Email   Print

Waar de stoep ophoudt

Een op de zeven mensen leeft in een sloppenwijk. Deze wijken vormen een bedreiging voor de nationale en internationale stabiliteit. Met beter beleid kunnen ze meer worden geintegreerd in de samenleving en kan het leven van de bewoners aanzienlijk verbeteren.

Molly O'Meara Sheehan | 55 april 2003 issue

Met toegeknepen ogen vanwege het zonlicht brengt George Ng'ang'a me naar de top van een berg aarde en afval aan de rand van zijn wijk in Nairobi om naar het uitzicht te kijken. In het zuiden ontvouwt zich een safariscène: zover het oog reikt een met gras en een enkele acaciastruik begroeide vlakte. In het noorden staan in elkaar geflanste hutten van lappen, modder, tin, stenen en stukken plastic, dicht opeen. Volgens Ng'ang'a staan er in totaal ongeveer achthonderd woningen bij elkaar op een gebied van vijf tot zes hectare.
Op kaarten van de stad wordt de locatie van deze wijk - 'Mtumba' genoemd door de zesduizend mensen die er wonen - aangegeven als het woongebied van neushoorns en giraffes. Dat komt doordat deze oogluikend toegelaten gemeenschap aan de rand van het Nairobi National Park ligt. Meer dan de helft van de inwoners van de Keniase hoofdstad kan zich geen 'normaal' huis veroorloven en is gedwongen zich in dit soort sloppenwijken te vestigen.
Ng'ang'a draait zich naar me om. 'Zeg maar Castro,' zegt hij, want dat is zijn bijnaam. Het is een beer van een kerel met een glad geschoren gezicht, maar hij vertelt dat hij vroeger mager was en een baard droeg. Ik weet niet of zijn naam een toespeling is op de lichamelijke overeenkomst, maar hij is duidelijk wel politiek actief. Hij wordt al jaren bij officieuze verkiezingen door de bevolking van Mtumba gekozen als leider van de bestuursraad van de wijk. Die verkiezingen zijn officieus omdat het stadsbestuur zich niet om de sloppenwijken bekommert. Daarom hebben de bewoners van Mtumba zelf een manier bedacht om zich te organiseren en de orde te handhaven.
'De gemeente doet niets voor ons,' vertelt Castro als we door de wijk lopen. Een van zijn buren, een ernstige man genaamd Tom Werunga, loopt met ons mee. Werunga heeft een bijbel bij zich en vertelt dat hij pastoor is. Hij wijst een watertappunt aan: twee kleine kraantjes die de hele wijk van water moeten voorzien. Maar er komt hier geen waterleiding uit de stad. De kranen worden gevoed door particuliere bedrijven met tankwagens, die het water tegen een exorbitante prijs verkopen. Tot nu toe ziet geen enkel bedrijf er brood in toiletten of een riolering aan te leggen. Er zijn drie latrines voor zesduizend mensen. 'Vliegende toiletten,' begrijp ik, zijn zakjes met uitwerpselen die op daken of op vuilstortplaatsen worden gegooid.
Ik maak aantekeningen en probeer de latrines die Castro aanwijst te zien, maar mijn ogen branden van de bijtende lucht. Roet en de walmen van bergen brandend afval vermengen zich met de as en de rook van houtskoolvuurtjes waarop vrouwen eten koken. 's Nachts komen daar nog de kerosinewalmen van de lantaarns bij. Meer dan tachtig procent van de huishoudens in Nairobi kookt op houtskool, maar in dit soort wijken is de lucht het slechtst, omdat er geen elektriciteit en geen vuilnisophaaldienst zijn.
In Mtumba lijkt alles onzeker en onwettig. Er is geen landbezit. Er is geen openbare infrastructuur. En er is geen rechtsbescherming. De families van Mtumba zijn al twee keer verhuisd, vertelt Castro. In 1992 zijn ze hier beland. De ambtenaren van Nairobi hebben sindsdien al herhaaldelijk gedreigd de gemeenschap te verplaatsen. Eén keer zijn er zelfs bulldozers gestuurd om de hele wijk plat te walsen. Van sommige families is de woning al tien keer verwoest. 'Elke dag verwachten we de slopers,' zegt Castro. 'We zijn vluchtelingen in ons eigen land.'

Buurten zoals Mtumba, en niet Greenwich Village op Manhattan of de Rive Gauche in Parijs, geven de trend aan van het moderne stadsleven. Volgens schattingen van de Verenigde Naties wonen er op dit moment tussen de 835 miljoen en de twee miljard mensen in sloppenwijken, of het nu een kampong is in Indonesië, een favela in Brazilië, een gecekondu in Turkije of een katchi abadi in Pakistan. Het aantal sloppenbewoners in de grootste wereldsteden - Mumbai (Bombay), Bogotá en Cairo bijvoorbeeld - is groter dan de bevolking in officiële huizen.
Vooral in het Afrika van onder de Sahara en in Zuid-Azië zorgt een combinatie van explosieve groei van de steden en bittere armoede voor de aanwas van sloppenwijken. De afgelopen dertig jaar is de wereldbevolking met 2,4 miljard mensen toegenomen en de helft van die groei had plaats in de steden. De komende dertig jaar zal de wereldbevolking naar verwachting met twee miljard mensen groeien. Volgens de demografen zullen die mensen, door migratie en een hoog geboortecijfer, vrijwel allemaal in de steden van de ontwikkelingslanden terechtkomen.

De officieuze status van Mtumba en soortgelijke gemeenschappen heeft ook voordelen. De huur is er lager dan elders. Er is geen onroerendgoedbelasting. De inwoners hebben niet te maken met bestemmingsplannen waardoor wonen en werken worden gescheiden: ze kunnen in hun eigen huis of vlak ervoor een winkeltje beginnen. Mtumba's commerciële zone kan bogen op rijen vrolijk geschilderde winkelpuien, elk ongeveer een meter breed. Er zijn kraampjes, koffieshops, een 'bioscoop' waar video's worden afgespeeld, een kapper en een stal waar oude kranten worden ingezameld. Maar de korte termijn-voordelen van het leven en werken buiten de officiële economie wegen zelden op tegen de kosten op de lange duur voor de inwoners en voor de steden die niet aan hun behoeften tegemoet komen.
Sloppenwijken bevinden zich dikwijls op de minst gewilde locaties van een stad: steile hellingen, overstromingsgebieden of stroomafwaarts van vervuilende industrieën. Daardoor worden de bewoners vaak geplaagd door ziekten en natuurrampen. Een ander nadeel is de extra hoge prijs die ze betalen voor basisvoorzieningen. Onlangs verscheen er een rapport van het African Population and Health Research Center, waaruit bleek dat de sloppenbewoners van Nairobi meer moeten betalen voor water - en dus minder gebruiken dan nodig is voor de gezondheid - dan de bewoners van dure huizen. 'Een familie heeft per dag honderd liter water nodig als drinkwater en om schoon te maken,' aldus Tom Werunga uit Mtumba. Zoveel water kost vijfentwintig Keniase shilling, wat al gauw neerkomt op de helft van het inkomen, dat vijftig tot zestig shilling per dag bedraagt.
Grondbezitters in de sloppenwijken kunnen hun huurders gemakkelijk uitmelken zonder juridische consequenties te hoeven vrezen. En het aandeel huurders in sloppenwijken is hoger dan meestal wordt gedacht, doordat onbebouwd land dicht bij werkgelegenheid meestal snel wordt ontwikkeld door ondernemende grondbezitters. Vier op de vijf sloppenbewoners in Nairobi is huurder volgens een onderzoek uitgevoerd door de Keniase overheid en UN-HABITAT, de VN-instantie voor menselijke woonvormen, waarvan het hoofdkantoor in Nairobi is gevestigd. De hutten vormen een lucratieve investering, zo blijkt uit het onderzoek: het geld is binnen twee jaar terugverdiend (bij officiële huizen is dat tien tot vijftien jaar). Toch herinvesteren de huisbazen doorgaans hun winst niet in reparatie of aansluiting op elektriciteit of waterleiding, en de huurders kunnen de huiseigenaren niet ter verantwoording roepen.
Door het ontbreken van water, toiletten en een vuilnisophaaldienst zijn de sloppenwijken ook broedplaatsen van ziekten, die een bedreiging vormen voor de volksgezondheid van hele steden. Meer dan de helft van de drie miljoen inwoners van Nairobi woont in de sloppenwijken op krap vijf procent van het grondgebied van de stad. In stedelijke centra in de hele onderontwikkelde wereld verspreiden ziekten zich razendsnel. In de sloppenwijken van Nairobi is de sterfte van kinderen onder de vijf jaar 151 per duizend geboorten, veel meer dan het gemiddelde van 61 per 1000 van de hele stad.
De aanwas van sloppenwijken in een tijd van ongekende economische welvaart kan spanningen oproepen, die een bedreiging vormen voor de plaatselijke, nationale en zelfs internationale veiligheid. 'Arme stadswijken vormen een voedingsbodem voor ziekte, misdaad en terrorisme,' zo waarschuwde Anna Tibaijuka, hoofd van UN-HABITAT, in april 2002.

Als ik weer verder loop met Castro, worden we achtervolgd door een zwerm aardige, giechelende kinderen, die geen van allen boven mijn middel uit komen. Mijn gids vertelt over de drie vervoermiddelen die het bezit zijn van verschillende bewoners van Mtumba - één oude auto en twee fietsen - maar mijn aandacht wordt afgeleid door de kinderen. De meesten hebben geen schoenen, maar ze blijven met ons meelopen over scherpe stenen, menselijk en dierlijk afval en allerlei troep heen.
Ik keek naar hun voetjes en ik voelde een steek in mijn hart. Als je vrolijke kinderen ziet spelen tussen giftig afval en menselijke uitwerpselen en hun welbespraakte ouders hoort vertellen over hun inspanningen en hun hoop op een beter leven, voel je je onwillekeurig verplicht te helpen. Maar de keren dat, met de beste bedoelingen, aan die impuls om de sloppenbewoners aan betere onderkomens te helpen, is toegegeven, waren de gevolgen rampzalig.
In Brazilië, Colombia, Egypte en Zuid-Korea zijn in de jaren zestig van de vorige eeuw grootscheepse campagnes voor sociale woningbouw gestart. Maar door die dure campagnes werden de netwerken van familie en vrienden die arme mensen helpen het hoofd boven water houden, vernietigd. Hele gemeenschappen moesten van een locatie in het stadscentrum verhuizen naar een gebied aan de rand van de stad, waar minder kans was op werk. Door de daaruit voortvloeiende kosten van openbaar vervoer hadden ze minder geld voor eten. Vaak konden de mensen van wie het huis was gesloopt, zich geen woning in de nieuwe woningbouwprojecten veroorloven, zodat daar uiteindelijk rijkere mensen kwamen te wonen. 'Stadsvernieuwingsprojecten' hebben vaak een averechts effect, waardoor de levensomstandigheden van degenen die men wilde helpen juist verslechteren.
In de jaren zeventig, toen de planologen inzagen dat de armen hun eigen wijk efficiënter en voor minder geld konden verbeteren dan de overheid, deed zich een omslag voor. De Britse architect John F.C. Turner oefende, op grond van zijn ervaring in de sloppenwijken van Lima in Peru in de jaren zestig, kritiek uit op de heersende opvattingen in zijn invloedrijke boek Freedom to Build (1972), waarin hij ambtenaren waarschuwde dat ze meer kwaad dan goed deden.
Sommige wijken zonder openbare voorzieningen wisten zelf aan de behoeften te voldoen. Een van de wegbereiders was Akhter Hameed Khan, die in 1980 de gemeenschap van Orangi, de grootste sloppenwijk van Karachi in Pakistan, begon te mobiliseren. Hij richtte een onderzoeksbureau op, het Orangi Pilot Project, dat de inwoners moest helpen een rioleringsstelsel op te zetten en aan te leggen. De bewoners van iedere straat zamelden geld in en begonnen hun eigen riool aan te leggen, zodat tegen het jaar 2000 ongeveer 90 procent van alle inwoners van Orangi erop was aangesloten. Tussen 1982 en 1991 daalde het kindersterftecijfer van 130 per 1000 naar 37 per 1000.

In de sloppenwijken van Nairobi krijgen inmiddels allerlei gemeenschappen die lange tijd door de overheid waren genegeerd, een zekere mate van politieke invloed. De bewoners van Mtumba zijn zich gaan organiseren. 'We hebben helemaal zelf een school gebouwd,' aldus Tom Werunga. Vier onderwijzers geven afwisselend 's ochtends en 's middags les aan vierhonderd kinderen in drie klaslokalen.
Met hulp van een plaatselijke niet-gouvernementele organisatie, de Pamoja Trust, is in Mtumba een spaarproject gestart en is er een bankrekening geopend voor gezamenlijke inleg. De inwoners hopen genoeg geld bij elkaar te sparen om land op een betere locatie te kopen. Ze hebben al driehonderdduizend Keniase shilling bij elkaar. Volgens Jack Makau van de Pamoja Trust zou zijn organisatie bereid zijn het spaargeld van de families uit Mtumba te verdubbelen en hen te helpen het te investeren, om sneller het benodigde bedrag van ongeveer vijf miljoen shilling bij elkaar te krijgen.
De bewoners van de sloppenwijken van Nairobi kijken ook naar hun tegenhangers in andere delen van de wereld, die zich hebben georganiseerd in Slum Dwellers International (SDI). Deze groep is in 1996 opgericht, toen de Aziatische coalitie voor woonrechten ging samenwerken met de Zuid-Afrikaanse daklozenbond. Op dit moment telt de organisatie leden uit Argentinië, Cambodja, Colombia, India, Kenia, Madagascar, Namibië, Nepal, de Filippijnen, Zuid-Afrika, Swaziland, Thailand, Zambia en Zimbabwe. 'Veel dingen die wij hier in Nairobi doen,' verteld Jack Makau, 'zijn door het netwerk van SDI ook in andere steden geprobeerd.'

De laatste jaren zijn er door deze nieuwe samenwerkingsverbanden voorbereidende plannen gemaakt voor stadsontwikkeling, waarbij sloppenbewoners als gelijkwaardig gesprekspartner met de overheid samenwerken om te trachten de wijken te verbeteren. Daar waar plaatselijke en nationale overheden bereid waren de sloppenbewoners serieus te nemen heeft de samenwerking opmerkelijke resultaten opgeleverd. Maar de meeste overheden moeten nog heel wat leren voordat ze de problemen van de sloppenbewoners kunnen oplossen. In het algemeen vallen er drie obstakels te onderscheiden voordat een overheid tot een betere samenwerking met de leiders van sloppenwijken kan komen.

Ten eerste zekerheid van behuizing. 'Grond is de sleutel tot ieder ontwikkelingsproject,' vertelt een vrouw uit Mtumba die betrokken is bij de eigen school van de gemeenschap. Ze vertelt dat het de leden van haar gemeenschap moeite kost zichzelf - laat staan anderen - ervan te overtuigen dat er moet worden geïnvesteerd in water, toiletten of andere verbeteringen. Waarom al die moeite als de wijk morgen kan worden platgewalst? Een belangrijk obstakel voor 'zelfhulp' in welke vorm dan ook is dat de sloppenbewoners geen rechten hebben op de grond waarop ze wonen.
Als de overheid de inwoners van officieuze woonwijken het eigendomsrechten zou geven, zouden er nieuwe mogelijkheden ontstaan, ook de mogelijkheid van krediet. Bouwwerken zonder recht zijn 'dood kapitaal' volgens de Peruaanse econoom Hernando de Soto. Ze zijn alleen bruikbaar als onderdak. Maar een gebouw met eigendomstitel kan op de kapitaalmarkt een tweede leven krijgen, doordat de eigenaar er krediet op kan aanvragen.
De Soto heeft een belangrijke rol gespeeld in Peru bij de formalisering van ongeveer een miljoen stedelijke percelen grond tussen 1996 en 2000, een grootscheeps project tot verstrekking van eigendomstitels in de pueblos jovenes van Lima en later in andere steden. In zijn onlangs verschenen boek The Mystery of Capital stelt hij dat dit soort projecten wereldwijd een enorme invloed kunnen hebben (zie ook Ode 50). Volgens zijn schattingen bedraagt de waarde aan onroerend goed dat geen wettig eigendom is, in de onderontwikkelde landen en voormalige satellietstaten van de Sovjet-Unie 9,3 biljoen dollar.

Werkgelegenheid vormt een tweede belemmering. De meeste mensen verhuizen naar de stad op zoek naar werk. En de sloppenwijken waar veel van die mensen terechtkomen - met gammele huizen, afvalbergen en onvoldoende water - zouden belangrijke bronnen van werkgelegenheid kunnen worden. De gemeente zou de bewoners van de sloppen tegen lage kosten kunnen inhuren om riolering aan te leggen, vuilnis op te halen, organisch afval te composteren of anderszins hun wijk te verbeteren. Als organisch afval zou worden gecomposteerd, kan daarmee stedelijke landbouw worden bevorderd, wat zowel eten als werk oplevert. Ook is het mogelijk het openbaarvervoersbeleid, het gebruik van grond en kleinschalige kredieten zodanig aan te passen dat de armen beter in hun eigen onderhoud kunnen voorzien.
Met projecten voor het inzamelen en composteren van organisch afval - papier, etensresten en zelfs menselijke uitwerpselen - kunnen stadstuinen worden ingericht en kunnen de problemen en kosten van afvalverwerking worden bestreden, terwijl dat ook nog eens geld en eten oplevert. Volgens de schattingen van het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) oogsten achthonderd miljoen stedelijke boeren vijftien procent van de voedselvoorraad van de wereld - en dat percentage zou kunnen groeien als overheden deze praktijk zouden bevorderen in plaats van ontmoedigen. De landbouw levert het hoogste bedrag aan winst uit zelfwerkzaamheid in kleinschalige bedrijfjes in Nairobi op, en het op twee-na-hoogste van heel stedelijk Kenia.
Door de hoge kosten voor openbaar vervoer is werk moeilijk bereikbaar voor armen. Meer dan veertig procent van de inwoners van Nairobi kan zich geen buskaartje veroorloven. Daarbij komt dat bijvoorbeeld in Kenia meer dan vijfennegentig procent van het geld dat bestemd is voor vervoersaangelegenheden, naar het gemotoriseerde vervoer gaat, terwijl nog geen vijf procent van de Kenianen een auto bezit.
Er zouden veel mensen beter van worden als de overheden andere prioriteiten zouden stellen: goedkoper openbaar vervoer, onder andere pendelbusjes en fietsen. Jarenlang konden arme mensen in Nairobi geen fiets kopen vanwege de hoge belasting en de hoge registratietarieven. De fiets van Isaac Mburu, een fietsenmaker in Mtumba, werd door de plaatselijke autoriteiten in beslag genomen omdat hij het registratietarief niet kon betalen. Toen tussen 1986 en 1989 de belasting op fietsen werd verlaagd van tachtig naar twintig procent steeg de verkoop van fietsen met vijftienhonderd procent.
Overheden kunnen ook stappen ondernemen om in officieuze gemeenschappen (micro)kredietmogelijkheden te scheppen, niet alleen voor woningverbetering, maar ook voor het opzetten van kleinschalige bedrijfjes. Ook in de armste wijken zijn er activiteiten waaraan krediet kan worden verleend om economische mogelijkheden te vergroten en de gemeenschap te versterken. Overal zijn straatventers die groente, motoronderdelen en allerhande goederen en diensten verkopen waarmee zij in een inkomen voorzien.

Tenslotte is het van belang om de armen bij het bestuur te betrekken. Vaak worden hun stemmen niet gehoord, omdat politici, ambtenaren en projectontwikkelaars onder een hoedje spelen. De rijken mogen dan een kleine minderheid vormen, maar ze hebben wel de grootste politieke macht. Corruptie eist bovendien een onevenredig hoge tol van sloppenbewoners. 'Als je bij een plaatselijke instantie van de regering een klacht wilt indienen,' vertelt Isaac Mburu, 'dan word je niet geholpen als je geen geld meebrengt.'
Maar in sommige delen van de wereld wordt de corruptie bestreden door toegewijde buurtleiders. Porto Alegre in Brazilië is befaamd om een in 1989 gestart gemeentelijk begrotingsplan, waarbij de burgers worden uitgenodigd beleidsprioriteiten te stellen en wordt uitgelegd waaraan het geld wordt besteed. Uit een onderzoek na het eerste jaar van participerend budgetteren in Porto Alegre bleek dat de stem van de armsten van de stad dankzij het project beter werd gehoord. De meeste sloppenbewoners hadden aangegeven dat schoon water en toiletten voor hen de hoogste prioriteit hadden, terwijl de overheid er tot dan toe vanuit was gegaan dat openbaar vervoer boven aan hun lijstje stond.
Meer dan tweehonderd steden in Latijns-Amerika hebben inmiddels participerende budgettering ingevoerd. In juli 2001 is in Brazilië een nationaal 'stadsstatuut' aangenomen waardoor gemeentelijke overheden worden gedwongen burgers zeggenschap te geven in stadsplanning en bestuur, onder meer via participerende budgettering. Hoewel er meestal alleen over een klein deel van het budget discussie mogelijk is, komen dankzij dit proces wel belangrijke punten op de agenda en wordt de corruptie erdoor bestreden.

Langzamerhand, buurt voor buurt komen er veranderingen. Door samenwerking en steun van bondgenoten hebben de bewoners van het Huruma-getto in Nairobi de plaatselijke autoriteiten nu zover gekregen dat ze met hen in plaats van tegen hen werken. In mei 2002 was ik aanwezig bij een plechtigheid voor het bouwrijp maken van grond voor een modelhuis, betaald door de plaatselijke spaargroep en goedgekeurd door de gemeenteraad van Nairobi. De inwoners van Mathare, Mtumba en andere sloppenwijken van Nairobi en bevriende activisten uit de hele wereld waren ervoor naar Huruma gekomen. 'Door het spaarplan krijgen we niet alleen geld maar ook mensen bij elkaar,' aldus David Mwaniki, een zevenendertig jaar oude vader van vijf kinderen die leeft van het verkopen van keukengerei. Hij is daarnaast assistent van de secretaris van de gemeenschapsraad van Huruma, die de spaargroep heeft opgericht. 'We willen de armoede bestrijden en we willen dat iedereen in de officieuze woonwijken in de hele wereld helpt de sloppen op te ruimen.'



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.