Email   Print

Er zij licht!

Een psychiater neemt het aanbod aan om praktijk te houden in een strenge chassidische gemeenschap waar al twintig jaar niets aan mentale stoornissen is gedaan.

David Feuer | 52 december 2002/januari 2003 issue

Op mijn werkplek, The Hill, een psychiatrisch ziekenhuis onder bestuur van de staat, verscheen op een dag rabbi Sternglanz. Hij zocht een psychiater. Niet voor hemzelf, maar voor Vayehi Or, wat door de rabbi werd vertaald als 'Er zij licht!' en dat hij beschreef als 'pas de tweede kliniek voor mentale stoornissen die ooit aan het chassidische bevolkingsdeel werd geschonken'.
Ik wantrouwde hem onmiddellijk. Die combinatie van een slap handje en de lange witte baard, die het hele gezicht van de rabbi bedekte, uitgezonderd een vlek bleke huid met ruwweg de grootte en vorm van een veiligheidsbril. Ik moet toegeven dat ik die grootvaderlijke witte baarden altijd heb gewantrouwd. Ze begiftigen hun eigenaars ter plaatse met wijsheid en spirituele diepgang en doen derhalve vaak dienst als mombakkes voor oplichters. Maar mijn wantrouwen jegens de baard van rabbi Sternglanz was nog intenser vanwege de manier waarop zijn baard afweek van zijn woordkeus, een zorgwekkende mengeling van oudtestamentische gelijkenissen en new age psycho-kletspraat. De rabbi gebruikte termen als 'culturele sensitiviteit' en 'machtsoverdracht' en 'onderbenutting', jargonkreten uit het psychologenwereldje, die komende uit die mystieke witte baard volkomen vals klonken.
De rabbi verzekerde me dat Vayehi Or een 'uiterst professionele' organisatie was, met een staf van 'uiterst professionele' professionals. Het was een hele opluchting om te vernemen dat het niet een of andere amateur-psychiatrische inrichting was met een staf van amateur-professionals. Rabbi Sternglanz deed me er verder verzekerd van zijn dat Vayehi Or vroeg in het voorjaar zou verhuizen van het huidige, tijdelijke onderkomen aan Grant Avenue naar het nieuwe 'hypermoderne' gebouw op Henderson Street, ontworpen door een professionele architect met psychiatrische klinieken als specialisme. Alweer voelde ik me gesterkt door de gedachte dat het toekomstige onderkomen van Vayehi Or ontworpen was door een professionele architect en niet door een beginneling. Maar voor het geval ik hem niet geloofde, haalde de rabbi uit de zak van zijn zwarte overjas een brochure tevoorschijn, gedrukt op chic glanzend papier. Op de voorplaat stond een getekende impressie van een bakstenen gebouw van drie verdiepingen, gevestigd aan een statige laan omzoomd door bomen. Door het weelderige landschap eromheen lag het er paradijselijk bij.
Hoewel God zelf aan de rabbi de opdracht had verstrekt om Vayehi Or te stichten, dreigde nu de Inspectie voor Geestelijke Gezondheid van de staat New York de werkvergunning van Vayehi Or in te trekken, tenzij er ten minste acht uur psychiatrische therapie per week werd gegeven. De rabbi zat verlegen om een psychiater die therapie aanbood, welke psychiater maakte niet uit, als het maar opschoot.
Waarschijnlijk had de rabbi bij voorkeur een chassidische psychiater gezocht, maar een dergelijk persoon bestaat helaas niet. Er bestaan helemaal geen chassidische dokters, in welke discipline dan ook, aangezien chassidische joden geen wereldse opleidingen mogen volgen. Er waren twee ultra-orthodoxe psychiaters in Manhattan, maar dat waren allebei 'grote artsen'. De chassidische joden meten een dokter naar de hoogte van zijn rekening en deze artsen waren te groot om op Vayehi Or te werken, dus bood rabbi Sternglanz mij deze betrekking aan. Mijn eerste aanvechting was om 'nee' te zeggen. Niet alleen was de rabbi getikt, maar ook was ik ervan overtuigd dat de chassidische joden niets met mij te maken wilden hebben. Deze overtuiging dateerde nog van zomers die ik in mijn jeugd in de heuvels van de Catskills, ten noorden van New York, had doorgebracht.
'Moet je die kijken!' gilden Jeffrey Bender en ik dan als we chassidische joden langs de weg zagen lopen bij White Lake, in de buurt van hun bungalowpark. Ze zagen er duister en angstaanjagend uit, als bloedzuigende vleermuizen, al hadden we gehoord dat chassidische joden in tegenstelling tot dergelijke vleermuizen een grote afkeer van bloed hebben. Daarom dompelden de chassidische vrouwen zich maandelijks acht dagen onder in warm water, om al het bloed te verwijderen. Daarom wilden chassidische mannen niet eens de hand van een vrouw schudden, voor het geval er een spikkeltje bloed was blijven zitten.
Dit feit kregen we meegedeeld door Howard, de oudere broer van Jeffrey Bender, door wie we alle geheimen rond de chassidische joden uitgelegd kregen. Howard vertelde ons dat de mannen zich nooit schoren of hun haar lieten knippen en dat de vrouwen hun hoofd kaalschoren, om daarna hun naakte schedel met een pruik te bedekken. Hij zei ons dat chassidische joden zich zelfs nooit uitkleedden, zelfs niet als ze gingen zwemmen of slapen. Maar het meest ongelooflijke dat Howard ons vertelde, was dat chassidische joden neukten door een gat in het laken. 'Ze mogen elkaar niet zien.'
De geheimen van de chassidische joden die ons door Howard werden onthuld, maakten de chassidiem alleen nog maar raadselachtiger voor ons. Het was duidelijk dat de chassidische joden niets met mij te maken wilden hebben en daardoor namen ze mijn volledige aandacht in beslag. Wat mankeert die lui? vroeg ik mezelf af. Maar van binnen voelde het als 'wat mankeert mij? Waarom kijken ze naar me alsof ik een stuk vuil ben?
Hoe langer ze mij negeerden, hoe vaker ik hen ging bespionneren. Ik luisterde stiekem mee met hun onbegrijpelijke gesprekken en probeerde de mededelingen in koeterwaals te volgen die uit hun luidspreker kwamen schetteren. Ik lette op wat ze kochten in de Kosher Korner supermarkt aan de overkant en maakte een lijst van alle nakomelingen en bij welke volwassene ze hoorden. Ik gaf de meest interessante chassidiem zelfs een naam: zo had je Stinkerd, Roodbaard, Kleinkop, Pizzahoofd, dat soort namen. Tussen eind mei en begin september dat jaar verzamelde ik stapels gegevens, maar ik werd er nauwelijks wijzer van. Ik was ervan overtuigd dat de meest sappige geheimen van de chassidische joden voor mij verborgen bleven achter de torenhoge houten schutting die rondom hun hele bungalowpark liep.

Maar nu stond hier die chassidische rabbi voor mijn neus, die me niet alleen uitnodigde voor een kijkje door die schutting, maar me zelfs aanspoorde om een blik te werpen. De rabbi verzekerde me dat er een enorme behoefte bestond aan psychiatrische hulpverlening bij de chassidische joden. Al twintig jaar was er aan mentale stoornissen niets gedaan. Nog onlangs, aldus de rabbi, had hij een bejaarde hoedenmaker behandeld, Goldberg genaamd, die abusievelijk de overtuiging koesterde dat de vervangende klep die jaren geleden in zijn hart was geplaatst niet van plastic was, zoals de dokters hadden beloofd, maar een varkensklep. Alle verzekeringen van Goldbergs dokters, zijn familie en zelfs van de rabbi konden hem niet van het tegendeel overtuigen. Niet eens een speciale zegening van de hartklep door rabbi Sternglanz persoonlijk kon deze halvegare hoedenman tot rust brengen. Hij had een aantal keren geëist, dat het varkensonderdeel uit zijn hart werd verwijderd en had het toen zelf proberen te demonteren met behulp van een zakmes en een fles waterstofperoxide. Het gevolg was een grote jaap - door Goldbergs familieleden aan de doktoren bij de Eerste Hulp uitgelegd als een 'ongelukje bij het scheren' - die met ruim dertig hechtingen moest worden dichtgemaakt. En deze Goldberg, zo snoefde rabbi Sternglanz, was nog maar het topje van de ijsberg.
Ik stond geheel open voor elke verleiding. The Hill begon eentonig te worden. Het was tijd voor verandering, een psychiatrisch uitstapje naar een exotisch oord en wat kon nou exotischer zijn dan Vayehi Or, Er zij licht! Het was maar het beste om mijn kaarten direct op tafel te leggen, besloot ik, om misverstanden in de toekomst uit te sluiten.
'Ik weet niets van chassidiem', bekende ik - en los van die kwestie rond hun angst voor bloed en dat gat in het laken was het nog waar ook. Voor de rabbi vormde mijn onwetendheid omtrent de chassidische jood geen probleem. Het zou zelfs een voordeel blijken te zijn, liet hij me weten. 'Door u voelen ze zich minder gauw beoordeeld', zei hij.
'Ik ben geen belijdende jood', onthulde ik tegenover rabbi Sternglanz en bij dit weinig opzienbarende nieuws kon hij slechts zijn schouders ophalen. Maar als ik nu eens precies voor hem opsomde wat mijn niet-belijden inhield, dacht ik, dan zou hij er niet zo luchtig over doen. Ik kon de rabbi vertellen dat ik niet meer naar sjoel ging, zelfs niet op de hoogtijdagen en dat ik dikwijls genoot van een lekker reepje hardgebakken spek, zelfs op Jom Kippoer. Ik zou kunnen zeggen dat ik in voorkomende gevallen de naam van God schreef als God, het hele woord en niet als G-d. Dat ik sinds mijn bar mitzva geen gebedsriemen meer had gelegd en dat ik tijdens de heiligschennende jaren zestig mijn tefellin-tasje had gebruikt om dope in te bewaren en mijn tallit zelf als een sjaal. En tot slot speelde ik mijn grootste troefkaart. 'Ik geloof niet in God', biechtte ik bij deze rabbi. Hij moest glimlachen. 'Dat is een zaak tussen u en G-d', sprak hij.
De onwrikbare overtuiging van de rabbi dat ik de enige man was voor deze baan was niet te verklaren. (Het drong op dat moment niet tot me door dat de rabbi geen andere praktiserende psychiater had kunnen vinden. Ik was letterlijk de enige man was voor deze baan.)
Ik hield mijn twijfels over de rabbi, maar besloot hem uiteindelijk het voordeel van de twijfel te gunnen. Hij leek me waarschijnlijk wel een oprecht man, die probeerde voor zijn mensen te doen wat nodig was. Ik accepteerde zijn aanbod. Ik zou elke woensdag acht uur spreekuur houden op Vayehi Or, te beginnen volgende week.

Ondanks de belofte van de rabbi dat hij me zoveel als nodig was zou bijpraten over chassidisch dogma, leek het me toch het beste om alvast iets te weten over de chassidiem voordat ik ze ging behandelen, zodat ik ze niet onmiddellijk zou beledigen en ook hun opvattingen en rituelen niet zou aanzien voor een psychologische afwijking.
Omdat ik nog maar een week de tijd had voor mijn huiswerk, besloot ik de meest joodse figuur te raadplegen die ik kende. Dit bleek mijn accountant te zijn, een man met een zwarte hoed, een ultra-orthodoxe jood die een zwarte gleufhoed met een brede rand droeg en zo religieus was als een mens maar kan wezen als je tegelijk ook beëdigd registeraccountant wil zijn. Hij vertelde me dat de chassidische joden de meest orthodoxe aller joden zijn, hetgeen ik inmiddels wist. Hij vertelde me ook dat de betreffende sekte binnen de chassidische joden waarmee ik ging werken, de meest orthodoxe aller chassidische joden was en de meest afgezonderde groepering. Zij waren het sterkst bevreesd voor en minachtend tegenover de buitenwereld, met een even grote verachting voor gojim, niet-gelovige joden en zelfs de andere chassidische sekten. 'Deze mensen bekijken ons allemaal alsof we een stuk vuil zijn', vertelde mijn accountant me. Deze woorden troffen me als een vuistslag in de maagstreek. Ik herinnerde me dat die chassidiem van dat bungalowpark in de Catskills me ook hadden bekeken als een stuk vuil.
Maar er was geen reden tot paniek. Ik was inmiddels geen klein snotneusje meer dat achter de chassidiem aanliep om ze te bespionneren. Ik was tegenwoordig dokter Feuer, die door hun eigen rabbi Sternglanz was uitgenodigd om ze te bespionneren, in hun midden ontboden teneinde hun beschadigde psyche te herstellen. Nu zouden ze uit vrije wil hun diepste geheimen met me delen. Dat mijn accountant wel twintig minuten met me aan de telefoon bleef hangen in een periode dat iedereen zijn aangifte moest versturen, was een duidelijk bewijs hoe ernstig hij mijn beslissing nam om met 'die mensen' te gaan werken.
Uiteindelijk gaf hij me op twee punten een concreet advies. Doe het niet en als ik het toch deed, dan moest ik de bonnetjes bewaren. Benzine en tolgeld waren aftrekbaar.

Ik reed naar een wijk in Brooklyn waar ik nooit eerder was geweest en raakte meteen de weg kwijt. Ik had de rabbi om een routebeschrijving gevraagd en die luidde dat ik Grant Avenue moest uitrijden tot ik rechts Schwitzer's Scientific Shoes zag, de orthopedische schoenenwinkel. Die kon ik niet missen en toch lukte me dat op een of andere manier. Ik was in Brooklyn, maar de straten leken niet op het Brooklyn dat ik kende. Ze bruisten van activiteit. De winkelvoorraden waren tot op de trottoirs uitgestald en voor elke winkel stonden tientallen kinderwagens en buggy's, meestal voor twee of drie kinderen. Maar in tegenstelling tot Chinatown, waar je voornamelijk Chinezen zag lopen, werden deze straten uitsluitend bevolkt door chassidische joden. Alle mannen waren in het zwart gekleed. Ze kozen die kleding, had mijn accountant me uitgelegd, om te lijken op de Europese adel van de achttiende eeuw. De vrouwen liepen er allemaal bij als Avon-dames uit de jaren vijftig. Ze kozen die stijl, volgens mijn accountant, om hun seksualiteit te verbloemen en in de meeste gevallen slaagden ze daar verbluffend goed in.
'Sorry', riep ik naar een groepje chassidische mannen die zich over straat repten, 'kunt u me zeggen waar Grant Avenue is?' Slechts een van hen bracht de beleefdheid op om nee te schudden. Wat nee? Nee dat wist hij niet of nee dat wilde hij niet?
'Pardon' was meteen mijn eindpunt bij een stel chassidische vrouwen, die me haastig voorbijliepen zonder me zelfs maar aan te kijken.
Ik bevond me op Henderson Street en daar zou, herinnerde ik me uit de brochure van de rabbi, de toekomstige uiterst professionele vestiging van Vayehi Or zijn plek krijgen in het vroege voorjaar. Deze uitvoering van Henderson Street leek totaal niet op de elegante met bomen omzoomde Henderson Street zoals getoond in de brochure. Op de hoek van Henderson Street en Burns Street kwam ik langs de plek waar het volgende onderkomen van Vayehi Or zou verrijzen. Thans was het een terrein vol onkruid en afval, zonder enig teken van komende bouwactiviteit.
Toen ik de huidige vestiging eindelijk had gevonden, bleek het een flat met zeven kamers te zijn. Drie van deze kamers stonden van vloer tot plafond vol kartonnen dozen, met tape dichtgeplakt. Een volgende kamer leek bestemd voor een of andere zakelijke bezigheid die vroeg om telmachines en grote groene ordners. Daarnaast lag mijn 'spreekkamer', eveneens gevuld met kartonnen dozen. Er was net genoeg ruimte overgelaten om een metalen bureau te plaatsen en één metalen stoel.
Mijn spreekkamer was niet groter dan een bezemkast. Er zaten geen ramen in, maar het meest opvallende kenmerk was toch het ontbreken van een deur. Recht tegenover mijn kamer was die van rabbi Sternglanz. Die had een deur en die was dicht. De kamer aan het eind deed dienst als receptie en wachtkamer van Vayehi Or.
Er wachtte niemand in de wachtkamer en het chassidische meisje achter de balie in de ontvangstruimte deed geen poging om mij te ontvangen. Ik schatte haar leeftijd op ongeveer twintig en ze was heel mooi. Ze leek meer op een prachtige jonge actrice die een chassidisch meisje speelde, dan op een echt chassidisch meisje. Haar huid was wit en effen als porselein, met op haar wangen een waaier aan sproetjes. Haar ogen waren groen en haar vlammende rode haar, met de kleur van amber bier, golfde over haar schouders. Niet slecht voor een pruik, dacht ik bij mezelf.
'Ik ben dokter Feuer', stelde ik mezelf voor en stak mijn hand uit, maar ze deed geen enkele poging om die te schudden. 'Ik ben Ruchel', antwoordde ze zonder met haar groene ogen van haar rommelige bureau op te kijken en ik besefte direct mijn vergissing. Je geeft een chassidische vrouw geen hand. Dat ging lekker zo. Ik was nog geen minuut binnen en ik had haar al beledigd.
De kamer van rabbi Sternglanz was zeker vijf keer zo groot als de mijne, of misschien leek dat alleen maar zo omdat hij niet volstond met kartonnen dozen. Aan de muur hingen enkele foto's van de rabbi die politici de hand schudde. Ik herkende onder andere twee voormalige burgemeesters van New York en een senator. Er hingen ook tientallen bedankbrieven, stuk voor stuk ingelijst en een vergrote en ingelijste versie van de fraaie schets die de toekomstige vestiging van Vayehi Or verbeeldde.
De rabbi zat aan een gigantisch bureau van hout, waarop een hoge stapel van op het oog gewichtige paperassen lag. Hij kwam overeind en begroette me met een stevige handdruk, dezelfde handdruk die hij in stelling bracht bij burgemeesters en senatoren.
'Wat je maar nodig hebt', zei de rabbi, 'mijn deur staat altijd open.' Ik zei de rabbi als binnenkomer dat ik graag een deur wou in mijn spreekkamer. Dit leek me een zeer redelijk verzoek, maar rabbi Sternglanz keek perplex. 'Waarom zo geheimzinnig?' leek zijn blik te vragen. Wat wou ik allemaal gaan doen dat zich achter gesloten deuren moest voltrekken? 'Nog iets?' vroeg hij. Ja, er was inderdaad nog wel iets. Ik had ook een afsluitbare archiefkast nodig waarin ik de dossiers van mijn patiënten kon bewaren en een tweede stoel in mijn kamer waarop de patiënt kon zitten. En het zou handig zijn als die kartonnen dozen uit mijn kamer werden verwijderd. Wat zat er trouwens in al die dozen, vroeg ik hem. 'Honing', antwoordde de rabbi. Hij lichtte toe dat Vayehi Or een handeltje in honing dreef om een aantal faciliteiten voor de gemeenschap te bekostigen. Hij verzekerde me dat hij zelf bij deze honinghandel geen financieel belang had.
En nu de rabbi toch naar mijn wensen informeerde: ik kon ook wel een paar patiënten gebruiken. Ik had me voorgesteld dat ik bij aankomst werd opgewacht door die 'twintig jaar achterstand' aan zieke mensen die de rabbi me had beloofd, maar kon me niet aan de indruk onttrekken dat de wachtkamer leeg was. Geen nood, stelde de rabbi me gerust. Er waren patiënten genoeg, maar ik moest niet verwachten dat ze me meteen kwamen consulteren. Ze zouden eerst de rabbi om advies vragen, zoals dat de gewoonte was en dan zou de rabbi hen aanraden, voor zover hij dat passend vond, om met mij te komen praten. Het was een verontrustende gedachte dat dezelfde man die het belang niet inzag van een deur in mijn spreekkamer, nu ging optreden als mijn bemiddelingsadviseur.

De volgende paar uur zat ik aan mijn metalen bureau, omgeven door dozen met honing. Door mijn deurloze deuropening zag ik een stoet chassidische mannen, de meeste van hen in het bezit van aktetassen of mappen, de kamer van rabbi Sternglanz in- en uitlopen.
Mijn eerste chassidische patiënt meldde zich in gezelschap van zijn moeder. Hij heette Hershel Nussbaum. Hij was tweeënveertig en had het vale uiterlijk en de zure lichaamsgeur van de chronische schizofreen. Zijn ongeordende denkwijze en ziektegeschiedenis, die me door Hershels moeder werd verteld, bevestigden deze indruk. Ze beschreef dat Hershel als jongen 'gevoelig' was geweest, maar 'normaal', tot hij op zijn tweeëntwintigste plotseling ziek werd. 'Hij ging dingen veel te persoonlijk opvatten', was haar milde versie van het verhaal. 'Soms heeft hij een slechte dag, soms niet zo slecht', was haar samenvatting van twintig jaar onafgebroken gekte. Als Hershel een 'niet zo slechte' dag had, bleef hij in zijn kamer, waar hij heen en weer schommelde en verhitte gesprekken voerde met onzichtbare mensen. Op zijn 'slechte dagen' kwam Hershel zijn kamer uit.
Hershel hoorde stemmen. Soms zeiden de stemmen tegen Hershel dat hij de volgende Messias was - en soms voelde hij zich daar goed bij, maar op andere momenten werd hij er vreselijk onrustig van. Hij zei tegen zijn moeder dat hij al die verantwoordelijkheid niet aankon. Hadden de stemmen Hershel ooit opgedragen om iets akeligs te doen, vroeg ik. Een paar keer, misschien drie keer, had Hershel zijn kamer in brand gestoken om een kwaadaardige golem uit te bannen. En ze gaf met grote moeite toe dat hij één keer zijn vader, rabbi Nussbaum, met een keukenmes door de flat had nagezeten. 'Hij bedoelt het niet kwaad', voegde Hershels moeder er snel aan toe. 'Hij leeft alleen gewoon in zijn eigen fantasiewereldje.' Ze zei dit alsof ze een of andere dromerige tiener beschreef en niet een uitbundig psychotische paranoïde schizofreen.
Hershel hoort in het ziekenhuis, dacht ik bij mezelf. Brandstichting, keukenmessen. Als ik hem in The Hill op spreekuur kreeg, had ik hem waarschijnlijk stante pede laten opnemen. Maar dit was The Hill niet, en voor zover ik kon beoordelen, vormde Hershel thans geen groter gevaar dan hij de afgelopen twintig jaar al was geweest.
'Volgens de rabbi bestaan er medicijnen die mensen als Hershel kunnen helpen', zei Hershels moeder en toen ik dat hoorde, kon ik mijn drift nauwelijks bedwingen. Het was dezelfde woede, die ik voelde toen ik hoorde van orthodoxe christenen die niet toestonden dat hun kinderen antibiotica kregen en ze lieten doodgaan aan een simpele longontsteking.
'Die medicijnen bestaan, ja', antwoordde ik Hershels moeder. 'Die medicijnen bestaan inmiddels al veertig jaar.' Ik liet Hershel beginnen met vier milligram Risperdal, een betrekkelijk lage dosis van een betrekkelijk nieuw, 'atypisch' antipsychotisch middel.
Nog geen achtenveertig uur later stond er een boodschap op mijn antwoordapparaat van rabbi Sternglanz. De rabbi moest me dringend spreken. Het ging over Hershel Nussbaum. Dat kon alleen maar slecht nieuws zijn. Het was inmiddels erev sjabbos en ik wist dat rabbi Sternglanz de telefoon niet meer mocht opnemen tot zonsondergang de volgende dag.
De tussentijd benutte ik om me het meest vreselijke voor te stellen. Ik verbeeldde me dat Hershel een ernstige allergische reactie op de Risperdal had gekregen, waardoor zijn lichaam tot een spastische knoop was verwrongen en zijn luchtpijp was dichtgeschroefd. Of wie weet, had hij een paradoxale zenuwaanval gekregen en achtervolgde hij nu zijn vader door de flat met een keukenmes. Of het was een neuroleptisch kwaadaardig syndroom, waardoor Hershel in een diep coma was weggezakt.
Op zaterdagmiddag was ik ervan overtuigd dat ik mijn eerste chassidische patiënt had vermoord of dat hij iemand anders had gedood. Wat zouden de chassidiem met mij gaan doen, vroeg ik me af. Zouden ze het oordeel aan God overlaten, of zouden ze me voor een vierschaar van bebaarde ouderlingen slepen? Misschien hadden Hershels moeder en de rabbi al een letseladvocaat opgezocht die hen meedeelde dat dit een bij voorbaat gewonnen zaak was.
Ik zat in de dodencel, de Hoge Raad had mijn gratieverzoek afgewezen en toen belde rabbi Sternglanz terug op zaterdagavond. 'Gefeliciteerd', jubelde de rabbi door de telefoon. 'Ik hoor van Hershels moeder dat Hershel nu al een heel ander mens is.' Volgens de rabbi was Hershel sinds een dag of twee een stuk kalmer geworden. Hij praatte nu alleen nog met mensen die echt bestonden, en er sloop zelfs wat logica in wat hij zei. Hij was met zijn moeder naar de kruidenier geweest en Hershel had nu eens niet een bliksemaanval op de koopwaar uitgevoerd. Hij was in gezelschap van zijn vader naar de sjoel gegaan en dit keer had Hershel niet op luide toon verkondigd dat hijzelf de Mechiach was. Hij had zelfs tegen zijn vader gezegd dat de arbeidsvoorwaarden van een baan als Messias hem nog steeds niet bevielen, maar dat hij nu begreep dat er weinig van hem werd verwacht tot het Laatste Oordeel, dus kon hij best een beetje relaxen.
Hershels neuroreceptors reageerden voorbeeldig op deze lage dosis aan neuroleptisch middel en dat was - farmaceutisch gesproken - stom geluk. Maar het nieuwtje van Hershels miraculeuze herstel flitste over de tam-tam van de sekte, verleende mij de status van Grote Psychiater en verleende rabbi Sternglanz de status van Grote Rabbi omdat hij deze Grote Psychiater had weten te vinden. En wat zo belangrijk was: de Grote Psychiater bemoeide zich nergens mee. Hij vroeg niet naar dromen of geheimen of je liefdesleven. Hij gaf je gewoon pillen, net als een echte dokter.

De volgende drie weken druppelden de patiënten gestaag binnen. Ze waren zonder uitzondering man, zonder uitzondering psychotisch en zonder uitzondering was ik de eerste psychiater die ze ooit hadden bezocht.
Maar na Hershel Nussbaum heb ik geen wondergenezingen meer tot stand gebracht. Een paar psychotische mannen gingen opvallend goed vooruit, een paar helemaal niet en de meerderheid zat daar ergens tussenin.
Na enkele weken viel het me op dat deze gestage stroom gekken werd aangelengd met een handjevol louter ellendigen. De louter ellendigen kwamen doorgaans zonder begeleiding naar Vayehi Or. De overgrote meerderheid ervan meldde fysieke klachten - pijnen in hoofd en maag, uitputting en vergeetachtigheid, geen zin in eten of wat dan ook - waarvoor hun huisarts geen verklaring kon vinden. En het merendeel van deze depressieve chassidische mannen reageerde op het nieuws dat ze officieel depressief waren met verbazing en scepsis. Waarom zouden zij nou depressief zijn? Nee, depressief waren ze niet, maar ja hoor, ze namen wel het antidepressieve medicijn in als de dokter dat nodig vond.
Ik diende de medicatie toe vanuit een groene vuilniszak vol gratis proefmonsters die ik uit The Hill had meegesleept. Als ik omlaag reikte in die zak, voelde ik me eerder een hulpverlener van het Rode Kruis in de nasleep van een of andere grote ramp dan een psychiater. In plaats van cholera bestreed ik schizofrenie en depressies. In plaats van antibiotica deelde ik psychosebestrijders en antidepressiva uit. Maar als ik niet meer was dan een rampenbestrijder, troostte ik mezelf met de gedachte dat ik ook niets minder was. Ik verleende hulp.
Mijn plan was om de proefmonsters alleen te gebruiken voor de chassidiem zonder ziektekostenverzekering, maar in de praktijk bleek dat alle chassidiem, verzekerd of niet, erop stonden dat ze hun medicijnen uit mijn groene vuilniszak ontvingen. Deze medicatie was in geen enkel geval kosjer. Dit betekende dat rabbi Sternglanz elk medicijn moest zegenen met een speciale kiddoesj, wat onhandig werd toen het aantal patiënten toenam. Vandaar dat rabbi Sternglanz op een dag even langskwam in mijn werkkamer om de gehele vuilniszak te zegenen. Hokus pas! Eén snel gebedje en voor je het wist was de hele bende van Prozac tot Prolixin ter plaatse kosjer, behalve tijdens Pesach, want dan moesten alle medicijnen opnieuw worden gezegend.
Als het nodig werd om mijn voorraad medicijnen weer aan te vullen, voelde ik een sterke aandrang om de rabbi te waarschuwen. Toch koos ik ervoor om de farmaceutische treife op discrete wijze in de gezegende vuilniszak te laten verdwijnen.

Mijn verblijf op Vayehi Or had inmiddels bijna twee maanden geduurd en tot nog toe had ik nog niet één chassidische vrouw als patiënt gehad. Het kon natuurlijk dat de dames binnen de sekte allemaal in een blakende geestelijke toestand verkeerden, maar veel logischer was dat ze geen toestemming kregen (van anderen of zichzelf) om psychiatrische hulp te zoeken. De drempel van ziek-zijn waarover ze moesten stappen voor ze zich overgaven aan therapie lag waarschijnlijk een stuk hoger dan bij de mannen. Ik beeldde me in dat bij de eerste chassidische vrouw die mijn praktijk binnenstapte het schuim op de mond zou staan - maar ik vergiste me.
Ze heette Rivka S. en was - zoals ik noteerde op mijn intakeformulier - 'aangepast qua gedrag en voorkomen'. Dat laatste was niet helemaal waarheidsgetrouw. Rivka was eerder uitgedost voor een lunch met een clubje plattelandsvrouwen dan een bezoek aan de psychiater. Ze had een donkerblauwe rok aan die tot haar enkels reikte en een bijpassend jasje met gouden knopen tot aan haar kin. Een klein rond hoedje rustte in wankel evenwicht op haar duidelijk synthetische haar. Haar opvatting van mode was blijkbaar er aantrekkelijk uitzien zonder ook maar iemand werkelijk aan te trekken.
Rivka zag er opvallend jonger uit dan haar man, die plechtig en stijfjes in een stoel zat, zo ver van Rivka verwijderd als mijn werkkamertje dat maar toeliet. De spanning tussen hen twee kon je snijden met een mes. Ik wist dat Rivka's echtgenoot hier niet alleen als begeleider fungeerde, maar ook als supervisor. Als ik diep ging graven, zou ik ze allebei nooit meer terugzien. Rivka's man had persoonlijk besloten dat Rivka pillen nodig had voor haar 'idiote toestand met het bloed'.
Rivka's idiote toestand met het bloed was enkele maanden geleden begonnen toen ze in het mikwe zat, het maandelijkse rituele bad dat chassidische vrouwen nemen om zichzelf van elk spoortje menstruatiebloed te reinigen. Het mikwe was het voornaamste ritueel voor 'reinheid binnen het gezin' tijdens de 'acht dagen zuiverheid' die volgen op de vijf dagen dat er daadwerkelijk bloed vloeit. Het is vereist dat de vrouw zichzelf 'van binnen en buiten controleert' of er niet één enkel bloedspatje is blijven zitten dat haar echtgenoot kan besmetten.
'Stel nou', had Rivka gedacht terwijl ze in het mikwe dobberde, 'stel nou dat ik nog steeds onrein ben?' Stel dat Rivka, ondanks de controle van binnen en buiten, toch nog een druppeltje bloed over het hoofd had gezien. Een miniscuul spatje ergens diep in een huidplooi, of wie weet onder een vingernagel. Stel nou dat ze na acht dagen zuiverheid toch het voornaamste voorschrift voor 'reinheid binnen het gezin' overtrad. De huiveringwekkende gevolgen van deze gedachte werden een obsessie voor Rivka. Alles was ze aanraakte - haar meubels, vaatwerk, kinderen, haar echtgenoot - zou bezoedeld raken.
De stel-nou-angst van Rivka dat ze nog steeds onrein was, stolde langzamerhand tot een overtuiging. Ze kon in haar mikwe-kuip blijven zitten tot ze rimpelde als tutti-frutti. Ze kon veertig keer per dag haar kleren wassen, haar vaatwerk en haar handen, het maakte allemaal niets uit. Ze kon toch nog onrein wezen. Rivka besloot dat de veiligste strategie was om niets meer aan te raken, en wel inclusief haar man.
Door te weigeren haar man aan te raken, schond Rivka niet alleen haar huwelijkse plicht om haar man ten gerieve te zijn, maar tevens het voorschrift in de Talmoed om heen te gaan en zich te vermenigvuldigen. Op haar vijfentwintigste had ze al drie kinderen, maar dat was lang niet voldoende vermenigvuldiging om de Talmoed dan wel de chassidische wetten tevreden te stellen, die eisten dat Rivka doorging met vermenigvuldigen zolang als biologisch haalbaar was, tot aan haar menopauze of haar dood, welke zich maar eerder aandiende.
Rivka lag al achter op schema. De buren waren aan het roddelen geslagen en de rabbi oefende druk uit. Het was hoogst ongebruikelijk dat een vruchtbare jonge chassidische vrouw als Rivka bijna drie jaar lang geen nakomeling had voortgebracht. De rabbi herinnerde haar er regelmatig aan dat haar jongste kind al bijna drie was. Er mocht geen dag meer verloren gaan aan deze idiote toestand met het bloed. Rivka zelf betreurde ook de verspilde tijd - een periode waarin ze haar man twee, of zelfs drie kinderen extra had kunnen schenken. Ze wou graag weer de volgzame vrouw en productieve draagmoeder worden met wie hij ooit was getrouwd.
Ik zei tegen Rivka en haar man dat het wel zes weken of langer kon duren voor de Luvox, het middel dat ik voorschreef, aansloeg. Zes weken wilden ze nog wel wachten, zeiden ze, maar de rabbi wou vast geen zes weken wachten als ze van mij geen briefje meekregen waarmee ze een heter konden vragen, een speciale rabbinale ontheffing die Rivka en haar echtgenoot vrijstelde van voortplanting.
Ik heb in de loop der jaren honderden briefjes-van-de-dokter geschreven, die patiënten van de gekste dingen vrijstelden, van zitting nemen in een jury tot springen over een draaihek, maar dit was het eerste briefje dat ik ooit schreef om bij een patiënte de voortplanting op te schorten. In mijn briefje aan de rabbi omschreef ik waar Rivka aan leed en het medicijn dat ze daarvoor meekreeg. Ik vermeldde ook dat naar mijn professionele mening de stress van een zwangerschap op dit ogenblik schadelijk zou zijn voor haar geestelijke welstand. Ik overwoog erbij te vermelden dat Rivka hartstochtelijk verlangde naar nog meer kinderen, maar dat leek me toch iets te veel van het goede. Ik dacht erover om mogelijke misvormingen te vermelden die Rivka's medicatie als bijwerking kon hebben, maar dat zou gelogen zijn, want er waren geen bewijzen dat Luvox afwijkingen bij de foetus kon veroorzaken. Mijn simpele en feitelijke briefje betekende voor Rivka een coïtus interruptus, seksuele onthouding, ter waarde van één maand.

Mijn geheime fantasie was dat de chassidische gemeenschap me op een bepaald moment aan haar erkentelijke boezem zou drukken. Ik zag mezelf op zekere dag aan hun eettafel zitten op sjabbos en dansen op de bruiloft van hun kinderen. Maar het werd glashelder dat ik net zoveel mitzvoth met mijn medicijnen kon verrichten als ik wilde, maar deze chassidiem waren niet geneigd om me in hun rituelen in te wijden. Zelfs als ik ernaar vroeg, zeiden ze domweg: 'Zo doen wij dat nou eenmaal', of 'Dat doen wij niet'. Zelfs als ik uit onwetendheid hun wetten overtrad, negeerden ze me gewoon. Ik kon een enorme Jezus aan het kruis om mijn nek dragen of een gouden kalf op mijn bureau neerzetten, het kon ze niets schelen.
Dat gold voor iedereen, behalve de receptioniste Ruchel.
Als ik aan het eind van de dag de dossiers terugbracht naar Ruchels bureau, dan kleurden Ruchels wangen zo rood als haar haren en begon ze zenuwachtig de spullen op haar werkblad heen en weer te schuiven alsof ze mahjong-steentjes opstelde. Was ik een chassidische jongen van twintig geweest, dan had ik gedacht dat ze een oogje op me had, maar als psychiater van zesenveertig maakte ik er maar gewoon verlegenheid van.
Op een dag deed Ruchel wat geen chassidische vrouw ooit voor haar had gedaan - ze maakte ineens direct oogcontact. Eerst vluchtig, toen langer en - zo kwam het op me over - dieper. Ten slotte ging Ruchel daadwerkelijk met me praten. En ze vroeg me niet alleen naar een woord of een zinnetje dat ze in mijn handschrift niet kon ontcijferen, maar ze stelde echte vragen. Persoonlijke vragen.
'Hoe lang duurt het voordat je psychiater bent?' vroeg Ruchel me en niet lang daarna vroeg ze me hoeveel kinderen ik had. Voor Ruchel was het feit dat ik kinderloos was veel schokkender dan de boodschap dat je na de middelbare school twaalf jaar nodig had om psychiater te worden. Had mijn vrouw een probleem, wilde ze weten. 'Ik ben niet getrouwd', vertelde ik haar, 'dus ik neem aan dat ík een probleem heb.'
Ruchel stelde niet alleen gerichte vragen, ze ging ook op mijn vragen antwoord geven. Ze was twintig jaar, zei ze, ze woonde nog bij haar ouders en studeerde in een jesjiva voor meisjes. Nee, het was geen pruik. Het was haar echte haar. Ze hoefde nog niet haar hoofd kaal te scheren en een sjeitel te dragen tot ze zou trouwen, wat ze al gedaan had als ze niet hoefde te wachten tot het zusje boven haar was getrouwd.
Ik bracht nu de dossiers aan het einde van elk therapiegesprek terug naar Ruchels bureau, in plaats van aan het eind van de dag. Zo werden onze korte gesprekjes talrijker. Ik weet niet hoe Ruchel mij zag, maar ik zag Ruchel als een waardevolle bron van informatie over rabbi Sternglanz. Ik vroeg haar wie al die mannen waren die rabbi Sternglanz' werkkamer in- en uitliepen. Ruchel legde uit dat de rabbi geestelijke raad en religieuze adviezen verstrekte. 'Aan die kerels met hun aktetassen?' vroeg ik. Ruchel verklaarde dat ze waarschijnlijk de rabbi bezochten om geschillen uit te praten. Stel, iemand zou geld lenen en weigeren om terug te betalen. Dan ging de rabbi met zo'n man praten.
Op een dag vroeg ik Ruchel of ze zin had om mee te gaan lunchen in het kosjere restaurant om de hoek. Ze keek me aan of ik haar zojuist had voorgesteld om te gaan neuken op het bureau van de rabbi terwijl hij een van die geschillen zat uit te praten. Ruchels blik leek te willen zeggen dat er geen plek op aarde bestond waar zij en ik ooit op een gezamenlijke lunch konden hopen.
Tot dat moment had ik geen enkele zondige gedachte omtrent Ruchel gekoesterd. Maar nu merkte ik dat ik niet aan die lunch dacht, maar aan al die plekken waar niemand anders dan Ruchels toekomstige echtgenoot ooit toegang zou krijgen. Ik merkte dat ik fantaseerde hoe Ruchels benen er uitzagen boven die vijf centimeter enkel in witte kousen. Ik stelde me de vorm van die borsten voor - volmaakte perziken - en hoe het vlammende rode haar zou ruiken dat op een dag op de vloer van een of andere kapper zou eindigen. Ik fantaseerde onze hele verboden liaison bij elkaar. Het schrijnende genot van onze illegale momenten, de riskante kick van onze geheime afspraakjes, de woedende reactie van de sekte bij het nieuws van onze verloving. De problemen die ik op onze huwelijksnacht zou hebben met het vinden van dat gat in het laken.
Ik besloot om voortaan de dossiers weer aan het eind van de dag naar Ruchel te brengen in plaats van na elke patiënt. Mijn dagdromen hadden me huiverig gemaakt. Het was tijd om een stapje terug te doen en dat lukte me prima tot de dag dat Ruchel en ik recht tegenover elkaar kwamen te staan bij de buitendeur van Vayehi Or. Ik kwam net binnen, en Ruchel - neem ik aan - ging net naar buiten om te lunchen.
'Sjalom', groette ik haar net als anders en deed een stap opzij om haar door te laten. 'Sjalom', antwoordde Ruchel en bleef waar ze was. Wel richtte Ruchel haar ogen voluit op de mijne, drukte langzaam twee vingers op haar lippen en hield ze daar. Het was een lang en erg erotisch moment. Toen hief Ruchel die vingers langzaam op, nog steeds met haar blik op mij en raakte de mezuzah aan die aan de deurpost was gespijkerd.
Zonder te aarzelen of erbij na te denken deed ik hetzelfde. Het leek of we daar uren hebben gestaan op die drempel, sprakeloos. Het voelde alsof onze lippen elkaar raakten, alsof de Kaken van de Hel nodig zouden zijn om onze blikken van elkaar los te scheuren. Zo voelde het en toen was het voorbij. En het is nooit meer gebeurd.

Intussen kwam er helemaal geen schot in Rivka's idiote toestand met het bloed. Dit was niet zo ongebruikelijk. Pakweg dertig procent van de patiënten met een dwanghandeling blijkt ongevoelig voor medicijnen alleen. Wel ongebruikelijk was dat ik Rivka's medicatie - eerst Luxon, daarna Zoloft - opschroefde tot flink boven de aanbevolen dosis en zij niet één keer klaagde over bijwerkingen. Ze klaagde ook niet toen ik deze middelen aanvulde met eerst lithium, toen Risperdal en ten slotte met schildklierhormonen en ze werd er ook niet beter van. 'Hetzelfde', luidde om de twee weken Rivka's reactie als ik informeerde naar haar toestand. 'Hetzelfde', klonk elke keer de echo van Rivka's gefrustreerde echtgenoot. En hij herinnerde me ook telkens aan mijn oorspronkelijke belofte dat zijn vrouw na zes weken genezen zou zijn van de idiote toestand met het bloed.
Ik was net zo gefrustreerd als Rivka's man. Ik las alles dat ik in handen kon krijgen over recente ontwikkelingen in de farmacologische behandeling van dwangneurosen. Ik had gesprekken met een paar vermaarde psycho-farmacologen en die hadden beiden niets meer te bieden dan ik al toepaste. Ik overwoog de inzet van gedragstherapie, een techniek waarmee ik geen enkele ervaring had. Maar toen ik deze mogelijkheid schetste voor Rivka en haar man en voorstelde om hen door te sturen naar een gedragstherapeut, wilden ze daar absoluut niets van weten. Het was voor hen pompen of verzuipen, maar alleen op basis van de pillen van de psychiater. Rabbi Sternglanz verschafte Rivka intussen nog steeds haar papieren anticonceptie, maar uitsluitend voor één ovulatie tegelijk. Daarom was ik genoodzaakt om Rivka elke maand een briefje van de dokter mee te geven, waarop in feite stond: Beste rabbi. Geef Rivka deze maand alstublieft toestemming om niet zwanger te worden. Ze voelt zich niet goed.
Vlak voor Pesach kwam er nog een chassidische vrouw naar Vayehi Or met een dwangneurose. Hoewel haar symptomen vrijwel identiek waren aan die van Rivka, hoewel ze dezelfde medicijnen vroeg die Rivka ook niet hielpen en hoewel ook zij om een briefje van de dokter vroeg, kreeg ik geen argwaan. En na Pesach meldde zich een derde vrouw met dwangneurose en toen nog een, en nog kreeg ik geen argwaan. Een hoog percentage dwangneurosen in een sterk door rituelen beheerste gemeenschap als de chassidiem was volstrekt logisch. En het was ook volstrekt logisch dat hun obsessies op elkaar leken en op hun eigen cultuur gericht waren. Het was bekend dat talrijke mannen in Azië hardnekkig geloofden dat hun penis zich terugtrok in hun onderlichaam en ik had gehoord dat veel Scandinavische mannen zeker wisten dat ze aan het krimpen waren, dus zat er voor mij geen luchtje aan dat zoveel chassidische vrouwen deze 'idiote toestand met het bloed' hadden. Het drong niet tot me door dat Rivka S. misschien wel simuleerde, tot Rivka dit op een dag uit zichzelf toegaf.
Ze bekende alles, heel onverwacht en op fluistertoon. De bekentenis duurde zo lang als haar man nodig had om naar buiten te rennen, zijn autoalarm uit te schakelen en weer terug te keren. Rivka legde uit dat de gedachte aan nog meer kinderen ondraaglijk voor haar was. Haar krachten waren uitgeput en nood had haar vindingrijk gemaakt.
'Was u zo wanhopig dat u een half jaar medicijnen hebt geslikt die u niet nodig hebt?' vroeg ik ongelovig.
'Nee', antwoordde Rivka en haalde vanonder haar elegante jasje een bruin papieren zak tevoorschijn met daarin voor zes maanden aan pillen. 'Misschien heeft iemand anders hier nog wat aan', bood ze een beetje onbeholpen aan.
'En de anderen?' vroeg ik haar, die andere vrouwen die zich met hetzelfde probleem als Rivka gemeld hadden? 'Ze hebben inderdaad hetzelfde probleem als ik', zei Rivka stellig. 'Ze willen ook geen kinderen meer. Dus hebben we gepraat.'

Ik stelde me voor hoe deze chassidische vrouwen moesten praten. Groepjes die met heimelijk gefluister ervaringen uitwisselden, bij de bakker en in de stoffenwinkel, terwijl hun kinderen lagen te slapen in de wandelwagen en hun man aan het werk was of in de sjoel. Ik stelde me Rivka voor als degene die tegen wil en dank de leider was geworden van dit voortplantingsverzet. En mezelf, de psychiater, als hun collectieve voorbehoedsmiddel.
Ik wilde graag weten waarom Rivka dit moment koos voor haar bekentenis, maar Rivka zei dat ze dat niet goed wist. Misschien voelde ze zich schuldig over haar leugens tegen haar man en de rabbi. Rivka wist wél zeker dat ze geen kinderen meer wilde en dat ik dat absoluut niet mocht zeggen tegen haar man en rabbi Sternglanz. Trouwens, ze had nog zo'n briefje nodig voor de rabbi.
Ik worstelde met mijn geweten, maar niet zo lang. Welk recht had ik, als onnozele buitenstaander, om me te bemoeien met de heilige chassidische wetten die de voortplanting regelen? Welk recht had ik, als jood, om het aantal joodse wereldburgers te verminderen, al was het maar met één jood, zelfs als die ene jood lid was van deze extreem geïsoleerde sekte?
Dertig jaar geleden was er een psychiater, ene Anita, die veel jongens een brief meegaf voor de dienstkeuring, zodat we niet naar Vietnam hoefden. 'Heb je wel 's het gevoel dat mensen naar je staren in de metro?' vroeg ze ons dan. Ja, zeiden we, soms wel. 'Stap je over de kieren tussen stoeptegels omdat anders je moeder haar rug breekt?' vroeg ze. Ja, natuurlijk, en dan kregen we een week later een brief waarin stond dat we psychisch te instabiel waren om naar Vietnam te gaan. In de week die verliep tussen mijn onderhoud met Anita en de brief werd ze gearresteerd. En hoewel ze werd opgepakt voor het leveren van speedpillen en niet voor het schrijven van brieven, gebruikte ik Anita toch als voorbeeld om dit morele dilemma op te lossen.
Ik besloot door te gaan met mijn brieven voor Rivka en dat ik elke andere uitgeputte chassidische vrouw die erom vroeg ook een brief zou geven. Het was een vorm van preventieve psychiatrie, had ik besloten. Door nepbriefjes van de dokter voor ze te schrijven, voorkwam ik dat zich de echte symptomen konden ontwikkelen die twintig jaar van onafgebroken baren ongetwijfeld zouden veroorzaken.

In het vroege voorjaar hing er in de buurt op straat een steeds toenemende spanning. Er waren al een paar kwalijke incidenten geweest. Een Puertoricaans tienermeisje was kennelijk betast door een oudere chassidische man in de wasserette bij haar huurflat en ze had aangifte gedaan. Een paar avonden later vlogen er stenen door diverse ruiten. Het gerucht ging al rond dat er een complete oorlog tussen de bevolkingsgroepen op til was.
Rabbi Sternglanz was een paar weken onvindbaar en toen hij terugkwam was hij veel afstandelijker geworden. Hij ontving geen bezoekers meer in zijn werkkamer. En als hij de deur uitging, wat hij nog maar zelden deed, werd hij altijd begeleid door een paar chassidische lijfwachten.
De rabbi had een blik die niet zijn gebruikelijke zalvende houding uitdroeg, maar ook niet de smalende blik waarmee hij de laatste tijd rondliep. Het was eerder een blik van angst en wantrouwen. We hadden misschien al drie weken geen woord gewisseld, toen rabbi Sternglanz mij ontbood op zijn kamer en me voorstelde aan een oudere chassidische man, Schmuel R. genaamd - de man die, naar werd beweerd, het Puertoricaanse tienermeisje had betast. Terwijl Schmuel er stilletjes bijzat, legde de rabbi uit dat Schmuel een brief nodig had voor het gerechtshof waarin stond dat hij psychische problemen had en neigingen waaraan hij niets kon doen. 'Je kon er niets aan doen', stelde de rabbi simpelweg en Schmuel schudde zijn hoofd. Nee, hij kon er niets aan doen. Deze ene uitspraak van de rabbi moest het volledige psychologische onderzoek vormen waarop ik mijn brief aan het gerechtshof zou baseren.
Ik weigerde, maar rabbi Sternglanz was niet in een geschikte bui voor weigeringen. Hij vatte mijn afwijzing op als muiterij, zoiets als hoogverraad in oorlogstijd. 'Je schrijft toch al tijden allerlei briefjes?' zei hij. Ik wist onmiddellijk dat hij het had over mijn uitstelbriefjes voor Rivka en de anderen. Toch bleef ik weigeren. Ik hield mijn poot stijf en zag in de ogen van de rabbi dat ik nu de vijand was. Ik verwachtte dat hij me daar ter plekke zou ontslaan, maar dat gebeurde niet. Ik moest daar ter plekke ontslag nemen, vond ik, maar dat kon ik niet.
Ik geef het niet gauw op en daar bedoel ik niets positiefs mee. Ik bedoel dat ik me - en daar heb ik mijn eigen neurotische redenen voor - moeilijk uit ongunstige situaties kan terugtrekken. Slechte relaties, slechte accountants, slechte kappers en slechte baantjes - in twintig jaar had ik nog nooit iemand ontslagen of ontslag genomen.

Toen ik een paar dagen later Vayehi Or binnenkwam, hing er een slot op de voordeur. Twee medewerkers van rabbi Sternglanz stonden er met gekruiste armen voor. De rabbi zelf stond iets naar achteren. Ik stapte uit mijn auto en wilde naar het gebouw lopen, maar de medewerkers van de rabbi versperden mij de weg.
'Jij bent niet langer welkom in ons midden', riep de rabbi me toe. Hij zei dit alsof hij een heilige fatwa uitsprak. 'Jij werkt hier niet meer', bulkte hij.
Ik voelde opluchting, maar ook schaamte omdat ik werd ontslagen. Ik was nooit eerder ontslagen. Ik vroeg me af wat de laatste druppel was geweest. Was het die brief voor de oude chassidische man, die ik had geweigerd te schrijven of al die andere brieven die ik wel had geschreven? Kreeg ik mijn congé als spil van het voortplantingsverzet of kwam het door de onreine gedachten die ik koesterde jegens Ruchel, de receptioniste? Wie kon het zeggen? En wat maakte het op dat moment nog uit?
'Ik wil wel mijn patiëntendossiers meenemen', zei ik tegen de rabbi. Ik hoopte dat althans enkele chassidische patiënten met me mee terug zouden gaan naar The Hill en dan zou ik hun dossier nodig hebben.
'Het zou jouw patiënten niet meer', siste de rabbi.
'Nou, het zijn in ieder geval niet jouw patiënten', jammerde ik.
Ik stapte langs de rabbi en liep op de deur af, toen de grootste van de twee mannen me aan mijn bovenarm vastgreep. Hij hield me vast met de stevige pijnloze druk die de omslag van een bloeddrukmeter uitoefent. 'Raak me niet aan', sprak ik bevelend, niet omdat ik daarmee regelde dat hij me losliet, maar omdat ik wist dat je zoiets hoorde te zeggen in een dergelijke situatie. De rabbi spuugde een paar woorden in het Hebreeuws uit. Ik verstond ze niet, maar het klonk niet als 'en nog een prettige dag verder'. Toen manoeuvreerden de mannen van de rabbi me als twee duwboten richting mijn auto.
Een tegen een kan ik de rabbi hebben, schatte ik stilzwijgend in. Hij is dik, hij heeft jampotglazen in zijn bril en hij is uiteindelijk een rabbi.
De man die mijn arm beethad, leek aan te voelen hoe mijn gedachten liepen. 'Het is beter als u nu weggaat', adviseerde hij me. Er klonk geen uitgesproken boosaardigheid in zijn stem. Voor hem was het gewoon een conflictje dat werd geregeld.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.