|
|
Kinderen van de rekening (2)
Ouders die te lange uren op kantoor maken, laten de opvoeding van hun kinderen over aan de cultuur wat in het Westen betekent, dat kinderen naar het winkelcentrum worden gestuurd. Moeten ouders hun kinderen niet de belangrijke les leren, dat alles wat je hartje begeert, niet te koop is?
Mijn zoon Jan, toen een jaar of dertien, zat in de huiskamer televisie te kijken. Het was een dagelijkse soap, die hij ab-so-luut moest zien om in de klas te kunnen meepraten. Zo’n typische dommige serie, doorspekt met reclame. Mijn dochter Pauline van zestien en ik zaten nog aan tafel. We hadden een van onze eindeloze discussies over geld, over rijke mensen en arme mensen, en de vraag wie van hen moreel beter waren.
Mijn standpunt was in die tijd nogal simplistisch: ik hield koppig vol dat rijke mensen per definitie slecht zijn, omdat je nooit op een eerlijke manier aan veel geld kunt komen. Pauline stelde dat zowel egoïsme als altruïsme evenveel voorkomt onder rijken en armen. Het debat liep hoog op, zoals zo dikwijls in die periode. Mijn dochters neutrale standpunt voelde voor mij vaag bedreigend aan. Als ik haar gelijk zou geven, zouden nogal wat van mijn keuzes minder logisch lijken dan ik graag geloofde. Met vuur verdedigde ik dus mijn oude, rode idealen, en met evenveel vuur bestreed zij ze.
Na enige tijd stond Jan op, zette de televisie uit – hoewel de soap nog niet was afgelopen – en kwam aan tafel zitten. ‘Bij jullie is het toch boeiender’, merkte hij op.
Adverteerders hebben zich tussen ouders en hun kinderen gewurmd, schrijven Jonathan Rowe en Gary Ruskin in deze Ode. Ze hebben de jeugd voor zichzelf, kunnen er ongeremd hun verderfelijke invloed op uitoefenen en drillen kinderen tot gehoorzame consumenten. De belangrijkste vraag die ze bij mij oproepen, is: hoe konden die adverteerders dat doen? Waar waren de ouders eigenlijk toen de adverteerders achter hun rug de macht grepen? Waar zijn die ouders mee bezig, terwijl hun kinderen aan de commercie zijn overgeleverd?
Ze zijn aan het werk, is het antwoord. Ze maken lange dagen op kantoor. Amerikanen werken veel langer dan Nederlanders en minister Zalm mag daar enthousiast over zijn, het is voor de Amerikaanse kinderen een ramp. Het is voor de hele cultuur een ramp.
De aanklacht van Rowe en Ruskin bevat een bizarre paradox. De reclamemensen die de Amerikaanse kinderen corrumperen, de wetenschappers die hen van informatie voorzien, de fabrikanten en de verkopers van de merkartikelen, de mensen achter de televisieprogramma’s, films, video’s en de organisatoren van gesponsorde evenementen – van al deze mensen hebben er een hoop zélf ook kinderen. Terwijl zij zich drie slagen in de rondte werken om rijk en succesvol te worden, zitten hun kinderen voor de televisie. Waar halen lieden die samen onze materialistische cultuur creëren, het lef vandaan zich te ergeren aan de invloed van die materialistische cultuur op kinderen?
Er is allerlei onderzoek gedaan naar de werkelijke behoeften van kinderen en tieners en vrijwel altijd blijkt, dat contact met volwassenen op nummer één staat van hun verlanglijst. Kinderen willen zich gezien voelen, gehoord, gewaardeerd. Dat is het beste tegengif tegen het materialisme van onze cultuur. Ouders hebben veel meer invloed op hun kinderen dan ze denken. De effecten van reclame blijken alleen op te treden in gezinnen waarin de ouders niet met hun adolescente kinderen praten. Het is duidelijk aangetoond dat ouders de negatieve effecten van televisiekijken kunnen verminderen of zelfs tegengaan, en dat geldt evenzeer voor de invloed van reclame.
‘Steeds meer konden de reclamemakers zich op de kinderen zelf gaan richten’, schrijven Rowe en Ruskin. Hoe langer ik er over nadenk, hoe meer ik geneigd ben een aanklacht te schrijven tegen de afwezige ouders. Ouders moeten hun kinderen zelf opvoeden en de overdracht van waarden en normen niet afschuiven op de oppas, de school en de televisie. Wie het aan ‘de cultuur’ overlaat om kinderen bij te brengen wie wij zijn en wat we belangrijk vinden, moet niet verbaasd zijn als die cultuur de jeugd naar het winkelcentrum stuurt. En wie geld verdienen belangrijker vindt dan kinderen opvoeden, moet niet verontwaardigd worden als die kinderen de leegte opvullen met geld uitgeven.
Als financieel alleenstaande moeder heb ik mijn kinderen lang niet alle tijd en aandacht kunnen geven die ze nodig hadden. Maar ik heb wél mijn leven met hen gedeeld. Ik ben freelance gaan werken zodra ik moeder werd, zodat ik geen lange dagen van huis was. Nog belangrijker: ik heb vanaf het prille begin mijn ideeën en overtuigingen, mijn zelfonderzoek, mijn innerlijke worsteling en mijn spirituele ambities aan hen gecommuniceerd. Ook met heel kleine kinderen kun je uitstekend praten.
Geïnspireerd als ik was door allerlei spirituele stromingen, had ik een ideaal voor ogen. Ik wilde dat mijn kinderen een ‘overvloedbewustzijn’ zouden ontwikkelen – niet het ‘schaarstebewustzijn’ waarmee ik zelf was opgevoed. Overvloed is het principe van de ‘genoeg-economie’; mooi samengevat in Gandhi’s uitspraak dat er genoeg is voor ieders behoefte, maar niet voor ieders hebzucht. Schaarste is het grondprincipe van onze economie, waarin iedereen concurreert met iedereen. Je moet vechten voor je dagelijks brood, de sterkste wint gouden bergen en de zwakste crepeert. Het onderdrukken van het archetype van de overvloed creëert automatisch de twee schaduwen schaarste en hebzucht, heb ik geleerd van de Belgische econoom Bernard Lietaer.
Het leek me dat je het schaarsteprincipe in kinderen bevestigt als je hun uitgesproken behoeften niet serieus neemt. ‘Nee, je krijgt geen boterham, want het is nog geen etenstijd. Je hebt geen honger, stel je niet aan.’ ‘Ook al heeft de hele klas zo’n rugzak, jij hoeft er geen. Als iedereen in de sloot springt, spring je er toch ook niet in?’ Ik hóór het mijn eigen moeder nog zeggen... Pas veel later was ik in staat om te formuleren dat ik veel liever met de andere kinderen in de sloot zou zitten, dan alleen aan de kant te staan.
Maar hoe creëer je een overvloedbewustzijn in kinderen? Niet door ze alles te geven wat ze willen, dat werd al snel duidelijk. Op vakanties hanteerden we in de beginjaren van ons gezin een liberaal koopbeleid. Als iemand een of ander souvenir of prulletje wilde hebben, dan mocht dat. Het resultaat bleek negatief: de kinderen werden er zeurderig en ongelukkig van. Dus schaften we het maar weer af.
Mijn kinderen waren nog heel klein toen ik een verhaal hoorde uit de Soefi-traditie. Een koning ziet een bedelaar zitten bij de poort van zijn paleis en biedt aan hem te geven wat hij wil. De bedelaar lacht en zegt: ‘Wat ik wil, kunt u mij niet geven: vul deze bedelnap.’ De koning stort zijn buidel leeg in de nap, maar zodra het geld de bodem bereikt, is het verdwenen. Ook met een grote zak vol munten gebeurt hetzelfde: het geld verdwijnt. Zak na zak laat de koning aanrukken, de hele schatkist van het land verdwijnt in de bedelnap – die blijft leeg. Tenslotte zinkt de koning aan de voeten van de bedelaar neer en vraagt: ‘Meester, onthul mij wat voor tovernap u daar hebt.’ De bedelaar lacht weer en zegt: ‘Simpel. Deze nap is gemaakt van de menselijke geest.’ Het is een beeldende vertolking van een oud-Hollands spreekwoord: ‘Het hebben van de zaak is ’t einde van ’t vermaak.’
Dat verhaal heb ik aan mijn kinderen verteld – niet één keer, maar vele malen. We hebben het ook vaak gecheckt, met elkaar. ‘Zie je wat er is gebeurd met dat stuk speelgoed dat je vorige week per se wilde hebben? Het slingert nu al in de hoek van je kamer en je kijkt er niet meer naar om.’ Niet als verwijt, maar als een vaststelling. Het verhaal klopt dus, kijk maar: het speelgoed is eigenlijk weg uit je hoofd. Wij deden empirisch onderzoek naar de werking van de menselijke geest.
We ontdekten ook wat wij noemden het ‘Ikea-effect’. Dat is een familie-uitdrukking geworden. Het viel ons op, dat wij altijd in een slecht humeur raakten als we een tijdje hadden rondgelopen door het grote woonwarenhuis, hoe vrolijk we ook waren begonnen. Telkens weer gingen we er naar binnen vol verwachting en opwinding… en telkens weer kwam er na enige tijd een ruzie-achtige sfeer onder ons. We hebben het als volgt geanalyseerd. Ikea houdt je voor de gek. Net als de Bijenkorf, de Bonnetterie, en al die andere glanzende warenhuizen straalt het een belofte uit die het niet kan waarmaken: ‘Hier ligt alles voor het grijpen wat je hartje maar zou kunnen begeren, hier word je echt gelukkig’. Maar zelfs als ik met een ruime beurs en een gulle bui binnenkwam, was het toch niet mogelijk die belofte te vervullen. Dat wat je hartje begeert, is namelijk niet te koop, zo simpel ligt het. Warmte, ontspanning, plezier, onderling begrip en saamhorigheid kun je niet afrekenen en laten inpakken. Bij elke concrete aankoop is dus een beetje teleurstelling inbegrepen. Misschien, denk je eerst nog, zal het volgende begeerlijke object dat doel wel bereiken? Nee, ook niet... Ten slotte kruipt de teleurstelling omhoog, en daarmee de ergernis en de wrijving.
Toen wij het Ikea-effect hadden herkend en benoemd, verloor het zijn macht over ons. Maar daarmee verloor het warenhuis – niet toevallig – veel van zijn aantrekkingskracht. We gaan er nog maar zelden naar toe.
Een overvloedbewustzijn betekent, denk ik, wel dat je bij alles wat je wilt hebben, jezelf afvraagt of je het echt nodig hebt. Dat ‘nodig hebben’ neem ik ruim: het kan nodig zijn voor je lichaam, of voor je ziel. Een ijsje bijvoorbeeld is soms zeker een verstandige aankoop. (IJsjes kunnen bij gelegenheid zelfs kinderbuikpijn genezen, heb ik gemerkt.) Maar de hele dag door ijsjes eten, daar wordt geen kind gelukkig van. Meisjes van een jaar of zeven hebben ook wel eens zo’n prinsessenjurk nodig uit een Pakistaanse winkel: een glanzende satijnen jurk met zoveel ruches en strikjes, dat ik hem zelf nooit zo mooi zou kunnen maken. Maar ongeremd kleren kunnen kopen, maakt geen prinses van je. Het is dus vaak een kwestie van laveren.
Die gulden middenweg is een stuk eenvoudiger te vinden als het wel moet. Er zat een zekere golfslag in mijn freelance inkomsten: in tijden van vloed was ik gul, in tijden van eb was ik gierig. Ik ben daar altijd openhartig over geweest, zoals ik openhartig was over praktisch alles. Zeuren had geen zin en mijn kinderen hebben dat ook nooit gedaan. Hoe je het moet aanpakken met de opvoeding als je heel rijk bent, zou ik eerlijk gezegd niet weten.
Niet dat alle experimenten altijd slaagden. Naarmate de kinderen ouder werden, steeg mijn inkomen en daarmee ook hun consumptieniveau. Ik probeerde ze zoveel mogelijk financiële vrijheid te geven en daartoe hadden we onder andere de ‘vijfjespot’. Muntstukken van vijf gulden spaarde ik in een speciale pot met los deksel die in een kastje in de kamer stond. Iedereen mocht uit de vijfjespot vijfjes halen als dat nodig was. Bijvoorbeeld als de glazenwasser langskwam terwijl ik weg was, of iemand met een collectebus. Of als een van de kinderen ineens enorme zin kreeg om naar het zwembad te gaan. Lange tijd bleef de vijfjespot ruim gevuld; er ging eens wat uit en er kwam eens wat bij. Gaandeweg bleek de verleiding toch wel erg groot voor mijn middelbare scholieren om met een vijfje gewapend naar school te gaan om – in plaats van thuis een braaf lunchpakket te smeren – in de pauze dure snacks te kopen. Het systeem liep erop vast en werd afgeschaft. Maar ook dat was leerzaam.
Ik kan nog niet zeggen of ik mijn kinderen inderdaad tot financiële autonomie en zelfbeheersing heb opgevoed. Ze zijn nu twintig en zeventien en het moet allemaal nog in de praktijk blijken. Het is ook niet alleen een kwestie van opvoeding natuurlijk; karakter, instelling en levensplan spelen mee. Maar ik heb goede hoop. Tot nog toe geven ze blijk van een ontspannen houding tegenover geld. Een soort postmaterialisme, zou ik het willen noemen. Als het er is, geven ze het onbekommerd uit en als het er niet is, hoor ik ze niet klagen.
Wat het debat over geld en moraal betreft, dat is nog altijd in beweging. Mijn dochter zei laatst dat ze een beetje in de richting van mijn standpunt was opgeschoven. Geld kan toch ook een negatief effect hebben op mensen, had ze ontdekt. Ik begin juist steeds beter te beseffen dat je met een hoop geld ook een hoop goed kunt doen.
Lisette Thooft is freelance journalist. Haar stukken verschijnen geregeld in diverse dag- en weekbladen. Ook is ze hoofdredacteur van Genoeg, het ‘non-glossy lifestyle magazine’ voor mensen die genoeg hebben van ‘onverschillige verspilling, jachtig materialisme en willoze onderwerping aan meedogenloze commercie’. Vorig jaar schreef ze Geld kost tijd: Voel je rijk en ontspannen, een vrolijk boek over geld, geluk en tijd. Zij schreef dit artikel op verzoek van Ode.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.