|
|
Manjira heeft geluk gehad
Hoe een Bengaalse vrouw de pijn van armoede overwon.
Het pad naar het huis van Manjira liep tussen mangobossen en rijstvelden door. De filiaalmanager van Grameen Bank kwam op de fiets de boodschap brengen: zijn bank had de Koning Boudewijn-Prijs voor Internationale Ontwikkeling gekregen. Die zou in Brussel worden uitgereikt, met de cheque van vier miljoen Belgische franc.
Oprichter en directeur Muhammad Yunus wilde niet alleen komen. Omdat de prijs niet aan hem persoonlijk, maar aan de bank was toegekend, vond hij niet meer dan logisch datn van de bestuursleden met hem mee zou gaan. ‘De prijs is toegekend aan Grameen Bank en Grameen Bank is nu eenmaal van de vrouwen van het dorp.’ Hij had het bestuur gevraagd wie er iets voor voelde een bezoek te brengen aan het paleis van de koning van België om namens alle geldleners de prijs in ontvangst te nemen. Enkele dorpelingen zeiden dat ze niet een volle week van huis weg konden, sommigen waren bang om te vliegen en iedereen schrok ervoor terug met de koning en koningin van België te moeten dineren. Er werd uiteindelijk gestemd en Manjira Khatun, de vertegenwoordigster van het district Rajshahi, werd uitgekozen.
En nu zat de filiaalmanager op de veranda van Manjira’s huis. ‘Weet je zeker dat je naar België kunt?’
‘Ja’, antwoordde Manjira.
‘Je weet toch dat je daar misschien geen rijst krijgt?’
‘Ja, dat weet ik.’
‘Het is koud in België’, waarschuwde hij nog.
‘Dat heb ik gehoord’, zei ze.
Nog in de bus naar het vliegveld van de hoofdstad Dhaka begon Manjira zich zorgen te maken. ‘Ik had geen idee hoe ik me in aanwezigheid van de koning moest gedragen’, vertelt Manjira. Als de koning naar haar leven en haar band met Grameen Bank zou vragen, moest ze helder en duidelijk kunnen antwoorden. Daarom zat ze uren na te denken over haar leven.
Manjira kwam uit een gezin met twaalf kinderen. Haar vader, vroeger een betrekkelijk rijke boer, was wegens juridische geschillen gedwongen het grootste deel van zijn land te verkopen. Op haar zeventiende ging Manjira trouwen met een man die een juridische opleiding volgde. Ze werkte om de opleiding van haar man te helpen betalen. Ze kregen twee zonen. Jaren gingen voorbij. Toen ze zwanger was van hun derde kind raakte haar man zijn baan kwijt. Boos en beschaamd stuurde hij haar terug naar het huis van haar vader. Kort daarna hoorde Manjira van een buurvrouw dat hij was hertrouwd. Toen ze hem daarnaar vroeg, ontkende hij. Na de geboorte van het kind ging ze naar het huis waar hij met zijn nieuwe vrouw woonde om hem te vertellen, dat hij nog een zoon had gekregen. Hij stond erop dat de kinderen bij hem bleven, dus bleef Manjira ook.
Vanaf dat moment begon haar man haar genadeloos te slaan. Na maanden smeekte een vriendin Manjira om weg te gaan. ‘Alles is beter dan bij zo’n woesteling wonen, desnoods ga je maar bedelen’, zei ze. Manjira keerde met haar pasgeboren zoontje terug naar het huis van haar vader. Daar waren ze niet welkom. Ze werden als paria’s behandeld. Haar zoon mocht pas eten als alle andere kinderen klaar waren.
Na enkele jaren kreeg haar zevenjarige zoon op een ochtend – een zaterdagochtend, Manjira weet het nog goed – een zware aanval van diarree. De volgende dag was hij dood. Manjira was kapot van verdriet en stopte met werken bij de andere dorpelingen. Drie maanden lang at ze amper genoeg om in leven te blijven. ‘Ik kon niets. Ik wachtte op mijn eigen dood’, vertelt ze. Maar op een dag pakte haar broer haar bij de arm en schreeuwde: ‘Je zoon is dood, maar jíj leeft nog. Je móet voor jezelf zorgen.’
Manjira werd de hulp van een kleermaker en verdiende vijf tot zeven taka per dag. Toen Grameen Bank in haar dorp een centrum opende, wilde Manjira aanvankelijk niet meedoen. Ze wilde zich niet in de schulden steken, maar haar vader spoorde haar aan. Van haar eerste lening van tweeduizend taka kocht ze een naaimachine. Al snel verwierf ze faam met haar naaiwerk. In de vier jaar daarna steeg haar inkomen van 50 tot meer dan 250 taka per week. Ten slotte moest ze iemand aannemen om aan de vraag te kunnen voldoen. In het vierde jaar vroeg en kreeg ze een hypotheek van twintigduizend taka om een huis van steen en zink te bouwen. Ze werd door de bank gekozen als vertegenwoordigster van haar dorpscentrum. En daarna als vertegenwoordigster van de meer dan honderdduizend leners in het district Rajshahi.
Toen de bus Dhaka naderde, vroeg Manjira zich af of ze de koning haar droevigste herinnering zou vertellen: de herinnering aan die dag – vijf jaar geleden – dat haar zoon een ijsje had gevraagd. ‘Een ijsje kostte maar één taka, maar zelfs dat kon ik niet missen’, zei ze. ‘De volgende dag werd hij ziek en stierf hij.’
In Dhaka wachtte Yunus haar al op. Samen gingen ze een trui, een das, schoenen en sokken kopen. Manjira had nog nooit andere schoenen dan sandalen gedragen. Dit waren schoenen met hakjes en ze moest oefenen om erop te lopen. In het vliegtuig deed Yunus haar voor hoe ze met mes en vork moest eten en legde hij haar uit hoe het toilet in het vliegtuig werkte. Voor de landing vroeg Manjira: ‘Hoe moet ik de koning begroeten?’
‘Je neemt zijn hand netjes in jouw handen’, legde Yunus uit, ‘en wenst hem alle goeds.’
Het vliegtuig kwam ’s ochtends vroeg in Brussel aan. De koning had een auto gestuurd om hen op te halen en naar het Hilton te brengen, waar ze elk een suite hadden op de tweeëntwintigste verdieping. ‘Er stonden vijf telefoons op mijn kamer,’ weet Manjira nog. ‘Zelfs een telefoon in de badkamer. Ik was nog nooit in mijn leven opgebeld. En in de kamer was één muur van glas. Als ik naar buiten keek, kon ik de hele stad zien. Brussel is heel schoon. Nergens lag modder.’
De eerste dagen in Brussel werden volledig in beslaggenomen door bezoeken. Op iedere vraag over Grameen Bank antwoordde Yunus: ‘Ach, wat zal ik zeggen. De vrouwen lenen geld en ze betalen het terug. Vraag het maar aan haar.’ Op de universiteit vertelde ze voor een zaal vol studenten over haar problemen met haar echtgenoot, de dood van haar zoon en de acht jaar dat ze op één maaltijd per dag moest teren. ‘God heeft me handen, benen en ogen gegeven’, hield ze de studenten voor. ‘Waarom kon ik dan een paar jaar geleden niets verdienen? Geen cent. Ik kon mijn zoon niet eens een ijsje van één taka geven. Dat kon allemaal niet, omdat ik geen geld had.’
De dag van de ontmoeting met de koning en koningin brak aan. Toen Manjira het paleis binnenging, zag ze zichzelf weerspiegeld in de marmeren vloer. Er waren veel mannen in de zaal. Niemand droeg een kroon. Zo te zien ging alle aandacht uit naar één man in een donker pak. Navraag bij Yunus leerde Manjira, dat dit de koning was.
Toen koning Boudewijn haar begroette, nam ze zijn hand in de hare. ‘U heeft een lange weg afgelegd’, zei hij. Hij vroeg of Manjira blij was in zijn paleis te zijn. Yunus trad op als vertaler.
‘Ik ben blij namens anderhalf miljoen leden van Grameen Bank de eer te hebben om hier te zijn’, antwoordde ze. ‘Heel Bangladesh is trots. Ik wil u en uw koningin en uw regering bedanken.’ En ze voegde eraan toe: ‘U moet een gelukkig mens zijn om in zo’n paleis te wonen.’
‘Ik weet dat u veel heeft geleden, Manjira’, antwoordde de koning. ‘De armen lijden. Maar ook de koning van België heeft het wel eens moeilijk.’
De koningin begroette Manjira met een kus en Manjira gaf een kus terug.
De receptie werd door driehonderd gasten bezocht. ‘We moesten door drie grote zalen lopen en in elke zaal moest ik íedereen een hand geven.’
Tijdens het diner zat Manjira naast de ambassadeur van Bangladesh. Yunus weet het nog: ‘Manjira at bijna niets. Iedereen vroeg waarom ze niets at. Manjira antwoordde steeds dat ze geen honger had.’ Ze was bang dat ze te veel zou morsen bij het eten. Als iemand haar een vraag stelde, trad de ambassadeur op als tolk. ‘Daar zaten ze dan aan tafel: de ambassadeur en zij, de belangrijkste spreekster. En het ging haar zo gemakkelijk af.’
‘De koning was nog nooit in de gelegenheid geweest om met een vrouw uit een ver dorp in Bangladesh te praten’, weet Yunus. ‘Iemand die heel arm was en haar zoon nog niet één taka kon geven om een ijsje te kopen voor hij stierf. Toen ze hem dat vertelde, was hij diep ontroerd.’
Voordat ze naar Bangladesh terugkeerden, bracht het drietal een bezoek aan Amsterdam, het strand en de tulpenvelden. Van de koning had Manjira een fotoboek en zakgeld gekregen. Ik vroeg of ze nog souvenirs had gekocht in België. ‘Als ik het me kon veroorloven om in België dingen te kopen,’ antwoordde ze, ‘zou ik dan nog lid zijn van Grameen Bank?’
Bij haar terugkomst in Dhaka werd Manjira met vragen bestormd door journalisten en de medewerkers van de bank. ‘Ik had niet eens tijd om te eten. Het was net als of ik van de haj terugkwam.’ In haar dorp was de belangstelling nog groter. ‘Drie dagen lang moest ik de hele dag mijn verhalen vertellen.’ Buren en zelfs de plaatselijke elite verdrongen zich op haar veranda en nodigden haar bij hen thuis uit. Ze wilden weten hoe je wist wat je moest zeggen en hoe je je moest gedragen bij een koning en koningin. ‘Ik vraag me zelf ook wel eens af waar ik mijn woorden vandaan haalde’, antwoordde ze. ‘Ik weet niet waar ze vandaan komen.’
Eén dorpeling stelde de onvermijdelijke vraag waarom zij, Manjira, uit álle leden van Grameen Bank in Bangladesh was uitverkoren om de koning van België te ontmoeten. Zij is toch niet de enige die lid is van de bank en leningen heeft gekregen en hard heeft gewerkt? ‘Daar kan ik maar één ding op zeggen,’ antwoordde ze. ‘Ik denk dat ik gewoon geluk heb gehad.’
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.