Email   Print

Aangekleed

De terugreis van een biologisch, fair-trade shirt.

Marco Visscher | 65 april 2004 issue

Van het onthaal hád ik me misschien ook te veel voorgesteld. Gegrinnik. Vrolijke gezichten. Een stralende lach. Glinstering in de ogen. Misschien zelfs onstuimig gejuich en een klaterend applaus. Zo vaak zal het toch niet voorkomen, dat een Indiase fabriek Europees bezoek krijgt voor een soort consumentenonderzoek? Helaas. De ontmoeting met de mensen die mijn shirt in elkaar hebben gezet, bracht geen enkel teken van opwinding. Click here to buy. Zo begon het: mijn eerste shirt van biologisch katoen, één met lange mouwen. Deze keer stond ik niet te speuren tussen de rekken van de kledingwinkel, maar zat ik achter de computer, te klikken op een website voor ‘ethische kleren’. De site van het Britse Gossypium waarop ik was beland, biedt een bepaald niet onaantrekkelijk assortiment van biologische, fair-trade kleding: precies wat ik zocht. Zowel voor het telen van het katoen als voor de industriële verwerking ervan doet Gossypium zaken met India. En zo kwam het dat ik tijdens mijn reis – een terugreis van mijn eerlijke shirt – een kleine fabriekshal binnenliep, waar zo’n veertig werknemers bezig waren met het snijden, naaien, controleren en verpakken van exact dezelfde shirts – maar dan blauw. Rahman kijkt op van de lap stof onder zijn naaimachine. Ja, hij werkt hier graag. Het salaris is goed, werkdagen tellen acht uur en overuren worden dubbel uitbetaald. Oké, misschien is Rahman zo lovend over zijn werk omdat zijn manager pal naast hem staat. Maar misschien is deze fabriek inderdaad wel een van de weinige positieve uitzondering in de kledingindustrie. De locatie van de fabriek: Tirupur – u weet wel, die stad van uitbuiting en vervuiling (zie Uitgekleed). Kennelijk kan het ook anders. En toch zegt Sundara Murthy, oprichter en eigenaar van Hero Fashion: ‘Mijn fabriek is niet slecht, maar ook niet super.’ Is het valse bescheidenheid van een weinig spraakzame ondernemer? Of is het naïviteit over de strategie van zijn concurrenten? Want Murthy lijkt oprecht verbaasd als ik inbreng, dat veel werknemers in Tirupur klagen over de povere betaling en mensonterende werkomstandigheden. In ieder geval wijkt Hero Fashion op één manier af van de overige fabrieken in Tirupur: de keuze voor industriële bewerking van katoen van biologische teelt. Drie jaar geleden heeft Murthy die keuze gemaakt, toen hij zag dat alle ondernemingen in Tirupur zich in dezelfde concurrentiestrijd begeven. Hij zocht naar een niche in de markt – en vond die in de industriële verwerking van biologische katoen. Mooi meegenomen trouwens, dat biologische katoenteelt ook nog beter is voor het milieu. Wie in Tirupur vraagt naar een fabriek met goede werkomstandigheden komt – zoals Murthy vermoedelijk al wist – niet bij Hero Fashion terecht, maar hoort doorgaans twee namen: Prem Group en Arora Fashions. Beide beschikken over het SA8000-certificaat, de internationale standaard voor een menselijke werkplek. Bij Prem Group – die produceert voor het Zwitserse Switcher – blijft de poort angstvallig gesloten, omdat voor het bezoek niet bij de juiste persoon toestemming was verkregen. Bij Arora Fashions – met diverse Europese klanten – wordt minder moeilijk gedaan. Te midden van oorkondes, felicitaties en andere bewijzen van goed gedrag legt personeelschef A. Murali uit waarom Arora Fashions zich inzet voor een werkbare omgeving. ‘Simpel, omdat mensen harder en beter werken als ze zich goed voelen. Verzuim is bij ons veel lager dan bij andere fabrieken, onder meer omdat wij investeren in programma’s rondom gezondheid, hygiëne en sociale vaardigheden.’ Het klinkt als het droomscenario van SAVE (Social Awareness and Voluntary Education), een lokale organisatie die in Tirupur samenwerkt met fabriekseigenaren om de werkomstandigheden te verbeteren. Het mobieltje van directeur A. Aloysius kan kennelijk niet worden uitgeschakeld, maar tussen de telefoongesprekken door vertelt hij me over het grote succes van de afgelopen jaren, mede dankzij de inspanning van SAVE en internationale actiegroepen: de uitbanning van kinderarbeid – ‘Nou ja, bijna dan’. En wat nog beter is: er zijn meer en betere scholen gekomen waar de kinderen nu onderwijs kunnen volgen. ‘In het begin vonden ze ons alleen maar lastig’, vertelt Aloysius. ‘We zouden te veel eisen, geen rekening houden met hun concurrentiepositie en aan de pers doorvertellen hoe slecht ze zijn. Maar we hebben langzaam het vertrouwen gewonnen. Nu zijn we steeds meer fabrieksdirecteuren aan het adviseren over verbeteringen. Ze denken vaak dat we alleen voor het beëindigen van kinderarbeid zijn – en dat is ook de nadruk die veel Westerse bedrijven leggen – maar er is iets wat veel belangrijker is: het recht op collectieve arbeidsonderhandelingen. Pas als werknemers zich vrij kunnen organiseren in een vakbond zullen ze echt verbetering kunnen afdwingen.’ SAVE was evenwel níet de drijvende motor achter het bedrijfsbeleid van Arora Fashion, onderstreept Murali. Het is níet ontworpen op verzoek van klanten en ook níet onder druk van internationale actiegroepen. Sinds de opening van de Arora-fabrieken in 1990 is geïnvesteerd in het welzijn van de werknemers als een vanzelfsprekendheid. ‘Uiteindelijk’, vindt Murali, ‘gaat het om het welzijn van de samenleving – en die is meer gebaat bij gezonde en tevreden mensen.’ Het label in mijn nieuwe shirt meldt dat het in India is gemaakt. Het geeft aan dat het 100 procent katoen is, biologisch nog wel. Het geeft handige tips voor het wassen en strijken. Het raadt me verder af dit shirt dicht bij het vuur te houden – alsof ik dat van plan was – maar waar ik ook zoek, ik kan niet terugvinden welke verf is gebruikt. Dat blijkt niet bijzonder opvallend milieuvriendelijke verf te zijn. De ververij, even buiten Tirupur, gebruikt wel zuurvrije verf, zónder de waslijst aan chemische ingrediënten die in Europa op de zwarte lijst staan, maar heel soms toch nog verborgen zitten in kleding. En wat de fabriek al een van de uitzonderingen maakt in Tirupur: het dumpt zijn afval niet in de rivier, maar het afvalwater wordt gezuiverd en opnieuw gebruikt. Toch kan het – opnieuw – nog beter, óók in Tirupur. De coöperatieve ververij Kaytee verwerkt alleen met de hand geplukt en met zuurstof gebleekt biologische katoen. De verven waarmee garensoorten worden geproduceerd, bevatten geen zware metalen. Ook verven met bestanddelen die allergieën kunnen veroorzaken of de verdenking op zich hebben kanker te veroorzaken, worden geweerd. Terug naar mijn shirt. De katoenvezel die met de vrachtwagen naar de fabriek van Murthy in Tirupur wordt vervoerd, komt uit de deelstaat Gujarat, in het westen van India. Hier haalt Gossypium het katoen vandaan dat wordt gebruikt in zijn kleding – en dus in mijn shirt. Die kant reis ik op. Drie binnenlandse vluchten later sta ik oog in oog met de katoenproducent die misschien wel heeft bijgedragen aan het shirt dat ik draag. Harjibhai Patel schakelde zo’n vijf jaar geleden over op biologische teelt toen hij een verband ontdekte tussen zijn gezondheidsklachten en zijn bestrijdingsmiddelen. ‘Als ik had gespoten op het veld’, zegt hij, ‘kwam ik thuis met hoofdpijn en duizeligheid, vooral als het warm was.’ En warm is het hier vaak, in Kutch, een rustig stadje in Gujarat. Het grootste verschil tussen toen en nu? Patel: ‘Boven mijn biologische veld zie je nu weer vogels en er zijn bijen en insecten. Vroeger, als ik had gespoten, wilde zelfs een hond niet meer over mijn veld lopen.’ Inmiddels verbouwt Patel ook andere gewassen op zijn veld, zoals hij mij laat zien. Het is hartje winter, maar voor een Noord-Europeaan als ik voelt de zon op dit middaguur aan als een helse hitte. Patel wijst hier en daar op de gewassen die hij verbouwt: peulvruchten, sesamkruid, pinda’s. Hij produceert nu ook voor eigen consumptie. Dat is een luxe die veel andere katoenboeren in India niet hebben, weet hij. Zij hebben ingestemd met de wens van hun zaadverkopers om katoen op hun héle veld te telen. Zij zijn extra kwetsbaar voor een tegenvallende oogst en moeten vervolgens nog hun eigen voedsel kopen. Dat zal Patel niet snel gebeuren. Een biologische katoenboer móet juist werken met wisselbouw om te voorkomen dat telkens dezelfde schadelijke insecten en plagen opduiken en hun effect sterker wordt. Wel kost de biologische teelt meer tijd en energie. Voorheen gooide hij een tank vol met chemicaliën, bond de tank op zijn rug en liep over de planten te spuiten. Nu komt er veel meer handarbeid bij kijken. Leuk werk, daar niet van, zegt hij. Met zijn familie kan hij nu de oogst doen. Het bespaart hem bovendien grote investeringen in dure machines. De kans dat Harjibhai Patel werkelijk de leverancier is van het katoen in mijn shirt is uiteraard niet groot; er zijn zo’n tachtig kleinschalige, biologische katoenboeren met wie Gossypium samenwerkt en drie vierkante meter akker levert voldoende katoen voor een shirt. Met nog enkele duizenden anderen zijn deze tachtig boeren – die een bonus van acht procent krijgen voor een ‘eerlijke handelsprijs’ – aangesloten bij een onderneming van Hashmukh Patel (geen familie), die bezig is met een omvangrijk project: hij wil meemaken dat alle katoen in India biologisch wordt geteeld. Geen eenvoudige klus, want het is eens berekend, dat van alle landbouwchemicaliën op het Indiase platteland maar liefst de helft wordt ingezet in de katoenteelt. ‘Als het eenmaal is gelukt om alle katoen biologisch te telen,’ blikt Patel hoopvol vooruit, ‘lukt het met álle gewassen.’ Om biologische katoen dichter bij te brengen, heeft Patel, de middelste van drie generaties biologische boeren, een kwart eeuw geleden Agrocel opgezet. Dat bedrijf, een onderdeel van Excel Industries, heeft de schijn tegen. Het ontwikkelt en verkoopt onder meer landbouwchemicaliën en wordt financieel ondersteund door de Britse Shell Foundation. Op zijn kantoor in Kutch lacht Patel de verdachtmakingen weg. ‘Als wij alleen maar met biologische boeren zouden samenwerken, staan wij niet meer in contact met conventionele boeren. Wij zouden hen nooit meer kunnen bereiken en aanmoedigen over te schakelen op biologische teelt. Intussen kunnen wij in onze winkels steeds meer biologische alternatieven introduceren en onze verkopers instrueren hun klanten hierop te wijzen.’ Patel heeft een meerstappenplan uitgedacht. Het begint bij het terugdringen van landbouwchemicaliën en gaat via het stimuleren van biologische bestrijdingsmiddelen en goed watermanagement naar de technische ondersteuning voor biologische certificering. In totaal telt deze deelstaat 15 duizend biologische katoenboeren, en in de rest van India heeft Agrocel er nog eens vijfduizend aan zich gebonden. De boeren leveren onder meer katoen voor de kleding in de catalogi van het World Wildlife Fund, Friends of the Earth en Umama Wear. Hét argument waarmee boeren worden overgehaald, is kostenbesparing. Ze kunnen kunstmest vervangen door zelf compost te maken met de mest van hun eigen koeien, die normaal gesproken wordt afgedaan als onbruikbaar en wordt opgebrand om er van af te zijn. Zo zijn er meer goedkope alternatieven. De zaden van de populaire neemboom, bijvoorbeeld, kunnen worden geperst tot olie die zeer bruikbaar is om ongewenste insecten te weren. De neemolie wordt sinds kort geëxporteerd naar Afrika, waar enkele projecten met biologische katoen goede resultaten hebben geboekt met dit goedkope en effectieve bestrijdingsmiddel. Harjibhai Patel had me op zijn veld een zogeheten feromonenval laten zien. Deze is geïmpregneerd met in het laboratorium ontwikkelde seksgeuren die de mannetjesmotten laten geloven dat ze zijn omringd door gewillige vrouwtjes. Daardoor lopen ze met zijn allen in de val. Ook wordt in de biologische teelt vaak de sluipwesp ingezet. Deze verdrijft dezelfde schadelijke insecten die anders met chemische insecticiden zouden worden bestreden, maar blijft van de katoenplant af. Is Hashmukh Patel dan niet bang dat Agrocel in de rode cijfers komt wanneer boeren opeens massaal de dure chemicaliën vaarwel zeggen en zo veel mogelijk zelfvoorzienend worden in hun katoenteelt? ‘Welnee’, zegt Patel die begint te stralen van het idee. ‘Dit is een win-win-win-situatie: goed voor het milieu, goed voor de gezondheid en goed voor de portemonnee. Het geeft me al enorme voldoening dat ik een bijdrage lever aan het redden van zoveel leven: dat van vogels, bijen, insecten, aardwormen en de micro-organismen in de bodem.’ Op wereldschaal neemt de biologische teelt maar een zeer bescheiden aandeel in van de totale katoenproductie: zo’n 0,04 procent, is eens berekend. Grote kledingmerken willen er niet aan, lijkt het wel, omdat er vanuit de consumenten geen vraag naar zou zijn. Toch is er één groot kledingbedrijf dat spot met deze opvatting: Patagonia, gespecialiseerd in functionele en modieuze buitensport- en vrijetijdskleding. ‘Omdat we weten dat al onze zakelijke activiteiten – van het verlichten van onze winkels tot het verven van onze kleding – vervuiling als bijproduct leveren, werken we er gestaag aan om dat terug te dringen’, meldt de website. Voor de kleding van Patagonia wordt biologisch katoen en gerecycled polyester gebruikt. Dan zijn er grote bedrijven die biologische katoen mengen met conventionele. Nike, dat wordt gezien als één van de pioniers, gebruikt naar eigen zeggen drie procent biologische katoen in zijn sportsokken en shirts. Een klein aandeel, maar gezien de hoeveelheid sportsokken die Nike afzet, is het een enorme impuls. Volgens kenners blijft het oppassen met het noemen van merknamen. Veel bedrijven willen goede sier maken met hun omarming van biologische katoen, schreeuwen het van de daken, maar daarna wordt het muisstil. Zo heeft spijkerbroekengigant Levi-Strauss zichzelf op de borst geklopt nadat het ruim 300 ton biologische katoen voor zijn 501-jeans had aangeschaft, maar dat was alweer een paar jaar geleden. Tegelijk beweren anderen juist dat bedrijven zich op de vlakte houden, omdat ieder bericht over biologische katoen – terecht – impliceert dat de gangbare grondstoffen milieuvervuilend zijn, en dat wordt liever niet aan de grote klok gehangen. Marks & Spencer introduceerde in 2000 een biologische kledinglijn – vooral ondergoed – maar haalde deze al snel uit de winkels. De artikelen verkochten niet goed, volgens het Britse kleding- en voedselketen omdat ‘onze klanten geen extra geld overhadden voor de toegevoegde waarde’. Inmiddels doet Marks & Spencer een nieuwe poging. Het heeft een overeenkomst afgesloten met – jawel – Agrocel. Van de verkoopprijs gaat één procent rechtstreeks naar het Pure & Fair Cotton Project, waarmee Agrocel Indiase katoenboeren wil overtuigen van het belang van biologische teelt voor een eerlijke prijs. Laatste grote merknaam is die van Armani Jeans. Misschien blij verrast met de verschijning van acteur Woody Harrelson in een hennepsmoking van Giorgio Armani tijdens de uitreiking van de Golden Globes enkele jaren geleden, heeft de Italiaanse modekoning verdere stappen gezet op het gebied van de milieuvriendelijke grondstoffen. Nu zijn er jassen en truien van hennep, gerecyclede jeans en een klein aanbod van shirts van biologische katoen. Vermoedelijk zullen deze – en andere – grotere spelers op de kledingmarkt in de nabije toekomst het verschil maken en níet de kleine merken, winkels en boetiekjes die vaak niet in staat zijn modegevoelige artikelen te maken, omdat ze langer mee moeten. Waarom merken gebruik zouden moeten maken van biologische katoen? Tussen de voor de hand liggende redenen noemt de Cleaner Cotton Campaign de mogelijke ban van de meeste chemische landbouwchemicaliën. De Amerikaanse organisatie denkt ook dat de mogelijke regelgeving omtrent het etiketteren van genetisch gemodificeerde producten een argument kan zijn voor kledingbedrijven om hun klanten ‘gentech-vrije’ – dus biologische – katoen te garanderen. Een verdubbeling van het salaris van Mexicaanse confectiearbeiders zou een stijging van 1,6 procent betekenen van de winkelprijs van een kledingstuk in de winkel. Dat was de uitkomst van een onderzoek van de Fair Labor Association in New York. Andere onderzoeken tonen aan, dat consumenten in de Verenigde Staten bereid zijn vijf tot tien procent meer te betalen voor hun kledingstukken wanneer ze de zekerheid hebben dat deze onder eerlijke omstandigheden zijn gemaakt. Voor mijn shirt heb ik 29 Britse ponden (44 euro) betaald, exclusief transportkosten. Geen onoverkomelijke prijs, zou je denken. Toch is kleding van biologische katoen vaak duurder dan conventionele kleding. Niet zo vreemd; de meeste kleding heeft geen eerlijk prijskaartje. Wie zijn werknemers onderbetaalt en uitbuit en geen juiste maatregelen neemt om milieuverontreiniging tegen te gaan, kan een lage prijs vragen. Iedereen die deze overwegingen wél meeneemt tijdens de productie zit in een hogere – want eerlijker – prijsklasse. Ook is er de compensatie voor het opbrengstverlies van de katoenboer, omdat een biologische teelt iets minder oplevert. En er zijn nog de kosten van certificering: een onafhankelijk instituut, zoals Skal in Europa, moet iedere stap van de productie controleren. Het is een nogal curieuze prijsverhoging. Immers, de klant wil zekerheid of het artikel werkelijk biologisch is, maar wil vervolgens liever niet meer betalen. Ik wel. Inmiddels wel. Click here to buy. Zo makkelijk is het dus. Hmm, eens kijken, wat voor broek zou hier bij passen…



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.