|
|
Wildernis: een mensenkwestie
Waarvoor dient de wildernis? Typisch de verkeerde vraag. De wildernis is er niet voor de mens, maar voor zichzelf. Als een voorbeeld van samenleven en samenwerken. Wildheid houdt de belofte in van biologisch en ethisch herstel.
Ik ga proberen u ervan te overtuigen, dat de wildernis een morele krachtbron is. In de afgelopen eeuwen heeft de menselijke cultuur een uitzonderlijke intellectuele omwenteling doorgemaakt, die de visie op de wildernis heeft veranderd van een risico tot iets waardevols. Deze wisseling is in grote lijnen bewerkstelligd door mensgerichte argumenten, die de waarde van de wildernis voor onze beschaving onderstreepte: recreatieve, landschappelijke en spirituele normen hanteren de mens als maat. Maar de essentie van de wildernis is – zoals Henry David Thoreau al schreef – dat zij ‘beschavingen herbergt die de onze niet zijn’. Bezien als de biotoop van andere levensvormen – en niet als een speeltuintje voor ons mensen – vormt de wildernis de beste omgeving waarin je kunt leren begrijpen dat de mensen deel uitmaken van de levensgemeenschap. En er niet over heersen. Dit ethische beginsel, dat een matigende invloed kan hebben op onze omgang met het milieu, kan een startpunt zijn om onze planeet te redden.
In den beginne schiep onze beschaving de wildernis. Voor de nomadische jager-verzamelaars, die de menselijke soort voor het grootste deel van zijn bestaan hebben vertegenwoordigd, was de natuur niets meer dan de omgeving en de mensen zagen zichzelf als onderdeel van een grote levensgemeenschap die naadloos in elkaar paste. Er werden pas grenzen getrokken toen veehouderij, landbouw en huisvesting hun intrede deden. Het onderscheid tussen getemde en niet-getemde beesten werd van belang, tussen cultuurgewas en onkruid, evenals het idee van een getemde ruimte: veekralen, akkers en dorpen.
De niet-beheerste gebieden – het territorium van de jager-verzamelaars – werden een bedreiging voor de mensen die zich vast hadden gehuisvest. Als oude Grieken door wouden of bergen moesten trekken, waren ze bevreesd voor een ontmoeting met Pan, de heerser over de bossen, die een ongeremde sensualiteit paarde aan grenzeloze speelse energie. Het woord ‘paniek’ stamt zelfs af van de verlammende angst, die reizigers beving zodra ze vreemde kreten opvingen in de wildernis, en dachten dat die de komst van Pan aankondigden.
De taalkundige wortels van de term ‘wildernis’ weerspiegelen deze bangigheid. In het oude Germaans en Noors lijkt ‘wil’ de stam te zijn geweest, waarmee een betekenis van koppig, grillig of onhandelbaar werd aangeduid. Vanuit ‘gwyllt’ ontstond het adjectief ‘wild’. In de achtste eeuw werd de sage van Beowulf bevolkt door wildeor – een samenstelling van ‘wild’ en ‘deor’, dat beest betekent – woeste fabeldieren die verbleven in een onherbergzame streek vol wouden, ravijnen en hoge rotsen.
De joods-christelijke traditie vormde een volgende sterke invloed op de houding van de Europeaan tegenover de wildernis en misschien wel het sterkst op hen die als kolonist naar de Nieuwe Wereld trokken. Als de Heer van het Oude Testament een zondig volk wilde dreigen of straffen, hanteerde Hij de toestand in de wildernis immer als Zijn krachtigste dwangmiddel.
Zo zijn er vanaf de dageraad van de beschaving grote vooroordelen ontstaan. Wij gingen wonen op een vaste plek, werden steeds verwaander tegenover het milieu en lieten onze evolutionaire toekomst afhangen van de onderwerping van de natuur. Nu waren er redenen – gekoppeld aan ons vermogen tot overleven – om onze omgeving te doorgronden, rangschikken en veranderen. De energie was er in vroege beschavingen grotendeels op gericht om de wildernis in de natuur te bevechten en die in de menselijke aard te bedwingen.
De mensen gingen zichzelf voor het eerst als verschillend zien van – en beter dan, redeneerden ze vervolgens – de rest van de natuur. Ze zagen zichzelf als heerser over de gemeenschap van het leven, niet als een deel ervan.
De beschaving rukte het levensweb uiteen, omdat de mens zich steeds meer afzonderde van de natuur. Achter omheind grasland, stadsmuren en nog wat later streng bewaakte bungalowparken, werd het lastig om andere levensvormen als verwant te blijven zien of de natuur als heilig. De overgebleven jager-verzamelaars werden ‘wilden’. De beginselen van de levensgemeenschap en het onderlinge respect dat daarbij hoort, waardoor het menselijk eigenbelang met succes was ingetoomd in de omgang met de natuur, gingen net zo snel teloor als de beschaving ‘opbloeide’. De natuur verloor haar betekenis als iets waar de mens toe behoort en werd iets dat men in bezit heeft: een tegenstander, een doelwit, geschikt voor exploitatie.
De oorlog tegen de wildernis die daar het gevolg van was, bleek een verbazingwekkend succes. Vandaag hebben we nog wat restjes over van een wereld die ooit wild was en verdwijnen biologische soorten op grote schaal. De ark is aan het zinken – en wij staan aan het roer.
De mens blijft natuurlijk een wezen der ‘natuur’. Maar hij is ergens onderweg van de speer naar de shuttle uit het biosferische team gestapt en werd zodoende een ‘kosmische buitenstaander’. Het gaat erom dat we niet langer denken en handelen als deel van de natuur. En voor zover we er deel van uitmaken, zijn we een woekering. We groeien zo snel, dat we het milieu als overkoepelend organisme in gevaar brengen. Onze soort is een boze buurman geworden voor de meer dan dertig miljoen biologische soorten waarmee we deze planeet moeten delen. Getalsmatig en via onze techniek brengen we ecologische rampen voort. Wij zijn de ‘ster des doods’ van de huidige tijd geworden, met een gelijk vermogen tot onheil als de komeet die een einde maakte aan de heerschappij van de dinosauriërs.
Het is in wezen geen ‘milieukwestie’. Het is een mensenkwestie. We moeten niet langer de wildernis beteugelen, maar onszelf. We moeten leren inzien, dat de beschaving uit hand loopt.
De vervuiling van de geest is erger dan die uit chemische bron. Het wordt tijd om in te zien dat we niet ‘lekker kunnen leven’ zonder een gezond milieu en dat welvaart die de ecologische tand des tijds niet kan doorstaan slechts schijn is. Groei moet niet langer als vooruitgang worden benoemd. Serieuze milieudeskundigen hebben al begrepen dat we het geheel moeten bezien, niet de losse delen en rechtvaardigheid moeten nastreven op het niveau van overkoepelende ecosystemen. Een nieuwe waardering van de wildernis is daarvoor een prima uitgangspunt.
De omwenteling waardoor sommigen de wildernis gingen beschouwen als iets waardevols, begon waarschijnlijk in de Romantiek. Zo schreef Byron bijvoorbeeld in het vierde canto van zijn gedicht Child Harold’s Pilgrimage: ‘Er schuilt vreugde in het padloos woud, / Er schuilt passie in de lege kust, / Er is onderdak, door geen gestoord, / Bij de zee zo diep, haar luid gebruis: / Ik min de mens niet minder, maar de Natuur zo veel meer…’
Maar dit inzicht groeide uit tot een grotendeels op de mens gericht eerherstel voor de wildernis, als iets dat moet worden gewaardeerd en gered ten gunste van mensen. Recreatieve, spirituele en landschappelijke normen hanteerden allemaal de mens als maat. En dat gold ook voor de eerste pleidooien van de milieubeweging voor de wildernis, die profijt wilde trekken uit biodiversiteit omdat er misschien een middel tegen de kanker in te vinden was. Tegenwoordig worden ecosystemen opgehemeld omdat ze zo ‘waardevol’ zijn voor het milieu en de gezondheid van de mens bevorderen. Dit soort argumenten kunnen bescherming van de natuur soms aan de man brengen in de politieke arena.
Maar de wildernis is helemaal niet voor de mens bedoeld. Het is de plek waar alles leeft wat wild is, met een eigen wil.
Vanuit zo’n op het milieu zelf gerichte optiek, wordt de bescherming van de wildernis een gebaar van bescheidenheid tegenover onze planeet en een uiterst noodzakelijke oefening in zelfbeheersing voor een diersoort die bedwelmd is geraakt door zijn eigen macht. Zo bezien geeft bescherming van de wildernis stem aan de rechten van de natuur.
Wel beschouwd is de wildernis het beste bewijs dat wij niet de enige of zelfs maar de voornaamste leden zijn van het biosferische team. Zij toont levend en wel aan hoe beperkt onze definities van ‘maatschappij’ en ‘moraal’ werkelijk zijn. Onze ware maatschappij valt samen met het leven op deze planeet – een feit dat onze ethische voelhorens tot nu toe hebben weten te negeren.
In bijbelse tijden trokken mensen naar de wildernis om de geboden te ontvangen waarmee ze de maatschappij een nieuwe vorm konden geven. Dat moeten wij nu ook doen. Op dit moment hebben we wanhopig behoefte aan een time-out, om te leren hoe we teamspelers kunnen worden binnen de biosfeer. We moeten leren – of misschien wel opnieuw leren – hoe we verantwoord kunnen leven in een grotere gemeenschap, het ecosysteem. De eerste voorwaarde hiervoor is respect voor de behoefte van onze buren aan een plek om te leven.
We moeten proberen om een ‘ecologisch contract’ op te stellen, dat qua moraal een ruimere cirkel trekt dan de grenzen van het ‘sociale contract’ zoals dat werd voorgesteld door John Locke, filosoof uit de zeventiende eeuw. Aldo Leopold, aartsvader van de natuurbescherming in Amerika, zou hieruit hebben opgemaakt dat we voorrang moesten geven aan wat hij noemde de ‘samenleving op het land’. De opgave nu is de morele visie te verschuiven van natuurlijke rechten naar de rechten van de natuur.
En hier wordt de wildernis van doorslaggevend belang. Want zij biedt ons precies die time-out, een pauze voor de mallemolen van de beschaving. Wilde plekken worden niet gecontroleerd. Hun aanwezigheid herinnert ons eraan hoe ver we van de natuur zijn afgeraakt.
Tenslotte hebben wij de wildernis niet zelf gemaakt. In de wildernis zijn we bloot, ontdaan van een geconstrueerde en aangepaste leefomgeving, open genoeg om onszelf weer eens als grote zoogdieren te zien, niet afhankelijk van ons technisch vernuft maar van de gezondheid van de ecologische gemeenschap waartoe we behoren. Thoreau schreef in een tijdperk voor de milieubeweging ontstond, maar had een groter gelijk dan hij kon beseffen, toen hij sprak over het belang van wildheid voor het voortbestaan van de wereld.
De nadrukkelijke aanwezigheid van de wildernis herinnert ons eraan, dat we bij binnenkomst de verblijfplaats van iemand anders betreden. Denk aan de vermaningen van je ouders: laat zien dat je manieren hebt en toon respect. Stelen is slecht (maar denk eens aan de verhoudingen tussen mens en natuur van de laatste paar duizend jaar). De wilde plekken verdienen geen respect vanwege wat ze voor ons kunnen betekenen, maar vanwege onze reisgenoten binnen de evolutie.
Het concept van de wildernis is net zo belangrijk. Het laat ons het belang voelen van een veelomvattende milieugerichte ethiek. Het feit dat de wildernis natuur is, die we niet bezitten of kunnen gebruiken, doet ons openstaan voor een besef van haar waarde op zichzelf. Wilde plekken kunnen we per definitie niet beheersen of in onze macht krijgen en dus laten ze zien hoe belangrijk het is om te delen – wat uiteindelijk de basis was van het besef van eerlijkheid dat we nooit zo goed hebben gesnapt op de kleuterschool. Een diersoort, die door technisch vernuft de schrik van het schoolplein is geworden, heeft een schreeuwende behoefte aan de ethische scholing die de wildernis ons kan bieden.
Ethiek is een stelsel van goed en kwaad, dat de vrijheid beperkingen oplegt zodat de gemeenschap kan blijven voortbestaan. Het is simpel om de ecogerichte ethiek die ik voorstel op te vatten als ‘tegen’ de belangen van de mens en diens vrijheid. Maar de meeste fundamentele belangen van de mens zijn onlosmakelijk verbonden met die van het grotere ecologische geheel.
Vanuit dit perspectief kan minder – wat betreft de invloed van de mens op de Aarde –heel goed meer zijn. Groei is een mooi ding dat te ver is doorgedreven. We jagen ons ecologische kapitaal erdoorheen alsof we alleen voor vandaag leven en maken milieutechnisch grote schulden. De afbetaling zal, volgens sommigen, al in de redelijk nabije toekomst plaatshebben. Ons eigenbelang is daarmee zeer zeker gemoeid. Als we die ark laten zinken, gaan wij ook naar de bodem.
Respect voor de wildernis getuigt daarom zowel van rentmeesterschap als van een hoog ethisch bewustzijn. De toepasbare en intrinsiek waardevolle aspecten ervan snijden elkaar in het verre perspectief van de evolutionaire biologie. Het inzicht groeit al onder evolutionaire biologen dat soorten zich gezamenlijk ontwikkelen – binnen een gemeenschap.
Met ons respect voor de wildernis geven we bepaalde economische voordelen op. Er komt een einde aan houtkap, het boerenbedrijf en mijnbouw. Wegen en gebouwen moeten buiten blijven. We perken onze mogelijkheden voor recreatie in: bijvoorbeeld door een grens aan het gebruik van gemotoriseerd vervoer. Juist het vermogen tot ‘recreatie’ is als drijfveer voor het behoud van wilde grond nog maar net aan het ontluiken. De ochtendzon lacht nu naar nieuwe morele en ecologische argumenten.
De wildernis is de beste plek om de grenzen die het milieu ons stelt, te leren begrijpen en tot uitdrukking te laten komen. De waarde ervan als morele krachtbron wordt absoluut niet verminderd als wij er helemaal geen voet meer in zetten. Wildernis die is afgezonderd en correct wordt beheerd en gewaardeerd, kan ons de inspiratie bieden om elders verantwoord en duurzaam te leven. Wildheid houdt de belofte in van biologisch en ethisch herstel.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.