|
|
Handel in troebel water
Water is een eerste levensbehoefte. Privatisering leidt tot hogere rekeningen voor arme mensen, signaleert Maude Barlow. Vooral in ontwikkelingslanden zijn de gevolgen desastreus.
Op een vroege ochtend in april 2000 stapte een kleine, tenger gebouwde man uit Bolivia in het vliegtuig. Het was Oscar Olivera, een monteur uit Cochabamba. Voor het eerst in zijn leven verliet hij zijn geboorteland. Hij vloog naar Washington. Daar wilde hij James Wolfensohn, directeur van de Wereldbank, een boodschap namens zijn volk over brengen. Twee jaar eerder weigerde de Wereldbank garant te staan voor een lening van 25 miljoen dollar aan de Boliviaanse regering om de watervoorziening in Cochabamba te financieren. Onder één voorwaarde zou ze het geld toch beschikbaar maken: als de lokale overheid deze overheidsvoorziening verkocht aan de private sector. De kosten zouden voortaan moeten worden doorberekend aan de consumenten. En zo droegen de Boliviaanse autoriteiten het beheer van de waterdistributie in Cochabamba over aan Aguas del Tunari, een nieuwe dochtermaatschappij van de Amerikaanse bouwgigant en waterleverancier Bechtel. Vervolgens gaf de Wereldbank private licensiehouders het monopolie, eiste een kostendekkende exploitatie van de watervoorziening, koppelde de kostprijs van water aan de Amerikaanse dollar en deelde de Boliviaanse regering mee, dat het geleende geld niet gebruikt mocht worden om de watervoorziening voor de armen te subsidiëren.
In januari 2000 zagen de mensen in Cochabamba, dat de kosten van het waterverbruik met bijna 35 procent omhoog schoten. Met tienduizenden tegelijk gingen ze de straat op en sloten hun stad voor vier dagen van de buitenwereld af met een serie stakingen en blokkades. Het protest werd georganiseerd door de Coordiadora de Defense de Agua y la Vida (een organisatie die zich inzet voor de bescherming van water en leven) en geleid door Oscar Olivera. Uit een opiniepeiling bleek dat negentig procent van de inwoners van Cochabamba wilde dat de dochtermaatschappij van Bechtel het beheer van de watervoorziening weer zou overdragen aan de lokale overheid. Na een week van steeds verder escalerend geweld kondigde de Boliviaanse president Hugo Banzer de noodtoestand af. Uiteindelijk zegde hij toe dat de overheid het contract met Bechtel zou openbreken. Maar dat gebeurde pas nadat een 17-jarige jongen was doodgeschoten tijdens het straatprotest.
Dat was het moment dat stakingsleider Oscar Olivera besloot naar Washington af te reizen. 'Ik wil señor Wolfensohn graag duidelijk maken dat privatisering een rechtstreekse bedreiging is voor de arme mensen in Bolivia', legde hij uit. 'Gezinnen met een maandinkomen van ongeveer honderd dollar zien hun waterrekening stijgen tot twintig dollar per maand. Dat is meer dan wat zij kunnen uitgeven aan eten. Ik wil señor Wolfensohn graag uitnodigen om naar Cochabamba te komen en een werkelijkheid te zien die hij vanuit zijn kantoor in Washington blijkbaar niet kan zien.'
Toen Olivera in Washington landde, trof hij daar een verrassend gemoedelijke sfeer aan. Tienduizenden mensen vanuit de hele Verenigde Staten en vertegenwoordigers van sociale bewegingen uit de hele wereld, waren samengekomen in de straten van de nationale hoofdstad. Ze kwamen daar om te protesteren tegen het beleid en de financieringsvoorwaarden van de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Sinds begin jaren tachtig legden deze twee instituten allerlei verplichtingen op aan derdewereldlanden als voorwaarde voor het opnieuw verlenen van financiële steun en betaling van hun internationale schulden. Regeringen van de deze landen werden daardoor gedwongen ingrijpende maatregelen te nemen, variërend van het verkopen van publieke ondernemingen tot het aangaan van leningen om internationale schulden terug te betalen. Om die betalingen te kunnen doen, moest massaal bezuinigd worden op de publieke gezondheidszorg, het onderwijs en sociale voorzieningen. Deze structurele veranderingen hebben de afgelopen vijftien jaar op hun beurt weer een desastreuze invloed gehad op de leefomstandigheden van de voor het merendeel zeer arme bevolking in deze landen. In de afgelopen jaren was een van de voorwaarden voor het vernieuwen van een lening van de Wereldbank en het IMF het privatiseren van de openbare watervoorziening en rioleringssystemen van het land.
De grote, mondiale leveranciers van water hebben er alles aan gedaan om een primaire levensbehoefte als water te veranderen in een product dat met winst verkocht moet worden. De fundamentele tegenstrijdigheid die ten grondslag ligt aan het commercialiseren van water werd het treffendst onder woorden gebracht door - nota bene - een topman van de watergigant Suez. 'Water is een bijzonder nuttig product', aldus Gerard Mestrallet. 'Het zou normaal gesproken gratis zijn, maar het is ons werk het te verkopen. Het is een eerste levensbehoefte.'
Een van de belangrijkste facetten van de zogenaamde 'Washington Consensus' is het overnemen van publieke instellingen door de private sector. Het is het belangrijkste instrument geworden voor het omvormen van water tot een product. Overheidstaken, zoals het leveren van water aan iedereen, worden overgenomen door bedrijven die vaak in handen zijn van buitenlandse eigenaren en als enig doel hebben: het maken van winst. Tijdens zo'n privatiseringsproces wordt een levensbehoefte als water gereduceerd tot een product met een prijskaartje. Het wordt op de markt gebracht en verkocht aan de mensen die het kunnen betalen.
Het overgaan van publieke naar private systemen vraagt natuurlijk een heel andere, meer commerciële benadering van het distribueren van water. Hoewel beweerd wordt dat er uitsluitend kostendekkend gewerkt wordt, houdt het ook in, dat er een bepaalde winstmarge in de tarieven zit. De eigenaren en aandeelhouders van deze private ondernemingen willen tenslotte allemaal winst maken en dividenden uitgekeerd krijgen. Het behalen van een maximale winst is dus het primaire doel, en niet een duurzame watervoorziening op lange termijn, of de zorg dat water voor iedereen toegankelijk is en blijft. Het beheren van waterbronnen is derhalve gebaseerd op de marktwerking van een toenemende consumptie en winstmaximalisatie en niet op de wens om deze schaarse bron ook voor de toekomstige generaties veilig te stellen. Om zich van zulke winstgevende opbrengsten te verzekeren, rekenen ondernemingen forse prijzen voor het leveren van water. In Frankrijk betalen consumenten sinds de privatisering
van de watervoorziening ruim 150 procent meer voor hun waterverbruik. In Engeland stegen de tarieven met 106 procent tussen 1989 en 1995, terwijl de winstmarges voor de private waterleveranciers met 692 procent stegen. In de niet-geïndustrialiseerde landen zijn de financiële gevolgen van privatisering veel desastreuzer. Zo zijn in India sommige gezinnen gedwongen het verbijsterende percentage van 25 procent van hun inkomen uit te geven aan water.
Toch blijven regeringen die geld nodig hebben, doorgaan met het razendsnel privatiseren van de waterdistributie. Ze zien het als de oplossing voor hun financiële problemen. Als gevolg van substantiële kortingen op bedrijfsbelastingen beschikken lokale overheden bijvoorbeeld niet langer over de belastinginkomsten die nodig zijn om de publieke voorzieningen te kunnen betalen. Als gevolg daarvan, worden overheden en publieke instellingen vleugellam gemaakt door schulden en een chronisch geldgebrek.
Wat het allemaal nog erger maakt, is de deplorabele toestand waarin bijvoorbeeld waterleidingen verkeren. Dit wordt een steeds groter probleem in zowel de geïndustrialiseerde als de niet-geïndustrialiseerde landen. En vooral in de Amerikaanse binnensteden, waar de overheid drastisch heeft bezuinigd op publieke uitgaven. In Boston, Massachusetts, ging tot voor kort veertig procent van het gemeentewater verloren door kapotte leidingen en de kosten voor het herstellen van deze infrastructuur waren gigantisch. En in de landen in het Amerikaanse zuiden, gaat meer dan de helft van het drinkwater en zestig tot vijfenzeventig procent van het irrigatiewater verloren door soortgelijke problemen. In eerste instantie lijkt het privatiseren van lokale watervoorzieningssystemen een oplossing voor overheden die krap bij kas zitten. Het verkopen van deze voorzieningen vermindert immers de schuldenlast en er hoeven geen grote investeringen gedaan te worden om de waterinfrastructuur te verbeteren.
Als privatiseringsprocessen eenmaal in gang zijn gezet, wordt de democratische controle op zo'n proces steeds moeilijker. Zelfs als burgers betaald hebben voor prijsgaranties. De meeste geprivatiseerde waterbedrijven werken met lange concessiecontracten tussen de twintig en dertig
jaar en deze contracten zijn heel moeilijk open te breken. Zelfs als aangetoond kan worden dat zo'n bedrijf zijn verplichtingen niet nakomt. In de meer bekende gevallen waarin de autoriteiten probeerden contracten open te breken (bijvoorbeeld in het Spaanse Valencia, in het Argentijnse Tucumán, het Hongaarse Szeged en het Boliviaanse Cochabamba) hebben de waterleveranciers gedreigd met sancties, of gedreigd de lokale overheden verantwoordelijk te stellen voor eventuele schade. Daardoor werd het opzeggen van de contracten financieel onmogelijk.
In het conflict met Cochabamba eist Bechtel via een procedure bij de Wereldbank bijna 40 miljoen dollar van de Boliviaanse regering. Het bedrijf doet daarbij een beroep op de onteigeningsrechten die zijn vastgelegd in een verdrag tussen Bolivia en Nederland, en probeert met de hulp van haar houdstermaatschappij in Nederland - niet meer dan een brievenbusconstructie, red. - tegen het armste land van Latijns Amerika te procederen. Om aan te tonen dat Bolivia serieus wordt genomen in het spel van de economische mondialisering, wordt er forse druk uitgeoefend op de Boliviaanse regering om deze zaak buiten
de rechtbank om te regelen en Bechtel de compensatie te betalen die wordt gevraagd.
Ondanks deze pogingen door ondernemingen om dit soort afgedwongen legitimiteit te rechtvaardigen, zijn mensen in vele landen ervan overtuigd, dat multinationals meer geïnteresseerd zijn in maximale winsten dan in het dienen van het publieke belang. Als grondwater wordt weggezogen om geëxporteerd te worden, komen de plaatselijke waterputten droog te staan. Als publieke voorzieningen en diensten in derdewereldlanden geprivatiseerd worden, schieten de waterprijzen omhoog en komen arme mensen zonder water en riolering te zitten. En bedrijven over de hele wereld nemen clausules op in overeenkomsten als bilaterale investeringsverdragen, zoals die tussen Bolivia en Nederland, en in verdragen met de WTO (Wereldhandelsorganisatie), NAFTA (Noord-Amerikaanse overeenkomst over vrijhandel) en GATS (overeenkomst over handel in diensten), het IMF en de Wereldbank om zich in te dekken tegen de claims van overheden die vinden dat er niet volgens hun regels wordt gehandeld. Burgers over de hele wereld zien dit soort praktijken, die de macht van democratische regeringen aantasten, en verenigen zich om te protesteren tegen deze massale privatisering. Het is tijd om de controle terug te krijgen over onze gezamenlijke natuurlijke eigendommen, zoals het water in de wereld.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.