|
|
Hoe 50 euro de wereld verandert
Te midden van het falen van ontwikkelingshulp en miljardenleningen ontpopt microkrediet zich als het succesverhaal in de strijd tegen armoede. Kleine leningen -van soms maar honderd euro - kunnen het leven van een arm gezin ingrijpend verbeteren. Jurriaan Kamp reisde deze zomer door Kenia, Oeganda, Bolivia, India en Sri Lanka. Hij sprak er met de mensen die microkredieten verstrekken en zij die het ontvangen.
In de zaal van het hotel in San Francisco zitten zeker duizend mensen aan een diner. Witte tafellakens, immense kroonluchters, gesteven obers. Alles ademt de sfeer van grandeur. Aan tafel zitten de deelnemers aan het State of the World Forum, een jaarlijks congres waar de gevestigde orde mensen met vernieuwende ideeën ontmoet. Op een verhoging staat de spreker. Hij buigt lichtjes, bescheiden, met de handen gevouwen voor zijn borst – de typische groet van een Bengaal of een Indiër. Glanzende ogen in het publiek. Hier en daar loopt een traan over een wang. Het applaus houdt al minutenlang aan. Het is een ontlading. Een zaal vol mensen die hunkeren naar vooruitgang in de wereld, heeft een verhaal aangehoord over een initiatief dat de armoede daadwerkelijk verdrijft. Geen betoog met een inspirerend idee, maar een verslag van de werkelijkheid. De spreker is Muhammad Yunus uit Bangladesh. En het verhaal, dat hij vertelde – en nog steeds vertelt – gaat ongeveer zo.
Muhammad Yunus doceerde economie aan een Amerikaanse universiteit, toen Bangladesh zich in 1971 na een bloedige oorlog afscheidde van Pakistan. Yunus besloot terug te keren om zijn bijdrage te leveren aan de wederopbouw van zijn geboorteland. Hij werd hoofd van de economische faculteit van Chittagong, de tweede stad van het land. In Chittagong was hij in 1974 getuige van het tweede drama dat Bangladesh in korte tijd trof: een hongersnood. Yunus: ‘Met mijn proefschrift op zak, doceerde ik elegante economische theorieën over ontwikkeling. Buiten op straat zág je de mensen sterven. Dat kon ik niet aanzien. Alles wat ik had geleerd, leek van geen enkele betekenis voor die stervende mensen. Ik besloot me erin te verdiepen wat hen wél zou helpen.’
In een dorp, vlakbij de universiteit, zag hij een vrouw bamboekrukjes vlechten. Het waren prachtige krukjes met veel vaardigheid gemaakt. Yunus wilde weten hoe de vrouw in haar levensonderhoud voorzag. Het bleek dat zij per dag ongeveer vijftig paisa (destijds twee eurocent) verdiende. Ze was te arm om zelf bamboe te kunnen inkopen om krukjes te vlechten. Daarom leende zij het bamboe van de bamboehandelaar die – in ruil – eiste dat zij haar krukjes alleen aan hem zou verkopen voor een door hem te bepalen prijs. Een verstikkend contract waaraan geen ontsnappen mogelijk was voor de arme vrouw. Ofschoon de kosten voor het inkopen van bamboe maar vijf taka (22 eurocent) bedroegen: 22 eurocent was genoeg om deze vrouw te bevrijden.
Met een student besloot Yunus te onderzoeken of er meer mensen waren die een dergelijke hoeveelheid geld nodig hadden voor hun bedrijfjes. Na een paar dagen hadden zij 42 mensen gevonden die samen 856 taka (27 euro) nodig hadden. Yunus: ‘Het was de grootste schok van mijn leven. Ik schaamde me diep, dat ik tot een samenleving behoorde die niet in staat was om 42 hardwerkende mensen de beschikking te geven over 27 euro.’
Yunus besloot uit eigen zak 42 leningen te geven. De verbaasde mensen kregen het geld dat ze nodig hadden met de opmerking dat ze het terug konden betalen zodra ze daartoe in staat waren. Intussen ging Yunus naar de lokale vestiging van een bank en hij stelde de manager voor, dat hij leningen zou gaan verschaffen aan de arme mensen, die hij in het dorp had ontmoet. De manager viel van zijn stoel: ‘Je bent gek. Dat is onmogelijk. Hoe kan je nu geld lenen aan arme mensen? Ze beschikken niet over een onderpand. Ze zijn niet kredietwaardig.’
Overal ontmoette Yunus dezelfde combinatie van onwil en ongeloof. Uiteindelijk was een bank bereid de kredieten te verschaffen, mits Yunus zichzelf borg stelde – maar niet nadat de bank hem diverse keren had gewaarschuwd, dat hij zijn geld kwijt zou zijn. Maar de verrassing was dat de mensen die de leningen ontvingen na enige tijd elke taka terugbetaalden. Yunus ging enthousiast terug naar de bank: ‘Zie je wel, het is geen probleem.’ De bankiers zeiden argwanend: ‘Ze houden je voor de gek, als je ze meer geld leent, betalen ze nooit meer terug.’ En Yunus leende meer geld en de arme ondernemers betaalden ook dat terug.
Toen zeiden de bankiers: het werkt alleen in dat dorp. En Yunus ging naar een ander dorp. Daar werkte het ook. De bankiers zeiden: maar in vijf dorpen werkt het niet. Dat deed het wel. In tien ook. En in twintig, vijftig, honderd. Maar de bankiers bleven weigeren zelfstandig – zonder Yunus als borg – krediet aan de armen te gaan verstrekken.
Op een ochtend wist Yunus het: ik begin een eigen bank. Een Grameen (dorps) Bank. Dat was 1976. Meer dan 25 jaar later is de bank het eigendom van zijn 2,4 miljoen arme kredietnemers – van wie 95 procent vrouw is. In die 25 jaar heeft Grameen Bank in totaal voor meer dan 3,5 miljard euro aan minuscule microkredieten – van gemiddeld 150 euro. En waar gewone banken verwachten dat hun klanten naar hen toekomen, gaan de 12 duizend medewerkers van Grameen Bank – lopend, fietsend, met de bus – naar hun klanten toe om hen te leren kennen in de omgeving van hun eigen bedrijfje.
De Grameen Bank verleent kredieten voor zaden waardoor Bengaalse boeren meer profijt van hun oogst krijgen, omdat zij worden bevrijd van knellende banden met zadenhandelaren en woekeraars die absurde rentetarieven eisen. Ze krijgen kredieten voor de aanschaf van dieren, zoals koeien die melk – en dus extra inkomen – opleveren. Leners die een of twee keer per dag aten, genieten nu van drie maaltijden per dag. Ze hebben meer dan één paar kleren. En sommigen hebben met kredieten huizen gebouwd met golfplaten daken en stenen muren – paleizen waarvan ze niet hadden durven dromen, dat ze er ooit in zouden leven.
Maar er is meer. Grameen Bank was het begin van een wereldwijde microkredietrevolutie. Van de Filippijnen tot Sri Lanka, van Malawi tot Uganda en van Bolivia tot Honduras heeft microkrediet zich verspreid in meer dan zestig landen in alle uithoeken van de Derde Wereld. En overal blijken arme leners hun kredieten keurig af te lossen. Gemiddeld ligt het aflossingspercentage boven de 95 procent, terwijl banken in ontwikkelingslanden gewend zijn tot de helft van hun kredieten te moeten afboeken. Tot trots van Yunus bleek microkrediet zelfs een effectief middel om vooruitgang te bewerkstelligen in achterstandswijken in Amerikaanse steden: de eerste overdracht van ‘technologie’ vanuit de Derde Wereld!
Volgens de Microcredit Summit Campaign – een internationale organisatie die ook door Yunus is gestart – zijn wereldwijd 1567 instellingen actief die microkrediet verschaffen aan 30 miljoen gezinnen in zo’n zestig landen. Het doel is om in 2005 100 miljoen van de armste gezinnen in de wereld te hebben bereikt. Want – in de visie van Muhammad Yunus – is krediet een mensenrecht dat een plaats in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens verdient.
In de voetsporen van Yunus en de Grameen Bank werd microkredietverschaffing eerst opgepakt door non-gouvernementele organisaties (NGO’s) die werden gedreven door liefdadigheid. Met kleine programma’s werden kleine groepen bereikt. Nu microkrediet zich heeft bewezen en klaar is om miljoenen te bereiken, vraagt de volgende stap om professionaliteit. Liefdadigheid en afhankelijkheid maken plaats voor wederzijds respect en klantgerichtheid.
Microfinancieringsinstellingen willen winstgevend zijn, omdat zij dan zelfstandig – zonder afhankelijkheid van donorgeld – kunnen functioneren. Voor verliesgevende bedrijven zijn immers niet eenvoudig aandeelhouders te vinden en de commerciële sector zal aan zulke ondernemingen geen leningen verstrekken. De meeste microfinancieringsinstellingen streven naar een ‘concurrerend rendement’. Dat betekent doorgaans een percentage dat vergelijkbaar is met de rente op staatsobligaties: de microfinancieringssector offert het primaire doel van armoedebestrijding niet op aan een winststreven dat concurreert met de rendementen die worden behaald op de effectenbeurs. Dat perspectief trekt niet elke aandeelhouder aan, maar er zijn vooralsnog voldoende marktpartijen bereid om met een wat lager rendement genoegen te nemen als daarmee wordt bijgedragen aan de bestrijding van de armoede in ontwikkelingslanden.
Pilar Ramirez, mede-oprichter en directeur van de Boliviaanse microfinancieringsinstelling FIE zegt: ‘Wij willen onze sociale missie behouden. Daarom zijn wij zorgvuldig geweest met de selectie van onze aandeelhouders. Zij moeten bereid zijn een lager rendement te accepteren. Het is ook winst als je effectief de armoede bestrijdt.’
Het lijkt een paradox: winstgerichte instellingen die de armoede bestrijden. Een studie uit 2000 van Cashpor, het netwerk voor financiële dienstverlening aan de ‘echte armen’, toont aan, dat het streven naar armoedebestrijding van microfinancieringsinstellingen niet negatief wordt beïnvloed door hun winstdoelstelling: ‘Alleen met een winstgerichte strategie en financiële zelfstandigheid kunnen echte grote aantallen worden bereikt.’ Schaal blijkt daarbij belangrijker dan een exclusieve focus op de allerarmsten. Groot bereik van microkrediet komt uiteindelijk altijd ten goede aan de allerarmsten, bijvoorbeeld in de vorm van werkgelegenheid – ook al gaat dat soms ook indirect via leningen aan minder arme ondernemers.
De zakelijke, financiële benadering is thans duidelijk toonaangevend in de microfinancieringssector. Zelfvoorziening en onafhankelijkheid zijn bereikbare doelen geworden, omdat de armen ook spaarders zijn gebleken. En de aantrekkelijkste weg naar zelfstandigheid voor een instelling loopt via spaarders: het is goedkoper om kredietverlening met spaargeld te financieren dan met commerciële leningen van banken. Het aanbieden van sparen voorziet bovendien in een grote behoefte van de armen. Sparen wordt wel ‘de vergeten helft’ van microfinanciering genoemd. De armen hebben altijd gespaard voor noodgevallen en investeringen, maar bij gebrek aan banken met loketten en spaarrekeningen spaarden zij in vee, grond, sieraden, goud of in een oude sok. Maar zulk ‘spaargeld’ heb je niet simpel bij de hand. Op vele plaatsen is gebleken dat armen massaal spaargeld binnenbrengen, zodra er instellingen zijn die dat kunnen beheren.
De 27 euro van Muhammad Yunus voor 42 Bengaalse armen was het begin van microkrediet. Dertig jaar later is microkrediet microfinanciering – gedragen door de armen zelf zonder afhankelijkheid van donorgeld – geworden. Dat is de winst van armoedebestrijding.
Een direct verband tussen microkrediet en inkomensstijging van de ontvanger is overigens moeilijk te leggen. Vaak blijkt de vooruitgang slechts in de toename van het aantal bezittingen of de waarde ervan. De Wereldbank onderzocht uitvoerig het effect van de microkredietverlening van Grameen Bank in Bangladesh. De hoopgevende conclusie luidde dat – dankzij Grameen Bank – elke maand 10.000 Bengaalse gezinnen over de armoedegrens stappen. Die conclusie wordt niet op inkomenscijfers gebaseerd, maar op het feit dat Grameenleners er beter aan toe zijn dan andere Bengaalse gezinnen op het gebied van voeding, kindersterfte, sanitaire voorzieningen, het gebruik van voorbehoedsmiddelen en de beschikbaarheid van veilig drinkwater.
Een andere studie van Cashpor, uit 2001 naar de kredietverlening van Share in India stelde vast, dat drie van de vier klanten van deze microfinancieringsinstelling ‘een betekenisvolle vermindering van hun armoede ervaren’. Cashpor noemde veruit het grootste deel van de klanten ‘zeer arm’ aan het begin van het onderzoek en deelde na afloop slechts zeven procent van de klanten in die categorie in. Directeur Udaia Kumar van Share zegt: ‘Microkrediet is een van de krachtigste instrumenten voor armoedebestrijding. Wij slagen erin de armen naar een niveau te krijgen waar de gewone banken het kunnen overnemen. Al vijf procent van onze leners is klant van een bank geworden en leent nu meer dan 50.000 roepies (1000 euro).’
Voor de beoordeling van het effect van microkrediet is Bolivia – een van de armste landen ter wereld – buitengewoon interessant. Nergens heeft microfinanciering dieper in de samenleving gereikt. In de Boliviaanse steden is het bereik zelfs perfect. Alle stedelijke armen, die krediet wilden hebben voor hun microbedrijfje, hebben dat sinds 1985 kunnen krijgen van een van de vele microfinancieringsinstellingen, die in het land actief zijn.
Een obstakel bij het bepalen van het effect van microkrediet is de voorname rol van de informele sector in de economie van een ontwikkelingsland. Miljoenen armen maken allerlei producten, handelen erin, of verlenen diensten. Die microbedrijfjes voorzien in het werk en inkomen van de meerderheid van de bevolking, maar ze hebben geen boekhouding. Daardoor tellen ze niet mee in de gangbare economie. Als een microbedrijfje groeit en meer personeel in dienst neemt, merk je daar niets van in de werkgelegenheidsstatistieken. De ontwikkeling van het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking – de graadmeter van economen – is daarom niet interessant.
Franz Gómez Soto van de Superintendencia de Bancos y Entidades Financieras, de instelling die toezicht houdt op het bankwezen en de financiële instellingen, spreekt niettemin overtuigd van een ‘zeker succes’. De klandizie van de microfinancieringsinstellingen toont dat aan, zegt hij. De tien gewone banken van Bolivia hebben thans gezamenlijk 160 duizend klanten. Acht microfinancieringsinstellingen, die nog geen twintig jaar actief zijn, hebben samen 175 duizend klanten. Bovendien is het percentage achterstallige betalingen van de microfinancieringsinstellingen véél lager. Gomez wijst ook op officiële cijfers, die aangeven dat de armoede in Bolivia in de afgelopen tien jaar is verminderd. Toen leefden meer dan zeven op de tien Bolivianen onder de armoedegrens. Thans nog zes. Maar over de definitie van armoedegrenzen zijn lange discussies te voeren.
Econoom Paul Mosley schrijft in een bijlage van het World Development Report 2000 over Bolivia: ‘Microkrediet draagt substantieel bij aan de vermindering van de armoede’. En: ‘De kosten van armoedebestrijding via microkrediet zijn lager dan door middel van andere sociale uitgaven.’
Ramirez van FIE zoekt het bewijs van het succes niet in cijfers. ‘Onze klanten zijn veranderd. Ik zie dat hun kinderen naar scholen gaan waar zij vroeger niet naartoe gingen. Dat ze bezittingen hebben, zoals een naaimachine of een transportbusje. Dat ze een nieuwe kamer aan hun huis hebben gebouwd. Dat hun levensomstandigheden en hun gezondheid zijn verbeterd. Dat ze zich beter kleden. Dat ze meer zijn gaan sparen. Dat ze meer zelfrespect hebben. En dat ze tegenwoordig veel meer inzicht hebben in financiële zaken. In 1985 zeiden we nog: “We gaan krediet verstrekken aan mensen die daar geen toegang toe hebben.” Dat kunnen we niet meer zeggen: iedereen in de steden in Bolivia kan vandaag krediet krijgen.’
Het voorbeeld heeft navolging gekregen van gevestigde banken. In Bolivia maken banken reclame op de televisie waarin zij hun diensten aan de laagste inkomensgroepen aanbieden. Ook in Kenia en India zijn gevestigde banken dergelijke dienstverlening aan de armsten begonnen. Die invasie van de commerciële banken zal de verspreiding van microkrediet enorm versnellen. Dat neemt niet weg, dat de strijd tegen de armoede zijn tijd nodig heeft. Maar meer succes dan met de kleinschalige aanpak van microkrediet en verwant beleid, is er zelden geboekt.
Gonzalo Sanchéz de Lozada, de vroegere president van Bolivia die onlangs voor een nieuwe termijn werd herkozen, zei het zo: ‘Mensen kunnen betere beslissingen nemen over het investeren van hun geld dan de staat dat voor hen kan doen. Je kunt veel meer doen aan de armoede, als je mensen de macht geeft om te besluiten hoe ze hun geld willen uitgeven. Je moet de armen behandelen als de makers van hun eigen economische ontwikkeling. Het is verwaand om te zeggen dat microkrediet slechts een pleister op de wond is. Met zulke visies moet je voorzichtig zijn. De onderstromen van de economische activiteit zijn veel krachtiger dan je aan de oppervlakte kan zien. Je moet niet onderschatten wat mensen kunnen doen met hun middelen. We beseffen nu pas dat het de mensen zijn die een land rijk maken.’
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.