|
|
Voetbal is politiek
Voor veel mensen is voetbal politiek. Zelfs belangrijker. Een recent Nederlands initiatief brengt de relatie nog eens onder de aandacht. De beste voetballer die Nederland - de wereld? - ooit heeft gekend, Johan Cruijff, is een van de voortrekkers van de 'Club van 100' die recentelijk een manifest publiceerde om de vastgelopen Nederlandse politiek tot vernieuwing te inspireren. Ode ging terug in de geschiedenis en vond een bijzonder interview van Ischa Meijer met Cruijff uit 1984: 'Voetbal is de voorbode van wat zich in de samenleving gaat afspelen.'
Voetbal is politiek. Voor veel mensen is voetbal politiek. Zelfs belangrijker. Een recent Nederlands initiatief brengt de relatie nog eens onder de aandacht. De beste voetballer die Nederland - de wereld? - ooit heeft gekend, Johan Cruijff, is een van de voortrekkers van de 'Club van 100' die recentelijk een manifest publiceerde om de vastgelopen Nederlandse politiek tot vernieuwing te inspireren. Ode ging terug in de geschiedenis en vond een bijzonder interview van Ischa Meijer met Cruijff uit 1984: 'Voetbal is de voorbode van wat zich in de samenleving gaat afspelen.' De voetballer: 'Het is vreemd dat ik de afgelopen tweeenhalf jaar zegge en schrijve een competitiewedstrijd verloren heb. Raar. Hoe kan dat nou? Daarover denk ik wel eens na.Ik deed iets, vermoed ik, dat de meeste spelers niet kunnen opbrengen: elke seconde was ik erbij betrokken. En daarvoor hoef je helemaal niet de bal te hebben. In zekere zin wordt het spel gedomineerd door die bal - en toch vormt dat element eigenlijk een miniem facet van het totaal. Ik had de bal dan toevallig vrij vaak - maar wanneer je het in tijd zou uitrekenen, komt het gemiddeld hoogstwaarschijnlijk neer op vijf minuten van de negentig. Uiteindelijk maken de overige vijfentachtig het wezenlijke verschil uit: volledige concentratie. Ik merkte praktisch niets van het publiek. Ik was hoofdzakelijk bezig met praten, dirigeren, denkend zoeken. Dat valt moeilijk onder woorden te brengen. Het blijft mysterieus. Het is zo simpel. Hoe komt het dan toch, dat het vaak niet gaat? Een eenvoudige rekensom, die in de meeste gevallen onoplosbaar blijkt. Wat was mijn rol in dat geheel? Ik weet het echt niet.Wél zag ik een half jaar nadat ik de laatste keer bij Ajax was weggegaan, allerlei details die ik in het spel had aangebracht, wegslibben. Maar wat nu precies mijn aandeel in dat complex van steeds wisselende taakopdrachten is geweest, kon ik toen al niet meer overzien. Een deel van mezelf blijft tijdens de wedstrijd toch geisoleerd; erbuiten.
Het vorige seizoen werden we met Feyenoord kampioen, en wonnen we de beker. Hebben wij het beste gevoetbald? Helemaal niet. Waren wij superieur? Geen sprake van. Wat waren we dan wel? De meest regelmatige ploeg. Wij zaten nooit onder het midden; altijd minimaal erop. De andere ploegen waren zoveel wedstrijden beter, maar zaten dan ook vaak onder die streep van het gemiddelde - en daaraan ga je altijd kapot. Het gemiddelde houdt immers ook in: dat het niet zo erg is, als je iets slechts doet. Ajax begon in zijn glorietijd ook altijd in het midden - dan kan de stap naar de top eenvoudiger genomen worden. Het grote punt is: je hebt een spelletje met tweeëntwintig man: allemaal individualisten, maar toch twee teams. Alles in die sport is innerlijk tegenstrijdig. Je moet met zijn elven als een hermetische groep opereren, en iedere speler wordt voortdurend op zijn individuele prestaties beoordeeld. Elf manieren van denken, elf meningen, elf karakters - ze kunnen het nooit met elkaar eens worden, en toch moet er in het veld een lijn getrokken worden. Daarbij komt nog de volgende complicatie: dezelfde moeilijkheden die zich voordoen wanneer het niet goed gaat, doemen gespiegeld op als het gesmeerd loopt. Zit de klad erin, stellen de jongens, door organisatie en niet vanuit puur eigen inzicht, alles in het werk om de zaak weer in het gareel te krijgen. Ontwikkelt het spel zich optimaal, willen deze spelers allemaal toch weer apart opvallen. Als jongetje had ik geen besef van mijn talent. Ik mocht steeds meedoen met een oudere groep. Toen was er geen kwestie van dat ik de beste was, of mij zo voelde. Ik was de jongste, en moest, elke keer opnieuw, knokken om erbij te mogen komen, erbij te blijven, erbij te horen - en dat gevecht is in principe nooit opgehouden. Alleen, op een gegeven moment weet je wat er gedaan moet worden om te voorkomen dat je slecht speelt - en dan bedoel ik: slecht spelen als speler, en niet als publieksspeler; want goed spelen voor publiek is eigenlijk makkelijk - of het ook werkelijk rendement heeft, is een andere vraag. Ik ben echt verweven geweest met Ajax. Maar die liefde heeft zoveel stadia gekend. Je houdt van iets, en vervolgens komen er andere belangen om de hoek kijken. Als slechte voetballer kun je je niet handhaven in een topclub - maar wanneer je erg goed bent, lukt het ook niet; omdat je als ondergeschikte - wat ben je anders als speler?- met lieden moet onderhandelen die absoluut geen verstand hebben van de materie. Bij ons is het zo: na de trainer en de spelers houdt het op. Het bestuur van de vereniging weet totaal niet waarover het nu werkelijk gaat. Dat is over de hele wereld hetzelfde. Ik was professional, maar moest almaar werken met mensen die niets van mijn vak begrepen. Dat is het moeilijkste geweest. Steeds wist ik op tijd wat er diende te gebeuren, maar zij kwamen daar dan pas een jaar later achter. Ik ben altijd gedwarsboomd. Ik ben voortdurend omringd gebleven door amateurs, die me gefrustreerd hebben in mijn idealisme. In het begin heeft de publiciteit me kunnen aantasten. Nu interesseert het me niets meer. Die fase ben ik allang ontgroeid. Het is te ver gegaan. Pas geleden stond er in de krant: 'Hij gaat naar Nieuw-Zeeland.' Ik wist daar niks van. Kom ik met mijn zoontje in het dorp, vraagt een man mij: 'Ga je naar Nieuw-Zeeland?' Die had het op de radio gehoord. Reis ik van de week naar Spanje; stonden de kranten daar er ook al vol mee. Belden vervolgens Engelsen mij erover op. En dat gaat dan zo maar door. Als ik ergens genoemd word, blijft het nooit beperkt tot dat ene lokale blaadje - het is meteen internationaal nieuws. Waar ter wereld ik mij nu vertoon, wordt verteld dat ik in Nieuw-Zeeland ga spelen. Ik heb er geen moeite meer mee. Maar voor anderen met wie ik moest werken, is die publiciteit wel problematisch. Zij zijn nog lang niet zover als ik geweest ben. Ik bevind mij al weer op de terugweg, terwijl zij nog niet eens aan de heenreis begonnen zijn. Met dat soort tegenstellingen word ik permanent geconfronteerd. Als ik tien of twintig keer in een seizoen de beste man van het veld was geweest, en we werden geen kampioen, zag men mij toch niet als de voetballer van het jaar. Excelleerde ik maar vijfmaal, en wonnen we de beker, dan vonden ze me gelijk de top. Zo werkt dat. Weer zo'n conflictsituatie. Zo trok ik me terug op mezelf, en leerde voor het geheel te spelen. Zo kon ik ontsnappen aan elk direct eigenbelang. Ik wist: die interesse in mijn persoon komt heus wel - als ik maar op het eind goed blijk te zijn geweest. En die persoonlijke waardering vormt toch de enige maatstaf waarnaar ik als zakenman en mens beoordeeld werd, en nog steeds word.
Ik ben altijd dwars door alle heersende opvattingen heengegaan. Ik durfde tegen mezelf te zeggen: vandaag is niet belangrijk. Dus ik hoef nu niet zo nodig dat mannetje te nemen, en de bal er hoogstpersoonlijk in te schieten. Als de organisatie goed is, lukt het best. Is het niet op dit moment, dan komt het morgen wel. Noem het allenigheid - je kunt ook zeggen dat ik een goed vakman ben; beter dan de rest. Ik was altijd verder. Ik kan het me niet permitteren om bij bepaalde zaken stil te staan. Er worden wel eens van die onderzoeken gedaan. Als je dan merkt hoe bekend ik in de wereld ben. Volgens de laatste gegevens blijken twee miljard mensen mij te kennen. Dat moet ik dan maar vergeten - gewoon niet denken. Het ging met mij steeds hoger en hoger - hoger kon het op een bepaald moment niet. Om weer in staat te zijn om alles op een normale wijze te waarderen, moest ik toch een keer vallen. Dat merkwaardige avontuur met die oplichter heb ik zodoende natuurlijk ook mede zelf bewerkstelligd. Ik viel, en hard. Achteraf denk ik: het was het mooiste ogenblik, waarop het gebeurde. Het was het beste wat me toen kon overkomen. Daardoor werd ik in staat gesteld om rustig opnieuw te beginnen. Het had niet beter gepland kunnen zijn. Niets kan toeval zijn. Ik mag dan niet veel geleerd hebben, maar ik kreeg een hoop talent toebedeeld. Misschien vond degene die mij deze gave geschonken heeft, dat ik te kort had doorgespeeld; dat ik te weinig mensen ervan had laten profiteren. Het zou kunnen zijn dat hij vond: val maar eens goed diep, en ga dan de wereld door. Hoe is het anders mogelijk dat ik tot mijn dertigste maar bij twee clubs heb gespeeld, om daarna de hele wereld rond te zwerven? Op zichzelf is dat toch belachelijk. Maar het moest. En ik had het niet willen missen. Toch - als die klap niet was gekomen, had ik het niet gedaan. Mijn grootste probleem destijds was: de teleurstelling in mensen. Dat is ook iets dat je moet leren. Van de honderd mensen die ik ontmoet, zijn er negenennegentigenhalf die wat van me komen halen. Bijna niemand komt mij iets brengen - en dan heb ik het nog niet eens over geld. Eén keer heb ik hierin een fout gemaakt. Ik voel zeker wel wrok. Maar ik heb helemaal geen haast. En toch zeg ik: 'Het was goed.' Ook dat is tegenstrijdig. Ik ben zelden of nooit in de kerk geweest. Ik heb wel mijn eigen denkwijze over dat soort zaken.
Ik ben pas zevenendertig. Maar er zijn zoveel dingen met mij gebeurd; zo extreem; zo uiteenlopend - alles. De mooie ervaringen zijn honderd keer zo sterk als bij een ander van mijn leeftijd; maar de teleurstellingen ook. Dan denk je: het kan toch niet zomaar waar zijn. Het gekke is: hoe je het ook wendt of keert - het is altijd fifty-fifty. Merkwaardig he. Al ben ik dan de beste van de wereld - het is altijd: vijftig procent voor, en vijftig tegen. Alles is altijd: het midden. Die balans heb ik nodig om tegen al dat soort spanningen bestand te kunnen zijn. Ik ken geen angst, wel de twijfel. Maar dat heeft nooit voor mijn vak gegolden. Ik heb daarin altijd eerder het risico gezocht dan de zekerheid. Dat lag in mijn spel besloten. Het was elke keer weer: in het honderdste deel van een seconde de calculatie maken tussen observatie en handeling. Wanneer er werd afgefloten, was ik uitgeleefd; op. De tijd waarin ik mij herstelde, werd steeds langer. Toen ik twintig was, kostte het me twee uur, en mijn laatste wedstrijden drie dagen. Volledig uitgewoond. Ik bestond dan wel, maar was er niet bij; twee dagen volkomen weg, en de derde langzaam bijkomen. Nu kijk ik voor het eerst werkelijk naar wedstrijden. Na afloop heb ik dan hoofdpijn - zo intensief maak ik het kennelijk mee. Dit is ook weer een periode waar ik doorheen moet. Ik bevind me als toeschouwer opeens in een totaal andere situatie. Ik verdiep me er op een geheel andere manier in dan ooit tevoren. Ik heb het spelletje toch nooit gezien. Spelen betekende voor mij: bekijken, zeggen en vergeten. De laatste tijd moet ik wat ik waarneem echt verwerken. Het lichaam van de mens kan veel hebben. Het is niet moeilijk om je pijngrens te verleggen. Wanneer twee partijen van elk elf man om een bal vechten, valt lichamelijk contact niet te vermijden. Als dat plaatsvindt van aangezicht tot aangezicht, heb ik er geen enkel probleem mee. Van achteren trappen heeft natuurlijk geen enkele zin - daar word ik ook erg kwaad over. Maar als iemand mij van voren tackelt, een schouderduw heeft of me vasthoudt, vind ik dat niet erg. Dat kan ik begrijpen. Trekt iemand me aan mijn shirtje, dan vind ik dat vaak acceptabel. Ik heb het zelf ook gedaan. Maar dat schoppen - laat ik het zo zeggen: de beoordeling van gele en rode kaarten ligt voor mij heel anders dan in het reglement wordt aangegeven. En je kunt ook weer niet botweg stellen dat de officiele richtlijnen verkeerd zijn, of over het algemeen fout worden toegepast. Ik wilde eigenlijk geen vaste regels. Het is uiterst moeilijk om te beoordelen of het aan iemand shirtje trekken in een bepaalde omstandigheid bestraft moet worden of niet. Het is praktisch onmogelijk om dat te omschrijven. En zo kom je te spreken over de klasse van de scheidsrechter. Twintig arbiters hebben twintig verschillende meningen. Vandaar dat je regels moet hebben, en de bestaande voorschriften zijn niet gek. Maar de echte goede scheidsrechters, van wie misschien maar twee, drie werkelijk de autoriteit bezitten om geheel zelfstandig het spel te beoordelen, en daardoor de voor dat moment juiste beslissingen kunnen nemen. Ik heb nooit gefloten, ook nooit de aandrang daartoe gevoeld - want ik weet dat ik in die positie zeer controversieel zou zijn. Ik zou dan doen wat ik goed vond. Ik zou de regels aan mijn laars lappen. Regels betekenen: uniformiteit, en in het voetbal is niets eenduidig; geen handeling, geen moment is ooit hetzelfde. Soms zie ik een overtreding, en denk: op zichzelf mag dit niet, maar het is nu gerechtvaardigd. Voetbal is: totale orde én anarchie. Zo is mijn manier van denken over dat spelletje. En die moet ik doorgaan voor mezelf houden, omdat het negen van de tien keer toch niet begrepen wordt. Ik heb nu eindelijk de tijd om alles wat ik altijd gevoeld heb, te overdenken. Dan krijg je meteen de grote frustratie - want er is niemand door wie je begrepen wordt. Je bent toch alleen maar geschikt voor de absolute top zelf, als je gedachten uitdraagt die slechts door die verschrikkelijke kleine elite bevat kunnen worden. Er is een ontstellend gebrek aan respect in de huidige maatschappij. Regels worden voortdurend overtreden. Voetbal is de voorbode van wat zich in de samenleving gaat afspelen. Zo veel menselijke elementen zijn in die sport verenigd. Bijvoorbeeld: het individualist zijn in een team, oftewel: een afspiegeling van de democratie. We hebben het kunnen zien: eerst kwam de nivellering in het voetbal; wat later hebben we die tendens gemerkt in het dagelijkse leven. En wat krijgen we nu? Dat de toeschouwers toch weer liever de zelfstandige opererende speler willen zien: individualisatie, dus decentralisatie. Dat kon je drie jaar geleden al op de velden zien, en nu dringt het overal door. Er vallen mij de laatste tijd vreemde zaken op. Dan lees ik het clubblaadje van Ajax, en zie dat een vriend van mij, met wie ik vroeger nog gevoetbald heb, een speldje heeft gekregen vanwege zijn vijfentwintigjarige lidmaatschap. Eigenlijk onbelangrijk. Vervolgens denk ik: hoe lang ben ik lid van die vereniging? Waarop blijkt, dat ik dat maar zes jaar ben geweest. Al die tijd dat ik prof was, kon ik geen lid van de club zijn; wel: buitengewoon lid. Dat heeft met statuten te maken, en ik veroordeel het ook helemaal niet. Ik constateer alleen het feit: ik heb meer dan tien jaar de boontjes zitten doppen, de kastanjes uit het vuur gehaald - en ik ben geeneens lid. Dan denk je: hé, jongens, wat komisch. Niet dat ik er last van heb. Je wordt er alleen afstandelijk van. Je staat overal buiten. Ik weet ook nooit antwoord op de vraag: hoe voel je je nou? Dat weet ik echt niet. Ik doe nu van alles. Bijvoorbeeld: iets heel geks; en dat ervaar ik als heel normaal en simpel - zo ben ik nu eenmaal. Ik ben bezig om van het Nederlandse bedrijfsleven een geheel te maken, zodat het naar buiten kan treden als een hecht blok, voor de export. Als je iets wilt opzetten, heb je altijd een paar componenten nodig - net als in het voetbal: verdedigers, aanvallers, dit en dat. In het bedrijfsleven gaat het precies zo toe. Het ene bedrijf is hier goed in, het andere weer daarin, en allebei die firma's hebben publiciteit nodig. Die kan ik bieden. In plaats dat iedereen voor zichzelf werkt, stoppen een paar bedrijven nu gezamenlijk de hele hap in een pot. Zo gaan ze een team vormen, en ik word hun vertegenwoordiger; een soort aanvoerder als ik ook in het voetbal was. Ik doe dit ook volkomen op mijn eigen inzichten: die reik ik in ruwe vorm aan, en zij verfijnen die dan. De eerste groep van bedrijven is nu al gevormd. Ik vergelijk het maar met vroeger, toen we die schepen op de wereldzeeen hadden gevaren, die vervolgens samengevoegd zijn tot een Compagnie - waardoor het pas rendabel werd. Zoiets streven wij ook na. Het is altijd weer: hoe ver wil je gaan?
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.