|
|
Sla je slag
'Dezelfde banden die Nike heeft met de gymschoenfabrikanten in de Derde Wereld, heeft Wall Street met oorlog.' Een felle aanklacht tegen de mondiale economie die ruimte schept voor moderne oorlogvoering.
Toen de Bush-regering vorig jaar haar pleidooi voor de oorlog ging richten op de overzeese markt, kreeg het Amerikaanse journaal de stijl van een jaarverslag. Het leek wel of elke avond een andere bewindsman een ander publiek in een andere hoofdstad opriep om invoerrechten af te schaffen, industrie te privatiseren en buitenlandse investeerders in de watten te leggen. Ik besefte plotseling - ergens onderweg van Ghana naar Berlijn - dat de voormalige president-directeuren die nu in de regering zitten, de praktijken die ze hadden vervolmaakt in hun bestuurskamers, nu handig konden toepassen. Hun gladde optreden kenmerkte zich door het kordate acteurstalent van mannen die doorkneed zijn in het agressief aanprijzen van een beursdeal of het steun verwerven voor een fusie en hun boodschap was doortastend en eenduidig als een presentatie in Power Point:
- Het terrorisme moet worden verslagen
- en wel door middel van de wereldhandel
In zijn ijver om deze dubbelstelling aan de man te brengen en zich bewust van het feit dat opstandelingen dikwijls uit arme landen komen, reisde de Amerikaanse minister van handel Paul O'Neill twee weken lang door Afrika met popster en activist Bono. In zijn bezoeken aan Ghana, Zuid-Afrika, Uganda en Ethiopië onderstreepte O'Neill dat de enige hoop op vrede en voorspoed van het continent gelegen was in het slechten van 'de handelsbarrières'. President Bush zelf roemde de weldadige kracht van de handel in Mexico, Peru, El Salvador, Duitsland, Rusland, Frankrijk en het Vaticaan. Ex-president Carter reisde zelfs af naar Cuba en bracht daarmee de boodschap van terrorismebestrijding en handelsbevordering naar een van de laatste bastions van geleide economie ter wereld.
Dat je met wereldhandel de terreur te lijf kan, lijkt bij voorbaat vast te staan. Zodra allerlei landen hun beperkende wetgeving opheffen, mensen de kans geven een bedrijf op te zetten en ook op andere manieren de weg bereiden voor een steeds vrijere wereldeconomie, zal vrede vanzelf neerdalen. Columnist Thomas Friedman van de New York Times vatte deze visie samen als 'de Gouden M-Theorie inzake Conflictbeheersing': de doorgaans juiste stelling dat landen waar een McDonald's is gevestigd, geen oorlog met elkaar voeren.
'We moeten onszelf niet voor de gek houden', luidde de toelichting van minister Colin Powell van buitenlandse zaken afgelopen najaar. 'Zaken zijn zaken, en kapitaal, dus geld, is laf. Het wil vanzelf naar plekken waar recht en orde heerst, waar de regering op haar daden kan worden aangesproken, waar goedopgeleide, gezonde arbeidskrachten beschikbaar zijn, en veilige werkomstandigheden. En kapitaal - geld - is allergisch voor corruptie en slecht beleid. Het mijdt conflicten. Het mijdt verloedering.'
Dat is een krachtig standpunt waar niets van klopt. Het cv van de wereldhandel als schepper van welvaart en vredestichter is jammerlijk wisselvallig. Daarbij komt dat zodra de opbrengst de risico's rechtvaardigt, het kapitaal elke hellevaart zal doorstaan.
Wij genieten van het allerbeste dat de wereldhandel ons heeft te bieden en het komt misschien een beetje betuttelend over om te suggereren dat andere landen er niet mee kunnen omgaan. Eenvoudiger toegang tot de financiële markten, betere fabricagemethoden, privatisering en deregulering zijn zonder meer sterke wapens. Maar soms vergeten we dat geld zelf geen speciaal doel voor ogen heeft, geen uitgesproken wens om wiens leven dan ook te veraangenamen. Het openstellen van de wereldmarkten kan volledig losstaan van de inzakkende welstand van menige aardbewoner, maar de kapitalistische inspanningen kunnen armoede net zo welbewust laten voortbestaan als opheffen. En ook al helpt de toestroom van kapitaal sommige landen om te floreren, andere drijft het onverbiddelijk de oorlog in.
Deze dubbele dynamiek, die dodelijk kan zijn, begint bij de straatarme mensen die niet zijn geholpen met de tomeloze verbreiding van het wereldkapitalisme. De halve planeet leeft van minder dan twee dollar per dag en een miljard mensen slechts van de helft. Voor hen heeft de globalisering erg weinig kunnen betekenen in termen van hogere inkomens.
Uit al die armoede is munt te slaan en die kan het goedkoopst worden binnengehaald door het voeren van oorlog. De gevechten in Afrika worden geleverd door een schare arbeidskrachten met een gemiddeld dagloon van 65 dollarcent. Als een krijgsheer een beetje zakelijk is ingesteld, kan hij honderden bereidwillige vechtlustigen inkopen voor de prijs van één enkele Amerikaanse marinier. Een prettig prijsje voor het leven van een mens maakt oorlog tot een lokkend alternatief. In de meeste oorlogen op de wereld zien we de ene groep profiteurs de andere bevechten met soldaten in de uitverkoop.
De oorlogen die we op de televisie volgen, de gevechten die met zorg tot een verkoopartikel worden gemaakt en waarvoor CNN een spannend herkenningsmelodietje in elkaar knutselt, zijn niet bij uitstek bloederig. De hoogste telling aan directe slachtoffers bij de vijandelijke partij en onder burgers in Afghanistan bedraagt naar schatting vijfduizend - ongeveer evenveel als het aantal Amerikanen dat vorig jaar bezweek aan voedselvergiftiging. De laatste score doden in Israël komt op minder dan de helft daarvan. De dodelijkste oorlogen - over de hele wereld een stuk of veertig - worden door niemand gezien. Die slepen zich jaren achtereen voort, worden vaak eventjes beëindigd om daarna weer te worden voortgezet. Miljoenen worden erin gedood. Het zijn zakelijke ondernemingen met doelstellingen en dwarsverbanden op wereldschaal. De ambitie van hun aanstichters en hun globale netwerk lijken op die van Coca-Cola of Sony. Voor de krijgsheren is massale sterfte een bedrijfsstrategie die wordt uitgevoerd met een kilte die je vroeger alleen aantrof bij fanatieke aanhangers van een ideologie.
Een burgeroorlog, daarvan moet je het hebben. Als je uitsluitend de bloedigste oorlogen turft die zijn uitgevochten tussen 1965 en 1999 - die waarin jaarlijks meer dan duizend mensen omkwamen - tref je daarbij 73 burgeroorlogen aan. Van de 27 gewapende conflicten die werden bevochten in 1999, waren er slechts twee van het ouderwetse grensoverschrijdende soort. Etnische en religieuze geschillen, misnoegen over politieke invloed en klassetegenstellingen, ze doen weinig ter zake in de geprivatiseerde oorlogen van tegenwoordig. Op een paar uitzonderingen na is elke oorlog een conflict geworden over eigendomsrecht. Inzet is de macht over een goederenstroom die de golfbeweging van naamloos en uiterst beweeglijk wereldwijd kapitaal deze kant op kan trekken, die dan olie, diamanten, koper, bananen, cacao en cocaïne met zich meesleurt.
Een tekort aan economische verscheidenheid - meestal precies het soort specialisatie dat volgens de kampioenen van de vrije markt de kleinere economieën een kans biedt in deze wereld - is verreweg het belangrijkste voorstadium van dergelijke oorlogen. De economen Paul Collier en Anke Hoeffler hebben ontdekt dat landen met slechts een of twee voorname bronnen van inkomsten en een geringe economische verscheidenheid een kans groter dan één op vijf hebben op een burgeroorlog in een bepaald jaar. Landen zonder dergelijke dominante producten lopen maar een oorlogsrisico van één op honderd. Op de lijst van recente conflicten die aan dit beeld voldoen, prijken de burgeroorlogen aan de buitenste randen van de Indonesische archipel. De ene wordt uitgevochten in de olierijke regio Atjeh en de andere in het delfstofrijke Nieuw-Guinea. Intussen hebben Cambodja en Myamar (voormalig Birma, red.) een machtsstrijd moeten verduren om de handel in tropisch hout, drugs en edelstenen. In Latijns Amerika, waar een van de langst durende burgeroorlogen Colombia al bijna een halve eeuw in zijn greep houdt, bevechten drugsbaronnen en opstandelingen de regering om de opbrengsten van de narcoticahandel.
In Sudan, een land dat door de Verenigde Staten is gebrandmerkt als 'een staat die terrorisme ondersteunt', is de meest recente oorlog al twee decennia zonder onderbreking aan de gang en die heeft inmiddels twee miljoen levens gekost. Voorts zijn zo'n vier miljoen mensen dakloos geworden. Het droge, islamitische noorden van het land staat onder sterke invloed van Arabisch Noord-Afrika, terwijl het zuiden veel meer gemeen heeft met het Afrika van onder de Sahara en een grote mengeling van religies herbergt, waaronder christendom en animisme. Religieuze spanningen zijn tastbaar aanwezig en het conflict heeft zich ook toegespitst op de waterbronnen. Maar van de vele aanleidingen voor deze langdurige oorlog heeft de strijd om de olie wel de sterkste benen. Sudan is een rijzende ster op de wereldwijde energiemarkt. Al in 1970 zijn er rijke olievelden ontdekt, maar wisselende groeperingen hebben decennia lang gestreden om de vraag hoe die weelde moest worden verdeeld.
Deze dynamiek is uiteraard zo oud als het kolonialisme zelf, maar de financiële markten in de wereld hebben dit uitstervend fenomeen nieuw leven ingeblazen. Vorig jaar hebben zowel het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden als de Senaat elk een versie van de 'Vredesregeling voor Sudan' aangenomen, onder groeiende bezorgdheid over Sudans onthutsende staat van dienst wat betreft de mensenrechten - waaronder aanvallen op voedseltransporten met luchtafweergeschut en het stelselmatig onder slavernij brengen van niet-moslims in het zuiden - en, wat misschien belangrijker was, Sudans bereidheid om terroristen onderdak te bieden. Als de regeling tot wet was verheven, waren bedrijven die zaken deden in Sudan verbannen van de Amerikaanse kapitaalmarkten - een soort bedrijfskundig doodvonnis waaronder firma's niet langer in staat zijn aandelen te verhandelen op de grootste financiële markt ter wereld. James Buckee, president van Talisman Energy Inc., een Canadees bedrijf dat sterke banden heeft met de regering van Sudan, zei in die tijd: 'Ik kan me niet voorstellen dat iemand het zich kan veroorloven om geen toegang te hebben tot de Amerikaanse kapitaalmarkt. Geen winst ter wereld kan dat nog goedmaken'.
Privatisering is nog een kenmerk van succesvolle globalisering en het wordt met groeiend enthousiasme in praktijk gebracht in Afrika, waar winstbeluste nationale regeringen ontdekken dat vergunningen om delfstoffen te winnen gemakkelijk kunnen worden omgezet in langdurige macht en rijkdom. In een wereld waarin door de staat gecontroleerde monopolies argwanend worden bekeken, blijkt het de beste aanpak om dat monopolie dan maar aan een andere staat te verkopen. Deze verrassend nieuwe benadering van privatisering kent haar meest zuivere vertolking in de oorlog die nu woedt in de Democratische Republiek Kongo, vaak omschreven als 'Afrika's Eerste Wereldoorlog'. Wat begon als een burgeroorlog in een land rijk aan goud, koper, diamant en hout, wordt nu uitgevochten met hulp van zes naburige landen, stuk voor stuk economische rampgebieden.
Deze ongebruikelijke toestand is ontstaan, zoals wordt uitgelegd in een vorig jaar verschenen rapport van de Verenigde Naties, doordat oorlog een 'hoogst winstgevende onderneming' is. Verschillende medewerkers van de Ugandese president Yoweri Moeseveni ontvingen bijvoorbeeld concessies om diamant, hout, koffie en goud, vergaard in door de rebellen beheerste gebieden, zelf te verhandelen, met als tegenprestatie militaire steun van Uganda voor de rebellenleiders. Intussen heeft de president van Zimbabwe, Robert Mugabe, aldus het World Policy Institute, zijn soldaten ingezet op voorwaarde dat Kongo omvangrijke concessies inzake delfstoffen en handel aan Zimbabwe overdeed - dat wil zeggen aan Mugabe's vrienden en familie.
Sinds 1998 zijn naar schatting 350 duizend mensen gedood als direct gevolg van de oorlog en ruim twee miljoen anderen gestorven door de ziekten en het voedselgebrek waarmee die oorlog gepaard gaat. Toch zijn de strijdende partijen schaamteloos over hun motieven. In Zimbabwe is zelfs een publiciteitscampagne gestart met als titel 'Zakendoen in Kongo'.
Krijgsheren en dictators met zakeninstinct halen ook de winsten binnen van een meer traditionele vorm van privatisering. Charles Taylor in Liberia, de Afrikaanse oorlogshitser die niet voor Prometheus onderdoet, was een voortrekker op de route van plundering naar klinkende munt. Voor er internationale sancties werden ingesteld in 2001, namen de grote diamantfirma's in België, Engeland en New York alle oorlogsbuit die Taylor maar kon leveren dankbaar over. In 1998 vond 298 miljoen dollar aan diamanten zijn weg van Liberia naar België, 's werelds grootste centrum van diamanthandel.
Nu de diamanten wat moeilijk liggen, is tropisch hout juist erg in. Het kan de opkopers van deze wereld niets schelen dat de Liberiaanse boomstammen uit dezelfde bloedige conflicten voortkomen - tegen de 200 duizend doden sinds 1989 - als Taylors diamanten. De handel bloeit onverschrokken. Van de houtomzet in Liberia, die in 2000 106 miljoen dollar bedroeg, werd 72 procent begeleid door Franse en Chinese bedrijven. Taylor is onvermoeibaar bezig met privatiseren en verkoopt aan de lopende band rechten op stukken van zijn land en zijn grondstoffen aan particuliere ondernemingen. De stroom opbrengsten vloeit direct terug naar zijn oorlogsmachinerie.
Wij rekenen erop dat onze wereld met haar vrije economische wedijver landen en individuen ertoe drijft om voortdurend hun producten te verbeteren en de prijzen omlaag te brengen. We vertrouwen erop dat deze dynamiek wonderen kan voortbrengen. Ik kan nu bijvoorbeeld vanuit de Verenigde Staten overal in Europa iemand bellen voor elf dollarcent per minuut, geen geringe prestatie gezien de techniek die nodig is om het telefoontje mogelijk te maken en de intense concurrentie die het goedkoop houdt. De dynamiek werkt ook prima binnen de enige markt waarin een efficiënte productie al gauw wordt vertaald in concreet sterven. Ik kan mijn telefoontje naar Europa bijvoorbeeld gebruiken om een order te plaatsen voor lange-afstandsraketten of automatische geweren. Door even te bellen word ik deelnemer aan de wapenhandel, waarin voor bijna zestig miljard dollar omgaat. Dit is een handel waarin tot nog toe alles lekker loopt voor de afnemers.
Lichte wapens en handwapens - zoals pistolen, geweren en handmatige granaatwerpers - zijn de T-shirts van de eenentwintigste eeuw. Landen die in het verleden misschien rekenden op een opkomende industrie in kleding of schoenen om daarmee de binnenlandse ontwikkeling op gang te brengen, richten zich nu op de productie voor de onderkant van de wapenhandel. En net als met de T-shirts wordt de markt inmiddels overspoeld. En zelfs nu het productietempo in de periode na de Koude Oorlog globaal gesproken daalt, neemt het aantal fabrikanten van lichte wapens nog steeds toe, nu kleinere firma's opstaan die hun voordeel doen met de nieuwe wereldomspannende markt. Dit jaar telde de Small Arms Survey in Genève meer dan duizend bedrijven in 89 landen die op een of andere manier betrokken waren bij productie van lichte wapens.
Net als kleding worden handwapens vaak samengesteld in goedkope productiecentra over de hele wereld. Net als met Amerikaanse designkleding die wordt gemaakt in China of Honduras, vervaardigen wapenfabrieken in de verste uithoeken wapens van bekende merken onder licentie. De markt ligt zo wijd open, dat zelfs als landen de verkoop van wapens uit fabrieken binnen hun grenzen zouden stopzetten, ze vrijwel machteloos moesten toezien hoe de licentiehouders van binnenlandse firma's in andere landen kunnen verkopen wat ze willen. Brazilië, India, Indonesië, Iran, Noord- en Zuid-Korea, Maleisië, Pakistan, Saoedi-Arabië, Zuid-Afrika en Turkije exporteren stuk voor stuk wapens die worden gemaakt onder licentie van de belangrijke wapenproducerende landen. Eén Belgisch bedrijf, FN Herstal, verleende licenties voor zijn wapens en ammunitie aan wel twintig landen. Indonesische soldaten krijgen machinegeweren van de Turkse licentiehouder van een Engelse geweerfabrikant, hoewel Groot-Brittannië exportvergunningen voor precies ditzelfde wapen heeft geweigerd.
En net als designkleding zijn wapens van een bekend merk gemakkelijk te kopiëren. Israël, Zuid-Afrika en Kroatië brengen imitaties van de AK-47 aan de man. De wapenindustrie is ook behendig geweest in het afstemmen op een nieuw, jong publiek, door automatische geweren en andere dodelijke wapens zo te ontwerpen dat ze licht genoeg zijn voor kindsoldaten. Een berichtje in de Londense Independent meldde dat op een beurs van de defensie-industrie, eerder dit jaar gehouden in New Delhi, een aantrekkelijke jonge vrouw haar publiek wees op antitank-raketten die 'na enige oefening door een kind van vijf kunnen worden afgevuurd'.
De concurrentie bij het maken en verkopen van lichte wapens volgt het patroon van andere goederen onderworpen aan de wereldomspannende productierace, die floreert vanwege goedkope arbeid en vestigingsplaatsen. De wereld beschikt inmiddels over 640 miljoen handwapens en lichte wapens, genoeg om één op de tien mensen op deze planeet schietklaar te doen zijn. De overdaad creëert een kopersmarkt waarin je voor de prijs van een gemiddeld skateboard een geweer kunt kopen dat honderden patronen per minuut rondstrooit, met zo'n kracht dat een treffer in welk deel van het lichaam dan ook de dood van het slachtoffer garandeert. In Mogadishu zijn er één miljoen automatische geweren op 1,3 miljoen mensen. De wapens worden op de plaatselijke markt verkocht tussen de stalletjes met voedsel en kleren. Een AK-47 uit Noord-Korea kost pakweg tweehonderd dollar. Een Egyptisch model honderdvijftig, en een goedkoop Amerikaans geweer honderd dollar. Op andere plekken zijn gebruikte geweren onwaarschijnlijk goedkoop. In Atjeh verkopen Indonesische soldaten overtollige automatische geweren aan vijandelijke rebellen voor zes dollar. Als hun tegenstanders gewapend zijn, kunnen de regeringstroepen managers van Amerikaanse bedrijven die daar mijnbouw plegen er makkelijker van overtuigen dat ze het leger moeten betalen voor een betere bescherming.
De handel heeft zo'n hoge vlucht genomen, dat lichte wapens in deze tijden kunnen dienen voor massavernietiging. Betrouwbare cijfers zijn lastig te krijgen, maar volgens de beste schattingen zijn de afgelopen tien jaar zo'n zes miljoen mensen gedood in gewapende conflicten over de hele wereld en de helft van hen door lichte wapens.
'Bij vrije handel staat de vrijheid centraal', aldus Robert Zoellick, de Amerikaanse staatssecretaris voor buitenlandse handel. De Amerikaanse belastingdienst schat dat maar liefst twee miljoen Amerikanen een creditcard gebruiken die is uitgegeven door een bank in een belastingparadijs buiten het vasteland, zoals op de Kaaiman-eilanden. Vaak worden ze gebruikt om aan geld te komen dat verborgen moet blijven voor hun echtgenotes, schuldeisers, juridische opponenten of - bij uitstek - de belastinginspecteur.
Voor bedrijven, de rijken van deze aarde en krijgsheren van overal zijn overzeese belastingparadijzen een onmisbare hefboom om de wereldmarkt open te leggen. Ze betekenen een nuttig obstakel voor de honger van de regeringen op deze planeet naar belastinginkomsten en hun ijver om de dingen veel te netjes te regelen. De belastingparadijzen jagen de concurrentie wat belastingdruk en regelgeving betreft op, zodat allerlei landen met elkaar moeten wedijveren om een vriendelijk klimaat te scheppen voor buitenlandse bedrijven en investeerders. Degenen met de minste belastingdruk en meest nonchalante regelgeving zijn de winnaar.
Voor de belastingparadijzen zelf worden toegeeflijke wetten een voorname nationale bron van inkomsten, die miljarden aan gestort kapitaal aantrekt, de werkgelegenheid ter plaatse bevordert en de mannen met de poen naar vakantieoorden in de buurt weet te lokken. Bijna vijf biljoen dollar berust in deposito op locaties die zich verzetten tegen al te veel regelgeving. De Kaaiman-eilanden bieden plaats aan 2240 beleggingsfirma's, 500 verzekeringsmaatschappijen en 570 banken. Zevenenveertig van de grootste banken van de wereld hebben daar een kantoor, net als vele van de grote makelaars in aandelen en obligaties. Allemaal zijn ze meer dan bereid tot advies aan hun cliënten die de unieke voordelen van overzees bankieren wel eens willen meemaken.
Zodra bloedgeld veilig op een anonieme rekening bij een overzeese bank staat, wordt het witgewassen, klaar om te worden overgemaakt naar een algemeen gerespecteerde bank, beleggingsfonds of een buitenlandse aandelenmakelaar. Hoewel het overgrote deel van het geld dat heen en weer stroomt tussen de banken van deze wereld wit is, kan het systeem dat geld zo behendig verplaatsen dat het ook een dekmantel verschaft aan het fortuin - vaak ter waarde van vele miljoenen of zelfs miljarden - van dictators, krijgsheren, louche wapenhandelaren en gevestigde bedrijven die kwaad in de zin hebben. De schattingen hoeveel geld uit criminele kring er per jaar vanuit allerlei bronnen het financiële wereldstelsel binnendringt, variëren van vijfhonderd miljard tot een biljoen dollar. Niet inbegrepen bij dat bedrag zijn de onbekende honderden miljarden dollars aan illegale kapitaalvlucht die bij corrupte regimes vandaan komen - geld uit omkoping van overheidsfunctionarissen, plundering, privatisering en mijnbouwvergunningen. De overzeese financiële centra hebben volop de capaciteiten om alles weer helder wit te wassen.
Dergelijke heimelijke routes eisen wel een flinke tol. Het witwassen van illegale drugsgelden is de voornaamste peiler onder de grootste business ter wereld en de meest gewelddadige. Die routes maken de dieven binnen roofzuchtige regimes het werken mogelijk. Honderden miljarden aan illegale kapitaalvlucht waren het uitvloeisel van Ruslands overgang naar het kapitalisme, onder meer vanwege de frauduleuze privatiseringen en de georganiseerde misdaad aldaar. De routes bevorderen ook de handel in nucleaire, chemische en biologische wapens. Osama bin Laden heeft niet alleen dubieuze geldcentra op allerlei plaatsen gebruikt om het Al Qaida-netwerk te financieren, hij stichtte zelfs een eigen bank in Sudan om kapitaal te onttrekken aan de blik van oplettende Westerse mogendheden. Het geld dat nodig was voor de herbewapeningsplannen van Saddam Hussein, werd weggesluisd via een ondoordringbaar web van overzeese bankrekeningen op naam van brievenbusfirma's.
Zodra het geld in de grote stroom is opgegaan, is het bijna onmogelijk nog te traceren, laat staan terug te halen. De fortuinen die voorbij gingen aan de bevolking van Sierra Leone, Liberia, Sudan en andere landen die op dit moment worden leeggeroofd, zullen zonder twijfel verborgen blijven en kalmpjes rente blijven opleveren.
Landen in oorlog met elkaar op deze wereld vertegenwoordigen niet echt het soort toekomst waarop verantwoordelijke aanhangers van de vrije markt hopen. Hebzucht is een heftige aanvechting binnen elk systeem. De verandering zit hem in de manier waarop langdurige oorlogen die voor een koopje worden gevoerd, mogelijk worden gemaakt en beloond worden. Oorlogsbuit slaat snel om in winst binnen een wereldmarkt waarin regeringen en grote bedrijven voortdurend concurrerend moeten worstelen om een voorsprong te behouden. Firma's die kansen missen om goedkoop olie, delfstoffen of timmerhout binnen te halen, moeten niet alleen een verspeelde winst onder ogen zien, maar ook concurrenten dulden die hen kapot gaan maken. Bankinstellingen en financiële centra die de wereldomspannende kapitaalmarkt bedienen, verzetten zich tegen het bestraffen van bedrijven die tirannen tot hun klant rekenen. Ze zijn bang ondernemingen af te schrikken die hun financiering liever onderbrengen op een plek waar het management niet op de vingers wordt gekeken. Dat is nu de ware geest van het kapitalisme.
Het kan ons daarom nauwelijks verrassen dat het opengooien van financiële wereldmarkt en de wereldhandel een epidemie aan geweld heeft doen losbarsten. De dictators, krijgsheren, topmanagers, banken, advocatenkantoren en regeringen die profiteren van de handel des doods, wisten het al eeuwen. De winst die te halen valt uit een land op het randje van instorting, uit massa's straatarme mensen en door mazen in de wetgeving, wordt net zo vlug en vakkundig de aardbol over gestuurd als de opbrengst van een beleggingsfonds. Geen business is sneller geweest dan de wapenhandel om gebruik te maken van de vrije stroom aan goederen en geld, en overal wapentuig af te zetten - alsof het om katoen ging, zo gemakkelijk.
Dezelfde banden die Nike heeft met de gymschoenfabrikanten in de Derde Wereld, heeft Wall Street met oorlog. Maar terwijl de gymschoenfabricage de straatarmen nog wel enige hoop kan bieden dat ze ooit auto's zullen vervaardigen, beloont de oorlogsindustrie uitsluitend de medespelers die goedkope mensenlevens in de aanbieding hebben. Er is geen marktmechanisme waarmee je het leven van de miljoenen die ten behoeve van de winst worden gedood, kunt repareren. Met geen enkele economische prikkel kun je een half miljard lichte wapens terughalen die op de hele wereld zijn verkocht of de atoombommen in een koffertje die betaald zijn met geheime bankrekeningen. Het wereldkapitalisme biedt geen inzicht in de vraag hoeveel doden nu eigenlijk te veel zijn, of hoe we een wereld kunnen redden die profiteert van haar eigen ondergang. Net als de zee kan het hem niet schelen op welke kust wij uiteindelijk aanspoelen.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.