|
|
Ik noemde de namen
Hoe een politiek activist zijn vrienden verraadde en verantwoordelijkheid neemt voor zijn verleden.
Eén
In juli 1964, toen ik vierentwintig was, kwam er plotseling een einde aan mijn Zuid-Afrikaanse leven. Door mijn eigen toedoen. Het viel niemand anders te verwijten. Ik ben neergestort in de peilloos diepe kloof die openbarstte tussen wat ik wist en mijn gebrek aan zelfkennis, tussen mijn fantasieën en mijn mogelijkheden. Het gebeurde niet in de persoonlijke sfeer, maar in het openbaar, volledig zichtbaar voor iedereen die mij kende. De gebeurtenissen die zich afspeelden hebben een leven dat tot dan toe een actief, veelbelovend en geëngageerd karakter had, laten vastlopen. Uit motieven die ik nog steeds niet volledig begrijp, heb ik geprobeerd dingen te doen die ver buiten mijn bereik lagen en daarin heb ik gefaald. Ik probeerde de wereld om me heen te verbeteren, maar in dat proces heb ik mijn eigen leven vernietigd, mijn vrienden en collega's verraden en het doel waarin ik geloofde en waarvoor ik werkte geschaad. In de ogen van de meeste mensen die me tot dan toe hadden vertrouwd en gerespecteerd, was ik een verachtelijk individu geworden. Andere mensen van de regering en de veiligheidsdiensten, die me als een radicaal en een oproerkraaier hadden beschouwd, wisten dat ik gebroken en verloren was. Toen ik het land zes maanden later verliet, was er niets meer over van het leven dat ik aan het begin van dat jaar had geleid.
Er ging lange tijd voorbij voor ik in staat was het gebeurde onder ogen te zien en te proberen ermee in het reine te komen. Maar nu de schande van de officiële apartheid is afgeschaft, is misschien het moment aangebroken dat te doen. Het onderstaande is evenzeer een essay over de persoonlijke politieke dynamiek van de angst als een essay over de politieke dynamiek van falen en verraad.
Twee
Op Kaap de Goede Hoop, in het westen van Zuid-Afrika, regent het in de winter. Dan zijn de dagen niet veel korter dan in de zomer - al lijkt dat wel zo, omdat het kouder is. De mensen gaan minder naar buiten. Zonnige perioden komen voor, maar het is vaak bewolkt en nevelig. De aarde is donker en vochtig, de stammen van de Kaapse eiken zijn nat en zwart. Ik kan me niet herinneren dat het ooit gevroren heeft. Af en toe waren de toppen van de bergen die het schiereiland van de Kaap omringen met sneeuw bedekt en soms had zelfs de Tafelberg een wit randje, maar in de stad of in de buitenwijken sneeuwde het nooit.
Met zijn prachtige bergen, zijn milde klimaat en zijn lange kusten was Kaapstad een heerlijke, bijna onschuldige plaats om tijdens de jaren veertig en vijftig in op te groeien. Ik kwam uit een ruimdenkend, ontwikkeld joods gezin. Mijn vader was een rustige, maar geliefde arts; mijn moeder gaf pianolessen, deed liefdadigheidswerk en speelde bridge. Ik deed wat de meeste jongens deden. Ik ging naar een goede middelbare school (die in die dagen alleen door blanken werd bezocht), speelde rugby en cricket, maar niet bijzonder goed, deed aan bergbeklimmen in de weekends, was in de hete en vaak winderige zomers aan het zwemmen en surfen en reed blootsvoets op mijn fiets rond. Op school genoot ik van toneel en ik hield ervan een rol op het podium te spelen.
Het was een heerlijke jeugd, vooral omdat Kaapstad vrij leek te zijn van de extreme klimatologische én politieke omstandigheden die kenmerkend waren voor het grootste deel van de rest van het land. Als ik in kerstvakanties noordwaarts naar Johannesburg reisde om bij mijn neven te logeren, werd ik altijd getroffen door de daar aanwezige contrasten: het droge, hard bevroren veld, de plompe afvalhopen van de mijnen, de gewelddadige stad, de meedogenloze rassenscheiding. Maar toen mijn tienerjaren begonnen, waren de politieke krachten die hun oorsprong vonden in de noordelijke provincies Transvaal en Oranje-Vrijstaat al naar het zuiden aan het oprukken, en bij mij groeide de verontwaardiging over de manier waarop mijn landgenoten onder de apartheid werden behandeld. Als oudere adolescent schreef ik woedende politieke gedichten. Het was, naar ik aanneem, onvermijdelijk dat ik bij de studentenpolitiek en de nationale politiek betrokken raakte zodra ik naar de universiteit ging.
Op 4 juli 1964 werd ik bij het aanbreken van de dag in mijn flat gewekt door de veiligheidspolitie. Mijn vriendin was bij me. Het was een onverwachte, dreigende invasie. Van het ene moment op het andere werd ik uit mijn slaap gehaald door gebons op de voordeur en even later stond de kleine flat vol veiligheidsagenten. Ze openden laden en kasten, trokken boeken uit de boekenkast, bladerden paperassen door, doorzochten documenten, lazen brieven, controleerden adresboeken, klommen op het balkon en keken onder dozen.
De inval bleek een van de vele te zijn die op die ochtend in het hele land werden gedaan. De veiligheidspolitie was gekomen om naar bezwarend materiaal te zoeken dat mij in verband kon brengen met de een of andere verboden politieke organisatie of illegale politieke activiteit. Voor zover ik wist, was er in de flat niets te vinden, afgezien van een paar vaktijdschriften en boeken die waarschijnlijk verboden waren. Maar ik had ongelijk. Ik had een fundamentele fout gemaakt…
Ongeveer twee jaar eerder was ik gerekruteerd door een kleine organisatie die bekendheid kreeg als de African Resistance Movement (ARM), al werd ze oorspronkelijk het National Committee for Liberation (NCL) genoemd. Ik kende zeker niet iedereen die er lid van was, omdat ze was gestructureerd in een reeks districten en cellen die, naar werd aangenomen, geïsoleerd van elkaar werkten. Ze bestond uit ongeveer veertig actieve leden in het hele land, plus een grotere groep sympathisanten in het binnenland en enkele in het buitenland. De belangrijkste doelstelling van die organisatie was het saboteren van publieke voorzieningen, zoals elektriciteitsmasten en hoogspanningskabels als middel om tegen het apartheidsregime te protesteren. Er werd goed op gelet geen mensenlevens in gevaar te brengen. Het ging om een rechtvaardige zaak en politiek gesproken leek het mij een stap die niet te vermijden was.
Hoe klein de organisatie ook was, in vele opzichten was ze bijzonder succesvol. Haar activiteiten boden een uitlaatklep voor de frustratie en de wanhoop die de conventionele vormen van verzet tegen het regime in toenemende mate bij me opriepen. Maar nu denk ik, hinderlijk genoeg, dat het mijn eigen persoonlijke behoeften waren die uitdrukking vonden in die activiteiten, persoonlijke behoeften die nauwelijks in verband stonden met de landelijke politiek. Ik vond het geheime en gevaarlijke werk spannend en voelde me gevleid omdat ik voor de organisatie was gevraagd. Misschien gaf het lidmaatschap me het gevoel belangrijk en zelfs waardevol te zijn. Het diende in ieder geval om de schuld te verzachten die ik was gaan voelen, omdat ik als bevoorrechte blanke in Zuid-Afrika was opgegroeid. Misschien probeerde ik door ernaar te streven steeds radicaler, vermeteler en roekelozer te worden de indruk te wekken boven andere jongemannen te staan die ik als rivalen zag.
Ik kan geen duidelijk beeld geven van mijn motieven, maar kan slechts zeggen, nu ik terugkijk, dat ik er een fatale mengeling in ontdek die ik destijds niet onder ogen zag. Zonder werkelijk te beseffen wat ik deed, gleed ik af naar een soort gevaar waarvoor ik niet rijp was en waarop ik niet was voorbereid. Maanden voor de inval van die ochtend had ik een document te lezen gekregen van een man die ons had getraind in het gebruik van explosieve stoffen. Voor zover ik me herinner, telde het niet meer dan twee of drie bladzijden. In zeer algemene bewoordingen werden de stappen beschreven die je moest nemen voor het bepalen en beoordelen van een doelwit en de aanslag erop. Het zou afkomstig kunnen zijn uit een basishandleiding voor militairen. Door de algemene formulering was het zowel onschuldig als verdacht. Ik had het in een boek op een van de boekenplanken verborgen en was het vervolgens vergeten. Er waren veel boeken in de flat en het was puur toeval dat een veiligheidsagent juist dit boek eruit trok. Hij bladerde het door, vond het document en overhandigde het aan luitenant Van Dyk, die de leiding had. Van Dyk was een bekend en gevreesd lid van de veiligheidspolitie in Kaapstad. Ik had hem een paar keer gezien bij demonstraties en protestbijeenkomsten, waar hij altijd aantekeningen maakte. Hij was mager, staarde je aan door zwartomrande brillenglazen en kon heel snel omschakelen van een scherpzinnig, maar vriendelijk vragenstellen naar woede. Hij en zijn nog agressievere handlanger, 'Spyker' van Wyk, die ik later zou ontmoeten, waren een geducht tweetal.
Hij keek het document door en leek ongeïnteresseerd. Vanaf de plaats waar ik zat te wachten tot het onderzoek voorbij was, kon ik niet zien wat het was en probeerde ik een argeloze indruk te maken. De mannen verzamelden een stapel papieren, rapporten, boeken en een langspeelplaat die ze wilden meenemen voor nader onderzoek. Toen gaf Van Dyk me het document en vroeg me rustig wat het was. Toen ik het zag, sloeg er een golf van angst door me heen. Op een zeker moment voelde ik dat mijn wereld op instorten stond. Wat ik precies zei, weet ik niet meer. Waarschijnlijk probeerde ik nonchalant te doen en mompelde ik dat ik het had gevonden of dat iemand me het eens had gegeven, maar ik wist niet meer waar of wanneer, het had nauwelijks van belang geleken.
Plotseling werd ik me bewust van de kou. Het was koud buiten me en ik had het van binnen koud. Ik begon te rillen en ging dichter bij het elektrische kacheltje zitten. 'Koud hè?', zei Van Dyk. 'Ik zie dat je er last van hebt.' Zijn woorden gaven blijk van begrip, maar waren ook dreigend. Mannen als hij, die op andere mannen jagen, lijken angst te kunnen ruiken. Ik was betrokken bij de import van kneedbaar explosief materiaal, bij het opblazen van elektriciteitsmasten en kabels voor spoorwegbeveiliging en bij een poging een radiozender te vernietigen. Veroordeeld worden voor een dergelijke sabotage betekende een gevangenisstraf van ten minste vijf jaar, maar eerder van tien of twintig jaar, misschien levenslang, of misschien de doodstraf door ophanging. Ik zat ernstig in moeilijkheden.
De veiligheidsagenten schreven de naam en het adres van mijn vriendin op en lieten haar vervolgens naar huis gaan. Ze leken geen belangstelling voor haar te hebben. Ze was lid van de organisatie, maar ze kenden haar blijkbaar niet. Er waren explosief materiaal en andere verdachte dingen in haar flat en in een nabijgelegen bergplaats verstopt. Ze wist dat het van belang was die spullen daar weg te halen.
De veiligheidsagenten verzamelden wat ze gevonden hadden en waren plotseling verdwenen. Ik was nog steeds geschokt door wat ze hadden ontdekt, maar nu raakte ik ook in verwarring door hun vertrek. Ik kon niet helder nadenken over wat er was gebeurd of over wat ik moest doen. Veel tijd om na te denken had ik niet. Binnen tien of vijftien minuten, misschien nog minder, hoorde ik opnieuw voetstappen roffelen op de trap en waren de veiligheidsagenten terug. Van Dyk leek ademloos en opgewonden, bijna verhit. Het was alsof hij op momenten als deze opbloeide; dat zag ik later, tijdens ondervragingen, ook aan hem, als een ondergeschikte hem nieuws van elders bracht. Het leek bijna alsof zijn zelfbeheersing bij spanning en druk groter werd. Hij kwam de flat weer binnen en zei me dat ik onder arrest stond en dat ik voor de (destijds) legitieme periode van negentig dagen zonder aanklacht in hechtenis zou worden genomen om te worden ondervraagd, in eenzame opsluiting (die periode kon telkens worden verlengd). Weken later vroeg ik hem waarom hij dat niet had gedaan zodra hij het document gevonden had. Hij zei dat hij wilde wachten om te zien wat ik zou doen of waar ik heen zou gaan. Ik weet niet of dit waar is of dat de betekenis van het document pas tot hem was doorgedrongen toen hij weer in zijn auto zat en het nauwkeuriger doorlas.
In feite deed het er niet toe. Ik werd naar het hoofdbureau van politie op Caledon Square gebracht en kreeg toestemming een advocaat te bellen - een voor blanken gebruikelijk recht, zij het niet altijd voor zwarten - en hem te zeggen dat ik negentig dagen in eenzame opsluiting zou moeten doorbrengen op grond van de desbetreffende wet. Ze namen me mee naar de cellen boven in het bureau en lieten me een cel binnengaan van ongeveer 1,5 bij 2,5 meter. Ze sloegen de deur dicht en verdwenen.
Drie
Ik probeerde mezelf ervan te overtuigen dat ze met één document niet veel zouden kunnen beginnen. Ik begon een verhaal te verzinnen om te verklaren waarom het zich in mijn flat bevond. Ik herinner me dat ik bij mezelf zei: 'Nou jongen, nu moet je voet bij stuk houden en je niet van de wijs laten brengen.' Als ik mijn verhaal over het document lang genoeg kon volhouden, zou het misschien in orde komen.
Mijn vertrouwen daarin begon echter heen en weer te flapperen als een gordijn in de wind dat golven van angst doorliet. Want ik was er ook zeker van, dat ik niet uit die cel weg kon komen. Er zou geen heroïsche ontsnapping uit de situatie mogelijk zijn en ik wist dat ik schuldig was, als dat het juiste woord is, aan de dingen waarvan ik werd verdacht. Ik hoopte dat de advocaat die ik had gebeld het nieuws van mijn arrestatie openbaar zou maken, zodat de andere leden van de organisatie zouden kunnen onderduiken of onmiddellijk het land uit vluchten - dat was ons beleid als een van ons zou worden gearresteerd.
Het grootste deel van mijn kameraden ontvingen tijdens het weekend of kort daarna het nieuws van mijn arrestatie. Drie van hen doken onder en wisten - hoe gevaarlijk dat ook was - over land, per boot en per vliegtuig uit het land te vluchten. Op hun vlucht slaagden ze erin mensen in Johannesburg te waarschuwen, zodat enkele anderen ook konden ontsnappen. Ik ben heel blij dat ze dat hebben gedaan. Maar anderen deden het niet. Ze wachtten en bleven hun normale leven leiden, soms wel langer dan een maand. Waarom hebben ze gewacht? Ik weet het niet, al denk ik dat ik precies hetzelfde zou hebben gedaan. Per slot van rekening was ik gedurende die kritieke vijftien minuten tussen het vertrek en de terugkeer van de veiligheidsagenten in mijn flat gebleven. Waarom had ik gewacht? Had ik kunnen ontsnappen? Wílde ik soms gepakt worden? Geloofde ik niet dat het allemaal echt gebeurde? Ik weet het niet.
Vier
Ik vind het beschamend de gebeurtenissen te beschrijven die op mijn arrestatie volgden. Steeds als ik eraan denk, is er een deel van mij dat simpelweg wil doodgaan, en dat zal altijd zo blijven. Maar de simpele feiten kunnen zonder meer worden vastgesteld. De onverwachte, snelle en bijna totale desintegratie van mijn wil en van mijn vermogen de ondervraging bij eenzame opsluiting te doorstaan, overrompelden me volledig. Het overrompelde anderen ook. Ik ben gewoon bezweken.
De veiligheidsagenten hadden mijn vriendin geschaduwd toen ze op weg ging naar haar flat en hadden gezien dat ze koffers en dozen ergens anders heenbracht. Ze spoorden het materiaal op en arresteerden haar. Te middernacht op de derde dag van mijn hechtenis haalden ze me uit mijn cel en confronteerden me met wat ze hadden gevonden. In die koffers zat het allemaal: explosief materiaal, ontstekingsmechanismen, draden, gereedschap en documenten. Ze wilden er alles over weten en vooral: wie er allemaal bij betrokken waren.
Van die nacht staan me twee dingen nog helder voor de geest. Ten eerste herinner ik me, terwijl ik wachtte tot het verhoor zou beginnen, dat ik griezelig blauw oplichtende bollen zag buiten het raam van het bureau van kolonel Rossouw op de tweede verdieping. Het was de weerschijn van de winterse mist rondom de straatlantaarns. Daarachter doemden de donkere contouren van het verlaten stadhuis op; de Victoriaanse versierselen glommen zwart op in de nachtelijke nevel. Ten tweede herinner ik me dat Rossouw, de belangrijkste ondervrager, een paar rode rubberen handschoenen uit zijn bureaula haalde en ze aantrok terwijl hij op me afkwam. Telkens wanneer ik dat soort handschoenen zie, moet ik aan die avond denken.
Rossouw gaf de andere veiligheidsagenten een teken om weg te gaan, duwde me tegen een muur en begon me in mijn maag te stompen. Hij tuigde me met zijn vuisten af, maar dat was niets, absoluut niets vergeleken bij wat andere mensen in Zuid-Afrika en elders moesten verduren als ze in handen van de veiligheidspolitie waren gevallen. Enkele ogenblikken later stormden andere veiligheidsagenten naar binnen die me ook een pak slaag wilden geven (of deden alsof ze dat wilden) en naar me schreeuwden. Maar ze raakten me niet aan. Ik zakte neer op de vloer, meer door de schok dan door de pijn. Op dat moment wist ik zeker dat ze me zouden blijven aftuigen tot ik ten slotte zou toegeven. En op dat moment begon ik te praten.
In de loop van de dagen en weken die daarop volgden, speelden ze het spel van de welwillende en de kwaadaardige ondervrager. Dat besefte ik, maar ik besefte het ook weer niet. Langzaam maar zeker praatte ik mijn mond voorbij. Ik noemde de namen van kameraden die lid waren van de Kaapse tak van de ARM - eerst maar een paar, in de hoop dat de anderen zouden onderduiken en ontsnappen, later wat meer en toen nog meer. Randolph Vigne, Eddie Daniels, Spike de Keller, Stephanie Kemp, Tony Trew, Mike Schneider en Alan Brooks. Vervolgens noemde ik de namen van de mensen die ik kende uit de tak in Johannesburg, waaronder die van een van mijn beste vrienden, Hugh Lewin. Hoewel sommigen het geluk hadden te ontsnappen, volgden er al snel arrestaties, eerst in Kaapstad, toen in Johannesburg. Terwijl de organisatie werd opgerold, maakte de veiligheidspolitie jacht op connecties en verwante groepen en arresteerde nog meer mensen in Natal en in het oostelijke deel van de Kaapprovincie.
Ongeveer drie weken nadat ik in hechtenis was genomen, plaatste John Harris, een van de leden van de organisatie uit Johannesburg die niet was gearresteerd, een bom in het centrale spoorwegstation van de stad. Hoewel er een waarschuwing werd gegeven, ontplofte de bom voor die kon worden ontdekt. Een bejaarde vrouw werd gedood, een kind werd verminkt en drieëntwintig mensen raakten gewond. Laat op die avond zwaaide mijn celdeur open en zag ik Van Dyk, bleek van woede, met uitpuilende ogen achter zijn brillenglazen. Hij schreeuwde: 'Er zijn in Johannesburg twintig mensen gedood door een van die bommen van jullie. Jij vuile jood, nu hang je.' Hij dacht dat ik de naam van John Harris voor hem had verzwegen om ervoor te zorgen dat de bomaanslag kon plaatsvinden. Maar al had ik John bij een andere gelegenheid wel eens ontmoet, ik had er geen idee van dat hij lid was van de ARM. En het was ons beleid nooit mensenlevens in gevaar te brengen. Ik weet nog hoe Van Dyk keek toen hij zijn vinger langs zijn keel haalde, eerst langzaam en toen met een laatste, snelle ruk, op me wees en de celdeur dichtsloeg.
Gedurende de rest van die nacht had ik nauwelijks nog controle over welke spier in mijn lichaam dan ook en lag tot het aanbreken van de dag te rillen van ontzetting. Tijdens de eerste week was ik tot op zekere hoogte niet bestand geweest tegen de verhoren, maar nu sloeg ik volledig door. Min of meer alles (maar niet helemaal alles) wat ik nog van de organisatie wist, kwam eruit. Ik zou vijf maanden in eenzame opsluiting doorbrengen, maar al na twee maanden, misschien al na twee minuten, was het met me gedaan. Elke kracht die ik nog had om de drang te weerstaan wat dan ook te doen om hier weg te komen - kruipen, smeken, een ruilhandeltje opzetten - was na die nacht verdwenen. Alle vastbeslotenheid die ik nog had om mijn kameraden trouw te zijn, elke verplichting die ik nog voelde om te doen wat juist was en alle angst over wat mensen van me zouden zeggen of denken als ik dat niet deed: het ging simpelweg in rook op.
Achteraf besefte ik dat ik in die nacht ook iets anders had geleerd. Het drong tot me door dat iedere angst die ik ooit had gevoeld en iedere angst die ik ooit nog zou voelen, was geworteld in de onmogelijke gedachte aan mijn eigen ondergang en het afgrijzen dat die gedachte opriep. Die terminale paniek was de kern van al mijn angsten en heeft elke angst gevoed die ik sindsdien heb doorstaan; hoe gering ook, ze herinnerden me allemaal aan die fundamentele angst en leken er een uitdrukking van te zijn.
Als kind deed ik domme en gevaarlijke dingen - alle kinderen doen dat. Ik beklom rotsen zonder touwen, zwom in verraderlijke stromingen en reed op drukke wegen op een fiets zonder rem. Als jongeman blies ik elektriciteitsmasten op en ontweek ik patrouilles van de politie; ik was gespannen en opgewonden als ik dat soort dingen deed. Maar dapperheid kwam er nooit aan te pas. Eerder de bedrieglijke, kinderlijke moed die voortkomt uit gebrek aan zelfkennis. Het was nooit levensgevaarlijk en dus denk ik dat ik nooit werkelijk heb begrepen wat angst was. Maar nu begreep ik het; nu begreep ik het werkelijk.
Drie of vier weken nadat de belangrijkste verhoren waren afgenomen, werd ik van het politiebureau overgeplaatst naar de gevangenis in de Roelandstraat. Voor een tijdje zat ik gevangen in een van de vroegere dodencellen die werden gebruikt toen in Kaapstad nog mensen werden opgehangen. (In de jaren zestig werden alle doodvonnissen uitgevoerd in Pretoria; gemiddeld waren het er zestig of zeventig per jaar). Het was, gezien de functie ervan, een plek vol tegenstrijdigheden. Al ging het om een dodencel, toch was het een grote, zonnige, goed geventileerde cel in een gebouw dat apart stond van de rest van de gevangenis. De bovenste helft van de deur bestond uit zwaar traliewerk, zodat de bewakers, vierentwintig uur per dag aanwezig, konden zien of de gevangene zich van het leven probeerde te beroven. Laatste boodschappen van veroordeelde mannen (ik neem aan dat het om mannen ging) waren diep in de muren gegrift. Ze waren nog steeds zichtbaar, hoe vaak ze ook waren overgeverfd. Een ervan, in een hoekje bij de deur, luidde: 'Waarom vreest de mens de dood, maar vreest de dood niemand?'
Hoeveel mannen in die cel hadden verbleven voordat ze uiteindelijk naar de galg werden gebracht, weet ik niet. Niets in mijn leven had me op een dergelijke plek voorbereid. En de weken die ik erin doorbracht wakkerden mijn verlangen om tot elke prijs te ontsnappen slechts aan. Gedurende een deel van de tijd die ik daar doorbracht, dacht ik dat ik zelf opgehangen zou worden, tot duidelijk werd dat de autoriteiten een aparte rechtszaak wilden wijden aan de bomaanslag in het station, los van de kwestie van de ARM. Dat deden ze ook: John Harris werd schuldig bevonden en op 1 april 1965 in Pretoria ter dood gebracht. Op weg naar de galg zong hij: 'We Shall Overcome.'
Achteraf zou ik mijn val gemakkelijk kunnen wijten aan mijn verwarring, aan de eenzame opsluiting, aan de verhoren en de angst die daardoor bij mij werd gewekt of aan mijn korte verblijf in de voormalige dodencel. Maar dat zou niet helemaal waar zijn. Het was niet zozeer wat me tijdens de hechtenis werd aangedaan, maar eerder de confrontatie met mezelf die het bijtende zuur heeft gebrouwen dat me heeft onttakeld. Ik besefte al heel snel - bijna onmiddellijk nadat ik was gearresteerd - dat me waarschijnlijk een gevangenisstraf van twintig jaar of langer boven het hoofd hing, en misschien iets wat nog verschrikkelijker en onherroepelijker was, en dat kon ik niet aanvaarden. Ik voelde een onbeheersbaar innerlijk sissen van een afnemend vermogen om weerstand te bieden. Stukje bij beetje werd ik zichtbaar: ik was schaamteloos, kende mezelf niet, was doodsbang en diep ellendig. Ik heb namen genoemd. Ik heb kameraden verraden.
Veel mensen die in hechtenis onder druk staan, leggen verklaringen af en velen kunnen ertoe worden gebracht om te praten. Maar ik zou iets doen wat erger was: tijdens de processen van de groepen uit Kaapstad en Johannesburg legde ik getuigenissen af ten nadele van mijn vrienden en kameraden. Ongeveer acht of negen anderen stemden er eveneens mee in tegen hen te getuigen en enkele van hen gingen ermee door; anderen werden niet opgeroepen en vrijgelaten. Maar míjn verantwoordelijkheid voor het verraad in aanwezigheid van het slachtoffer was verreweg het grootst. Omdat ik me in het centrum van de organisatie had bevonden, richtten mijn getuigenverklaringen de meeste schade aan. Hoewel ik erin slaagde enkele leden van de organisatie en enkele anderen die ons hadden geholpen te beschermen, deed ik in het proces in 1964 tegen de groep uit Kaapstad (Eddie Daniels, Spike de Keller, Stephanie Kemp, Tony Trew en Alan Brooks) voor de rechtbank verslag van de werving, de training, de bijeenkomsten en de aanslagen en over wie wat op welk moment had gedaan. Aan het einde van deze verklaringen stortte ik in en huilde. Maar het was nog niet voorbij. In een gammel militair vliegtuig werd ik naar het noorden gevlogen om als getuige op te treden in het proces in Johannesburg tegen Baruch Hirson, Raymond Eisenstein, Fred Prager en mijn vriend Hugh Lewin.
Een van hen (Fred Prager) werd vrijgesproken, maar alle anderen gingen naar de gevangenis. Baruch Hirson zat negen jaar gevangen, Hugh Lewin zeven jaar, Raymond Eisenstein, Tony Trew, Alan Brooks en Spike de Keller twee jaar en Stephanie Kemp één jaar. Na vijf maanden, toen er vrijwel niets meer te verraden viel en de rechtszaken waren afgerond, hielden de autoriteiten zich aan de belofte die ze bij de schandelijke overeenkomst die ik met hen had gesloten hadden gedaan: ik werd uit de gevangenis ontslagen en moest Zuid-Afrika voorgoed verlaten.
Vijf
Ik verliet Zuid-Afrika op 1 januari 1965, in het hartje van de zuidelijke zomer, vierentwintig jaar oud. Ik ben nooit teruggekeerd. Ik kom er vandaan, ik ben er opgegroeid. Sommige dingen mis ik zo, dat ik het onverdraaglijk vind eraan te denken: het culturele pluralisme en de kleuren, de zee, de zon, de eiken en de wijngaarden aan de voet van de bergen, en (nu) de enkele mensen die ik persoonlijk heb gekend en die er nog steeds wonen of zijn teruggekeerd. Maar verder mis ik weinig: zeker niet de gewelddadige geschiedenis van het land, zeker niet de weerzinwekkende en nog steeds voortdurende maatschappelijke ontwrichting en de hardheid daarvan, zeker niet de aanstootgevende en ontstellende ongelijkheid, zeker niet de overal aanwezige meedogenloosheid en wel het minst het voortdurende geweld op weg naar een onzekere toekomst. Nu aan de officiële apartheid een einde is gekomen, hoop ik dat het onmetelijke optimisme van het land de problemen van de nieuwe democratie zal overwinnen. Maar de gedachte terug te gaan staat me niet aan, al zou ik soms wel enkele plaatsen uit mijn kindertijd willen bezoeken.
Wat was begonnen als een leven van een geslaagde adolescent en jonge volwassene, was toen, in 1965, een woestenij. Er was niets van overgebleven. Ik was een goede student geweest, voorzitter van de studentenbond van de universiteit en van de nationale studentenbond. Ik was actief op vele gebieden en in een groot aantal commissies. Ik werd als een goede spreker beschouwd, ik was energiek en moedig en genoot respect. Men dacht dat ik het ver zou brengen. Ik had vrijuit gesproken, gedemonstreerd en actiegevoerd tegen de apartheid in al haar vormen. Ik had geholpen fondsen op te richten voor studiebeurzen voor zwarte en gekleurde studenten. Ik had illegale bezoeken gebracht aan zwarte townships en colleges om contacten te leggen met de studenten en activisten daar, die veel moediger waren dan ik. Ik was uitgenodigd om congressen in het buitenland bij te wonen. Ik had kritiek geleverd op mensen die geen kleur bekenden. In een artikel (met, beschamend genoeg, de kop 'De moed van overtuiging') dat kort voor mijn arrestatie werd gepubliceerd, had ik zelfs geschreven dat 'mensen die niet vóór ons zijn, tégen ons zijn'. Ik had ertoe opgeroepen offers te brengen en ervoor gezorgd dat de mensen iets van me verwachtten, en dat deden ze dan ook. Toen ik steeds meer bij de ARM betrokken raakte, had ik aangedrongen op actie en nog eens actie. Hoe bang ik ook was, ik onderdrukte mijn angsten over wat we aan het doen waren en over de redenen waarom we dat deden, schoof mijn twijfels over onze nuttige inbreng terzijde en slaagde er volstrekt niet in de oorsprong van mijn energie te onderzoeken, en nog veel minder hoe die haar uitdrukking vond in politiek activisme. Ik had me actief ingespannen om mensen bij de organisatie te betrekken. Ze vertrouwden me en waren afhankelijk van me.
Toen ik gearresteerd was en ondervraagd werd, stortte ik simpelweg als een kaartenhuis in elkaar. Bij het uitspreken van het vonnis tijdens het proces in Kaapstad zei een rechter dat het tegenover ratten niet eerlijk was om mij als een rat te beschouwen.
Het is niet vreemd dat de meeste Zuid-Afrikaanse radicalen, afgezien van enkele familieleden en vrienden, mij in de jaren daarna negeerden en vermeden. De nationale studentenbeweging die ik twee jaar lang had geleid, schreef me dat ik van de ledenlijst was geschrapt. Ik was lid geweest van de Zuid-Afrikaanse Liberale Party, maar was teleurgesteld geraakt over haar beleid en haar daden. Nu stuurde de partij me een bondig bericht: ik was geroyeerd. Nadat ik in Engeland was aangekomen, kreeg ik het advies niet aan deze of gene universiteit te gaan studeren, want dat zou te veel vijandigheid oproepen, of ik zou andere Zuid-Afrikaanse ballingen ernstig in verlegenheid brengen. Een oude vriend gaf me de raad geen politicologie te gaan studeren en zeker nooit te proberen er onderwijs in te geven. Mensen schreven me brieven vol min of meer beheerst venijn en raadden me aan terug te gaan naar waar ik vandaan was gekomen. Een vriend uit mijn studentenjaren, de bekende Zuid-Afrikaanse dichter C.J. Driver, schreef een roman waarin de nauwelijks vermomde hoofdpersoon - ik was er duidelijk in te herkennen - ten slotte wordt geëxecuteerd. Een kennis schreef me dat hij had gezworen me te vermoorden toen hij hoorde wat er was gebeurd. Mensen gingen me nadrukkelijk uit de weg. Soms ving ik in Londen een glimp op van een Zuid-Afrikaanse balling die ik kende en dan draaide ik me om en ging ervandoor. Ik vermeed het over het algemeen de stad in te gaan en ik voel me er soms nog steeds niet op mijn gemak. Natuurlijk lag dat niet aan Londen, maar aan mezelf.
Zes
Dit is slechts een samenvatting van de uiterlijke geschiedenis van mijn verraad. Ik had lange tijd nodig voor ik ook maar een beetje kon erkennen wat ik had gedaan. Ik betwijfel of ik de innerlijke geschiedenis van mijn daden ooit werkelijk zal begrijpen. We zijn allemaal in staat tot zelfbedrog, vooral wanneer we ernaar streven de waarheid te zeggen. Wanneer mensen sindsdien met me spraken over wat ik had gedaan waren ze geneigd tot slechts twee standpunten. Het menslievende standpunt houdt in: niemand weet echt hoe hij of zij, blootgesteld aan een dergelijke druk, hoe zwaar of licht ook, zal reageren en daarom kun je je er beter voor hoeden anderen te veroordelen. Maar ik heb me vaak afgevraagd waarom we niet weten hoe we zullen reageren. Omdat we onszelf niet goed genoeg kennen? Handelen we misschien daarom soms in een mist van gebrek aan zelfkennis en begeven we ons in situaties waarin we niet thuishoren en waartegen we niet opgewassen blijken te zijn? Of kunnen we hoe dan ook nooit voorzien welke situaties dat zullen zijn en leren we onszelf pas kennen als we erin zitten? In alle oprechtheid, ik weet het niet.
Het andere standpunt houdt in: hoe heb je dat kunnen doen? Waarom heb je je in 's hemelsnaam zo gedragen? Waarom zwichtte je zo snel en was je verraad zo volledig? Het is bijna onbegrijpelijk dat iemand als jij dat kan doen. Instorten tijdens eenzame opsluiting is begrijpelijk, dat overkomt de meeste mensen, maar aan dat bloedige regime bewijzen leveren tegen je kameraden? Waarom? Hoe kon je jezelf verdragen terwijl je dat deed, laat staan daarna?
De simpelste en meest voor de hand liggende uitleg zou zijn dat ik laf was; lafhartigheid zonder meer verklaart veel. Mijn gedrag en mijn zienswijze voor de inhechtenisneming en opsluiting waren niet laf; daar ga ik in ieder geval van uit. Ik deed dingen en nam risico's die mijn kameraden meestal niet aandurfden. Ik kon op geen enkele manier voorzien of plannen wat er tijdens de hechtenis gebeurde; ik kan me eigenlijk niet voorstellen dat iemand daarover plannen zou kunnen maken. Dus als het lafheid was, wat is daarvan dan de verklaring, in die omstandigheden?
Ik ben tot de conclusie gekomen dat niet alle keuzes die we maken even rationeel zijn als we wel zouden willen, vooral de keuzes die beslissend zijn. Misschien lijken die meer op touwen die onvoorspelbaar door diepere energiestromen van dierlijke angst, overlevingsdrang, agressie, onzekerheid, pijn, haat en lust worden aangehaald en die de kracht kunnen hebben alle waarden, overtuigingen, morele opvattingen, cultuur, terughoudendheid, rede en waardigheid terzijde te schuiven. Dat gebeurt niet altijd, maar het kán. Ik denk dat er zoiets gebeurde, toen ik ertoe kwam te kiezen wat ik zou gaan doen. Het was een keuze, en het was mijn keuze: want al was er druk en angst en desoriëntatie, niemand heeft me ertoe gedwongen.
Ik weet nog dat ik enkele elementaire berekeningen van kosten en baten maakte - van wat er zou gebeuren als ik wel of niet bewijsmateriaal prijsgaf tegen mijn vrienden en kameraden - dat ik zocht naar rechtvaardigingen en ontsnappingsmogelijkheden. Maar ik had ook het gevoel dat de keuze in feite werd aangedreven door het krachtig opkomend tij van een ander soort energie, dat aan rationele berekening en inschatting voorafging. Een stroming in dat getij was angst, verschrikkelijke angst. Maar het was ingewikkelder dan dat, het ging dieper. Het was bijna alsof ik mezelf in een situatie had gebracht die ik zelf had gecreëerd, maar dan een die ik nooit heb bedoeld, nooit heb begrepen, nooit heb voorzien. Het was alsof ik wakker was geworden en ontdekte dat ik me in de nachtmerrie van iemand anders bevond, of misschien in het leven van iemand anders. Maar het was mijn eigen leven. Het was echt, het was verschrikkelijk, en ik moest eruit.
Ik zie nu in dat een deel van het leven dat ik voor mijn arrestatie had geleid een leugen was. Geen opzettelijke leugen - maar desondanks een leugen. Ik moet me destijds min of meer bewust zijn geweest van de spanning tussen het soort mens dat ik was en het werk dat ik deed, maar dat had ik toen niet kunnen begrijpen. Het was gewoon zo, dat de buitenste schil van mijn imago en mijn gedrag onecht was: het was een constructie, een rol die ik me had aangemeten, en die kwam voort uit een gevoel van ontoereikendheid, de angst onbeduidend, onopgemerkt of onbemind te zijn, en een daarmee overeenstemmende behoefte om mensen te imponeren. Achteraf weet ik zeker, dat ik bij politieke actie betrokken raakte, omdat politieke actie de zekerheden en de status met zich meebracht waaraan het me ontbrak. Maar door daarbij betrokken te raken, was ik in iets terechtgekomen wat een eigen leven begon te leiden. Ik dwaalde verder en verder af van mijn vermogen mijn eigen grenzen te begrijpen en ze te aanvaarden. Het persoonlijke, sociale en politieke leven dat ik voor mezelf opbouwde, had zwakke fundamenten, al had ik uiterlijk gezien succes. Toen ik werkelijk op de proef werd gesteld als de persoon die ik had geconstrueerd en wiens rol ik had gespeeld, smolt de schmink, viel de valse baard af, brak de broekriem en gleed de geleende broek op de vloer. De kleine toneelspeler was naakt en ontdekte dat wat hij als spel begonnen was werkelijkheid werd; hij vluchtte het toneel af en smeekte het theater te mogen verlaten.
Misschien was ik al te zeer betrokken geraakt bij een strijd waarvan de eisen mijn capaciteiten te boven gingen.
Zeven
Ik zal proberen uit te leggen wat ik hiermee bedoel. Het was niet zo, dat ik niet geloofde in de waarden waarvoor we stonden en die gericht waren tegen die van de apartheid en de onderdrukking: het was een afschuwelijk regime. Er waren echter vele andere blanke, radicale Zuid-Afrikanen die de apartheid ook oprecht haatten, maar die zich óf in het buitenland vestigden óf bleven zonder op gevaarlijke wijze bij de politiek betrokken te raken. Ze hadden besloten hun leven niet aan de strijd te wijden en leken te weten waar ze de scheidslijn moesten trekken tussen moedige, maar voorzichtige oppositie en gevaar, en hoe ze met die scheidslijn moesten leven. Veel van hen verspreidden zich over de universiteiten van Engeland, Noord-Amerika en Australië of zetten in die landen hun loopbaan voort. Sommigen reisden zelfs zo nu en dan naar Zuid-Afrika voor familieaangelegenheden of om onderzoek te doen en sommigen zijn sinds het einde van de apartheid voorgoed teruggekeerd.
Maar waarom hebben zij de drempel naar de gevarenzone niet overschreden? Wat weerhield hen ervan hun leven aan de zaak te wijden, in Zuid-Afrika zelf of in het buitenland? Waarom lieten ze hun lot niet volledig door de strijd bepalen, zoals de vastbesloten tegenstanders van de apartheid deden? Sommigen deden dat natuurlijk wel, maar dat was maar een handjevol buitengewone mensen. De meerderheid deed het niet en was oprecht genoeg om te beseffen, dat de strijd niet hún strijd was - niet werkelijk, niet in persoonlijke en exclusieve zin, in ieder geval niet zodanig, dat ze zich er volledig aan wilden wijden, ten koste van hun carrière, hun familie en hun dagelijks bestaan.
Terwijl zíj beschikten over de zelfdiscipline, de zelfkennis en de oprechtheid om hun betrokkenheid af te stemmen op hun capaciteiten, of anders het land verlieten, maakte ík de fout de drempel naar de gevarenzone te overschrijden. Op grond van oprechte afschuw van het regime en uit sympathie voor en solidariteit met de mensen die eronder leden, maar zonder het noodzakelijke niveau van werkelijk persoonlijk inzicht en vastbeslotenheid. Maar waarom? Waarom was ik me verantwoordelijk gaan voelen voor alles wat in Zuid-Afrika gebeurde zonder eerst verantwoordelijkheid voor mijzelf op me te nemen? Was dit niet mijn werkelijke misdaad, mijn erfzonde, de misdaad van gebrek aan zelfkennis? En waren mijn andere misdaden daar niet een rechtstreeks gevolg van?
Ik kan mijn eigen vraag niet echt beantwoorden. Deze gedachtegang zou mede kunnen verklaren waarom ik heb gedaan wat ik deed, maar misschien ook niet. Misschien roept hij slechts meer vragen op dan hij beantwoordt.
En misschien is het genoeg simpelweg te beseffen, dat mijn gedrag in morele en politieke zin schandelijk, schadelijk en verkeerd was. Er is geen ander uitgangspunt mogelijk dan dat, ongeacht de politieke zaak of de context. Elke poging te verklaren hoe deze dingen konden gebeuren dragen de jammerlijke implicatie van een vorm van rechtvaardiging met zich mee, door de verantwoordelijkheid af te schuiven op andere plaatsen, andere mensen of een andere situatie. Daaraan heb ik geen behoefte. Ik heb het gedaan. Ik heb ervoor gekozen betrokken te raken. Ik heb gehandeld. Ik ben verantwoordelijk voor wat ik heb gedaan: de dans ontspringen. Ik heb diep berouw van hoe ik me heb gedragen. Als ik het verleden zou kunnen veranderen, zou ik het doen. Maar dat kan ik niet. Dus op dit punt moet ik het laten rusten. Daar moet het blijven. Sommige mensen zullen misschien zeggen dat het dus het beste zou zijn dat ik mijn mond hield, niets meer zei over wat dan ook en in een hoekje kroop.
Maar toch heb ik iets te zeggen.
Acht
Deze gebeurtenissen waren voor mij en anderen een keerpunt: zowel een einde als een begin. Ik denk niet dat iemand van ons ooit in alle ernst heeft voorzien dat zoiets zou gebeuren en zeker niet hoe het zou gebeuren. Daarna gingen alle mensen die erbij betrokken waren volkomen verschillende richtingen uit. Het leven dat we voor die rustige juliochtend in 1964 in Zuid-Afrika hadden geleid viel simpelweg uiteen. Aan de meest hechte vriendschappen kwam een einde; samenwerkingsverbanden die met stalen banden aaneengesmeed leken, vielen uiteen; carrières kwamen plotseling tot stilstand; lidmaatschappen die levenslang leken te duren werden afgebroken; bezittingen verdwenen. Iedereen werd volslagen abrupt losgescheurd van de dagelijkse structuren waarvan hij of zij deel had uitgemaakt en van het leven dat ze voorheen hadden geleid en dat door de gebeurtenissen van dat jaar was uitgedoofd werd zelden fatsoenlijk afscheid genomen.
Nadat ik die ochtend was gearresteerd en in de politieauto werd meegenomen, heb ik de straat waarin ik woonde nooit meer teruggezien, evenmin als de buurt waarin ik ben opgegroeid. Ik zie het allemaal nog steeds voor me, in die kou van juli 1964. Ik werd uit de structuur van het dagelijks leven gerukt en opgeslokt door het systeem, eerst ik Kaapstad, daarna in Pretoria. Nadat het systeem me had opgeslokt en verteerd, spuwde het me vijf maanden later uit in Johannesburg en van daaruit verliet ik het land voorgoed. Een jaar later werden me in Engeland enkele boeken en wat persoonlijke bezittingen nagezonden, voorwerpen uit een andere tijd en een andere wereld. Ze kwamen aan in een houten kist toen ik in een ijskoud stenen arbeidershuisje aan de grens van Wales woonde en lesgaf aan een nabijgelegen school in Oswestry. Toen ik op een avond thuiskwam van mijn werk trof ik de kist aan; ze was bij de voordeur in de sneeuw neergesmeten alsof ze daar was afgewezen en in de steek gelaten.
Al die me mensen die naar de gevangenis gingen en al hun familieleden hebben vreselijk te lijden gehad. Sommigen werden vervroegd vrijgelaten, anderen moesten hun hele straf uitzitten. Slechts één van hen, Eddy Daniels, bleef in Zuid-Afrika nadat hij was vrijgelaten; de rest ging naar het buitenland. Allemaal doorstonden ze met moed en waardigheid datgene waarvoor ik was weggevlucht en telkens wanneer ik eraan denk, word ik overspoeld door schaamte. In de loop der jaren heb ik geprobeerd met hen allemaal contact te leggen, per brief of via tussenpersonen, om te zeggen dat ik spijt had van mijn zwakheid, falen en verraad. Sommigen toonden een buitengewone edelmoedigheid (zoals Eddy Daniels en Stephanie Kemp) en gaven rechtstreeks antwoord of legden contact met me - per brief, soms door berichten die door anderen werden overgebracht, één keer per telefoon en zo nu en dan per e-mail. Anderen hebben, begrijpelijk genoeg, nooit gereageerd. Het soort verontschuldiging dat ik hun allemaal zou moeten bieden, kan niet in woorden, of op welke andere mij bekende manier ook, worden uitgedrukt. De mensen die niet werden gearresteerd en erin zijn geslaagd te ontsnappen, gingen allemaal in ballingschap, en moesten buiten Zuid-Afrika een soort nieuw leven opbouwen, al zijn enkelen teruggegaan na de ineenstorting van de apartheid.
Negen
Wanneer ik terugkijk, lijkt de tijd sinds ik Zuid-Afrika verliet en in Engeland ging wonen, zowel kort als lang: soms vloog hij om, soms kroop hij voorbij. Aanvankelijk gebeurde er niets, en toch gebeurde er veel. Ongeveer vijftien jaar lang leefde ik alsof ik half sliep, half dood was. Oppervlakkig gezien functioneerde ik tamelijk goed. Ik begon langzaam activiteiten te vertonen en contacten te leggen die me bonden aan het dagelijkse bestaan in dit vreemde land. Eerst was ik, in een poging mijn draai te vinden, weggegaan: ik werkte in een kibboets en later als boerenknecht in het zuiden van de Verenigde Staten. Daarna keerde ik terug naar Engeland en gaf een jaar lang les op een school in Shropshire. Nog meer besluiteloosheid en omzwervingen volgden, maar ten slotte voltooide ik mijn postdoctorale studie, nam enkele tijdelijke baantjes aan op de universiteit en had daarna het geluk een vaste baan in York aangeboden te krijgen.
Maar veel anders was er niet en ik leefde maar half. Hoe had het anders kunnen zijn? Want al kun je vrij snel een uiterlijk kader van je dagelijks bestaan opbouwen, je integriteit, en vooral een soort elementair gevoel van eigenwaarde, is niet gemakkelijk te herstellen. Wederopbouw kost tijd. Net als bij een rotte kies of een etterende wond moet je eerst de rotzooi opruimen voor het genezingsproces kan beginnen, anders wordt het steeds erger. En je moet bereid zijn naar die rotzooi te kijken.
Aanvankelijk deed ik dat niet. Misschien kon ik het niet. Ik zou zeker niet hebben kunnen schrijven wat ik nu schrijf. Ik bleef maar piekeren in de hoop een rechtvaardiging of zelfs een verklaring te vinden voor wat er gebeurd was die me als het ware van mijn eigen gedrag zou vrijspreken. Dat enkele goede vrienden me zelfs in die fase nog konden verdragen, vind ik nu gewoon een wonder. Want zolang ik mijn eigen verantwoordelijkheid niet werkelijk aanvaardde en onder ogen zag, zou ik nooit in staat zijn vaste grond onder mijn voeten te krijgen: ik zou een schijnbestaan leiden, mijn zwakheid zou blijven, gezonde wortels zouden zich nooit kunnen vormen. Als je de waarheid niet aanvaardt, aanvaard je alleen illusies, hoop, fantasieën.
Aan het einde van de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig trouwde en scheidde ik tweemaal, snel achter elkaar, en veroorzaakte nog meer pijn en ontwrichting. Ik vermoed dat ik in die relaties de goedkeuring en aanvaarding hoopte te vinden die me in staat zouden stellen mezelf te aanvaarden en te respecteren. Maar je kunt zo'n relatie - of wellicht welke relatie dan ook - niet handhaven zonder een elementair gevoel van eigenwaarde. En toen voelde ik me nog waardelozer. Ik werd afhankelijk van slaappillen en raakte in paniek als ik er te weinig in huis had. Mijn angst en machteloosheid die me in handen van de veiligheidspolitie waren overvallen, raakte ik niet kwijt en ik had twee terugkerende dromen die daarvan getuigden. In één ervan bleef ik maar denken dat niet al het explosieve materiaal dat we hadden verzameld gevonden was, dat een deel ervan lag te bederven in een halfvergane koffer in de een of andere bergplaats, op het punt stond te ontploffen en mensen te verwonden. In de andere droom zwom ik naar Engeland. In verschillende versies van de droom zag ik soms de witte rotsen van Dover, of de regeringsgebouwen, die naar de kust waren verplaatst, of een ander concreet symbool van het land dat aan de horizon verscheen, en ik zwom verder, opgelucht, omdat ik er bijna was. Maar vervolgens kwam er een klein bootje met een buitenboordmotor aantuffen en ging naast me varen. Daarin zaten Van Dyk en Van Wyk, en soms Rossouw; ze wuifden en lachten naar me en zeiden: 'Kom op man, zwemmen, we pakken je toch wel voor je er bent.'
Een tijdlang ging ik naar een psychiater, een gemoedelijke man die me deed denken aan Beaker uit de Muppet Show. Ik bezocht hem elke week in zijn Victoriaanse huis aan de rand van York. In de hal stond een grote klok langzaam te tikken. In de schouw van zijn spreekkamer brandde zachtjes een gashaard. We praatten. Er vielen lange stiltes. Niets veranderde. Ik bleef maar denken dat ik een andere baan moest zoeken, ergens anders heen moest gaan, een nieuwe naam moest aannemen of het land moest verlaten. Gedurende de donkerste dagen van die periode leek het zinloos om nog door te gaan, maar mijn levenswil bleek onvernietigbaar te zijn. Vernietiging was afschrikwekkend, en zelfvernietiging des te meer.
Tien
Het is niet nodig uit te weiden over deze periode, waarin ik maar half leefde. Er gebeurden echter twee dingen, ongeveer in dezelfde tijd, die tot verandering leidden. Ten eerste kwam er ergens in 1980 een einde aan een belangrijke relatie. De vrouw had veel voor me betekend en nu vertrok ze. Ik voelde me ongelukkig en eenzaam. Dat leek een oud gevoel te zijn dat een meeromvattend gevoel van waardeloosheid opriep, zoals een schreeuw in de bergen kreunend wegsterft en dan schijnbaar van alle kanten weer op je afkomt.
In dezelfde periode, of kort daarna, bezocht ik twee vrienden in Londen, Jill en Tony Hall (beiden psychotherapeut) en wij begonnen over de gebeurtenissen van 1964 te praten. Het laatste lid van de groep, Eddy Daniels, was onlangs uit de gevangenis ontslagen. We hadden al talloze keren gesproken over wat zich in dat jaar had afgespeeld. Maar toen zei Jill, die ik goed kende en volledig vertrouwde, plotseling: 'Nee, het was helemaal niet goed. Hoe erg je ook onder druk stond, het was niet goed je zo te gedragen.' Ik weet dat het ongeloofwaardig klinkt, maar ik had mezelf voorheen nooit toegestaan die simpele waarheid toe te geven.
Een gevoel van waardeloosheid omringde me, als mist die niet wilde optrekken. Al mijn werk, al mijn activiteiten leken zinloos en leeg, als een masker waarachter ik in het geheim wegkroop, vol schaamte en angst, doodsbang om te worden ontdekt, maar niet in staat om naar buiten te komen. Het drong tot me door, dat ik op de een of andere manier had vermeden de waarheid over mijzelf en de gebeurtenissen van 1964 onder ogen te zien, en nu ontdekte ik welke gevolgen dat had gehad.
Ik besloot naar een psychotherapeut te gaan die Robin Shohet heette en die ik een tijdlang regelmatig bezocht. Het is moeilijk te beschrijven wat tijdens die sessies gebeurde. Het was in geen enkel opzicht dramatisch. We zaten op grote kussens in een kleine flat, terwijl de geluiden van een straatmarkt in het westen van Londen tot ons doordrongen, en ik dacht aanvankelijk dat het allemaal onzin was. Wat kon er hier nu gebeuren dat ook maar een klein verschil zou maken voor wat dan ook? 'Ik heb je niets te zeggen', zei hij aan het begin tegen me, toen ik blijk gaf van mijn onwetendheid en laatdunkendheid ten aanzien van het proces. Maar daar kwamen we overheen en ik ontdekte al gauw dat hij me niet spaarde. Als ik een verkeerd beeld van de situatie gaf, stelde hij dat ter discussie. Als ik verklaringen probeerde te vinden en bepaalde dingen ontweek, kapte hij me af en bracht me terug naar wat ik had gedaan en hoe ik me daarover voelde.
Ik leerde een simpele les die voor mij van onmetelijk belang was: verantwoordelijkheid aanvaarden voor wat ik had gedaan. Niet voor waarom ik het had gedaan, of voor de omstandigheden waarin ik het had gedaan, maar voor het feit dát ik het had gedaan. Dat ik mijn kameraden had verraden. Hoe de omstandigheden ook waren geweest, ik was niettemin een dader, geen slachtoffer. Ik had een keuze gemaakt, ik had gehandeld. Ik had me ontstellend schandelijk gedragen. Ik kon niet veranderen wat ik had gedaan: ik zou ermee moeten leven. Hoe het me ook speet, het verleden kon niet worden veranderd. Mijn verraad had zich in het openbaar afgespeeld en was bekend, en bleef niet, in tegenstelling tot veel ander verraad, in de persoonlijke sfeer verborgen. Ik kon er niet aan ontkomen, ik kon het niet onderdrukken of vermijden. Sommige mensen zouden me altijd blijven haten. En dat moest ik accepteren. Maar aan mijn slapeloze nachten en het gevoel uitgeschakeld te zijn, kon een einde komen. Het was mogelijk een manier te vinden om verder te gaan.
Elf
Aan het begin van 1984 gooide ik mijn slaappillen weg. In die tijd deed ik onderzoek in Australië. Een tijdlang sliep ik licht en werd ik vaak wakker, als een ondiepe vloed die snel over een vlak strand glijdt en een rimpelend laagje water achterlaat. Maar daarna begon ik dieper te slapen: de vloed kwam verder op. In de loop van vele, vele maanden herstelde mijn normale slaappatroon zich langzaam en dat ging gepaard met het gevoel dat ik opnieuw tot leven kwam.
In de jaren die volgden, kwamen de dromen steeds minder vaak terug en verdwenen ze ten slotte bijna helemaal. Ik begon het belang van het verband tussen het persoonlijke en het politieke te zien op een manier die voorheen nooit bij me was opgekomen. Mijn energie keerde langzaam terug en ik wijdde me aan het onderwijs dat ik gaf en aan mijn studenten. Ik werkte hard aan mijn onderzoek en mijn publicaties in de hoop een bijdrage te leveren aan mijn vakgebied. En het drong tot me door dat ik me ergens kon vestigen en geworteld kon raken, hier in Engeland, en ik voelde me bij mijn collega's beter op mijn gemak. Voorheen had een gezin stichten me ofwel onmogelijk, ofwel onwenselijk geleken, maar nu zag ik het als een uitdaging, een plan voor de toekomst dat losstond van het verleden. Nu heb ik, als vader van twee schoolkinderen, praktische en gewone verantwoordelijkheden, verplichtingen en zorgen die gericht zijn op de kinderen en op wat zij nodig hebben. Het verleden kan uiteraard niet worden veranderd, en evenmin vergeten, maar de toekomst ligt altijd open.
Hoewel de gebeurtenissen die ik heb beschreven altijd deel zullen blijven uitmaken van mijn huidige leven, voel ik me veel verder weg van die koude ochtend in juli 1964, toen het allemaal begon, of eindigde. Het komt nog steeds voor dat ik ten prooi val aan golven van schaamte en afkeer van mezelf en denk dat ik erin zal verdrinken. Het gevoel van wanhoop keert terug en ik wil wegrennen en me verbergen. Maar ik ben gaan geloven dat het niet alleen mogelijk is door te gaan en door te blijven gaan, maar dat we dat ook moeten doen. Er is simpelweg geen andere bestaansmogelijkheid: je het verleden herinneren en er verantwoordelijkheid voor nemen. Want alleen dan kun je in het heden leven en een bijdrage geven aan de toekomst, alleen dan kun je van het verleden leren, zodat het zich niet zal herhalen, en alleen dan kun je vertellen hoe het was.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.