor erbij. En als je onaangekondigd komt, word je geweigerd bij de bewaakte poort. Ze zullen zeggen dat de manager net vertrokken is en pas over een week terug is. Ofwel: in Tirupur is niets zoals het lijkt. Bij Goodway Garments ben ik welkom in de fabriek. Maar – en hé, dat is nou jammer – alleen op zondag schikt het, de enige vrije dag van de week. Daar, in de lege fabriekshal, ontvangt de 27-jarige R.T. Gangadharan mij als een oude bekende. Hij is manager over deze afdeling, nadat hij hier ongeveer alle baantjes heeft gehad die je maar kunt hebben. Over de toekomst raakt Gangadharan niet uitgepraat, want dán, ja dán, zal alles beter zijn. ‘Nu moet India een offer brengen, maar later zal ons land grote successen boeken’, vertelt hij enthousiast. ‘Net als Japan, dat na de Tweede Wereldoorlog ook één generatie heeft opgeofferd om nu bij de economische wereldtop te zitten.’ Welk offer India nu betaalt? ‘We krijgen alleen het werk, niet het geld’, weet Gangadharan. ‘Mensen in Tirupur hebben honger. Ze sterven in armoede, zoals in heel India. Dus hebben we meer geld nodig. Daarom nemen we ieder baantje dat we kunnen krijgen, ook al is het slecht betaald en ook al zijn de omstandigheden soms slecht. Wij willen vooruitkomen in de wereld. Maar er is één ding dat ik niet begrijp: als er zoveel winst wordt gemaakt door de kledingbedrijven, waarom zien wij er dan niets van terug?’ De vraag overvalt me, en meer nog Gangadharans vragende blik – alsof hij het antwoord werkelijk niet zou weten. Ik begin te vertellen over het gebrek aan ketenaansprakelijkheid. Dat westerse bedrijven zich mogelijk verschuilen achter contractanten die hun werk uitbesteden zodat zij door hun klanten of een juridische instelling niet kunnen worden aangesproken op onverantwoord gedrag. Gangadharan knikt bedachtzaam. Zoiets vermoedde hij al, ja. Hij krijgt ook maar orders van zijn directeur en dan ziet hij weer op de fax dat de opdrachtgever in Mumbai (Bombay) of New Delhi zit. Raar vindt hij dat. Als je zo’n tussenpersoon uitschakelt en rechtstreeks zakendoet met een kledingmerk, overpeinst Gangadharan wel eens, kun je meer verdienen – of besparen, in termen van de opdrachtgever. Voor ongeschoolde migrantarbeiders – die uit de landelijke gebieden zijn vertrokken, op zoek naar werk – is het leven in de kledingindustrie extra zwaar. Zij hebben vaak geen vaste contracten, doen het zwaarste en smerigste werk, hebben, maken de langste dagen en krijgen het minst betaald. Ze werken met name in de achthonderd verf- en bleekfabrieken in Tirupur, die samen – en knipper alvast maar met uw ogen – zo’n 60 duizend kilo chemicaliën per dag verbruiken. Hoe? Stof wordt gebleekt door mannen met opgestroopte broekspijpen in een bad met bleekmiddel, waarin het schadelijke sodiumhypochloride zit. Ook tijdens het werk in een bad van zwavelzuur zijn er geen beschermende maatregelen. Het werk met de chemicaliën uit de ververijen wordt in verband gebracht met huidproblemen en haaruitval. Wanneer handschoenen beschikbaar zijn, blijken die soms niet te passen om de volwassen mannenhanden of ze zijn gescheurd. Mondkapjes zijn zelden beschikbaar, waardoor werknemers kampen met ademhalingsproblemen en aanhoudende hoofdpijn. Dan zijn er meestal nog een aantal nabehandelingen met chemicaliën die de stof krimp- of kreukvrij of brandwerend moeten maken. Mijn gedachten gaan uit naar het felgroene T-shirt dat ik onlangs kocht: heeft díe verf óók zo’n schade aangericht? We staan langs een rivier naast een gemeenschappelijke waterzuiveringsinstallatie, S.M. Prithiviraj en ik. Híj gooit het hoofd in de nek en moet onbedaarlijk lachen, ík kan mijn ogen niet geloven. Deze vervuilde rivier is eerder een grote poel met donker gekleurde verf en een flinke schuimkraag dan iets wat lijkt op water. Waarom Prithiviraj moet lachen? Hij heeft met zijn organisatie CARE (Community Awareness Research Education) al zo vaak watermonsters laten onderzoeken; het stadium van ongeloof is hij allang voorbij. Op deze plek is de totale hoeveelheid opgeloste deeltjes in het water – die de mate van vervuiling aangeven – twintig keer hoger dan toegestaan. Bacteriën die ten minste nog een deel van de vervuilende stoffen zouden kunnen afbreken, zijn al lang gesneuveld in het mengsel van zware metalen, zuren en logen, oplosmiddelen en wasverzachters. Tirupur is een angstaanjagend voorbeeld van de effecten van de kledingindustrie op het milieu. Prithiviraj heeft berekend, dat iedere dag ongeveer 60 duizend kilo aan chemische slik wordt gedumpt aan de rand van de stad en dat zo’n 40 miljoen liter afvalwater dagelijks ongezuiverd de rivieren instroomt. Het water is ongeschikt voor consumptie, huishoudelijk gebruik of landbouw. Toch zijn de armste mensen aangewezen op dit water, omdat schoon water steeds duurder wordt en omdat het enige in de fabriek beschikbare water soms geel of bruin is gekleurd. De bouw van de zuiveringsinstallaties beschouwt Prithiviraj als één grote, misplaatste grap – en niet eens omdat maar liefst tweederde van alle fabrieken hier, tegen alle afspraken in, geen gebruik van maakt. Prithiviraj: ‘Ze zijn gebouwd om de indruk te wekken dat alles in orde is, maar in Tirupur is níets in orde. De fabrieken zijn bij de bouw niet eens voorzien van de juiste technieken om het afvalwater werkelijk te reinigen. Dit was niet de opzet. Ze zouden vervuild water omzetten in puur, kleurloos en schoon drinkwater.’ Hier heeft de regionale overheid miljoenen euro’s in geïnvesteerd. Uitgerekend de bleek- en verfprocessen – en de katoenteelt – blijven doorgaans achterwege bij de sociale gedragscodes van kledingfabrieken, waardoor de impact van de industrie op het milieu over het hoofd. Nu kunnen u en ik het er misschien over eens worden, dat Westerse kledingbedrijven daaraan eens iets moeten doen. Maar wat doe je in de tussentijd? Net terug uit India liep ik door de drukste winkelstraat van mijn stad. De etalages schreeuwden hun aanbiedingen en stuntprijzen naar me toe. Terwijl ik voorbij loop, drommen hordes mensen de winkels binnen.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.