Email   Print
Share  

Op medicijnenjacht

De beroepsnaam zegt het al: medicijnenjager. Hij reist de wereld over en speurt naar kruiden en planten die gezond zijn. Chris Kilham is zo iemand.

Marco Visscher | 43 februari 2002 issue

Op zijn visitekaartje staat een spectaculair beroep vermeld: ‘medicinehunter’. Het roept een tegenstrijdig beeld op: van enerverende speurtochten in jungles, maar ook van jarenlange onderzoeken in steriele laboratoria. Van een soort Indiana Jones, die een megamedicijn moet zien te vinden. Van een ontdekkingsreiziger, maar ook van een wetenschapper.
‘Yep, that’s me’, beaamt Chris Kilham. Het hele jaar door reist Kilham door de Amazone, de Pacific, India, het Andesgebergte, China, Afrika – zolang het maar exotisch is – op zoek naar geneeskrachtige kruiden, planten en natuurlijke medicijnen. In thuishaven Massachusetts in de Verenigde Staten onderzoekt hij ze met zijn moderne apparatuur, ontwikkelt er medicijnen voor op de westerse markt, geeft er les over aan de universiteit en tussen de bedrijven door schrijft hij er populair-wetenschappelijke boeken over.
Op zijn reizen laat Kilham zich inspireren door de wijsheid van de traditionele bevolking. ‘De sjamanen, de medicijnmannen van een dorp: zíj zijn de echte plantenexperts, niet ík’, onderstreept hij. ‘Daarom benader ik hen met diep respect. Ik maak hen telkens duidelijk, dat ik bij hen ben om te leren, niet om te onderwijzen. Hun ervaring met blanke westerlingen is meestal het omgekeerde.’ Zo verzamelt Kilham belangrijke informatie over lokale kruiden en planten. Sommige van de bestaande natuurlijke medicijnen zijn louter geschikt voor de lokale omstandigheden en aandoeningen die horen bij het klimaat en de leefgewoonten, andere zijn juist uitstekend geschikt om ook op groter schaal in het Westen te worden ingevoerd. Mits ze deugdelijk zijn getest, brengt zijn bedrijf Medicine Hunter ze op de markt: als medicijn of als voedingssupplement.
‘De traditionele bevolking ben ik zeer, zeer erkentelijk’, zegt Kilham. ‘Ik zorg er altijd voor, dat ze een eerlijke prijs krijgen voor de producten die we er van maken. Daarmee hoop ik bovendien, dat de jongere mensen in de dorpen het ook interessant gaan vinden om medicijnen te ontwikkelen. Het is telkens treurig te zien hoe vooral jongeren het vreemd vinden, dat een westerse man als ik interesse toont in hun eeuwenoude kennis. Die kennis is aan het uitsterven. De jeugd hecht er nog maar weinig waarde aan en juist in déze culturen worden verhalen en kennis mondeling doorgegeven. Het is alsof je zíet gebeuren hoe een complete bibliotheek aan het verdwijnen is.’
Zelf doet Kilham ook aan kennisoverdracht. Zijn colleges in sjamaanse gezondheidsleer zijn razend populair onder de geneeskundestudenten aan de University of Massachusetts. Dan brengt docent Kilham bijvoorbeeld een enorme fles met kava mee: speciaal meegebracht uit Polynesië waar uit de wortels van een peperstruik een bedwelmend drankje wordt gebrouwen. De hele klas mag er van drinken. Of de studenten krijgen een spectaculaire diavoorstelling te zien van zijn laatste reis. Of ze krijgen uitgelegd waarom cannabis op recept verkrijgbaar zou moeten zijn.

De weg naar zijn beroep als medicine hunter gaat een eind terug in de tijd. Het was zijn eerste reis naar India. Nieuwsgierig naar de spiritualiteit in die landen was Chris Kilham als toerist met een vaag plan op pad gegaan: in zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk heilige plaatsen bezoeken. Het heilige water in de Ganges bleek onweerstaanbaar voor de naïeve backpacker die het fris ogende water aanzag voor een spirituele dorstlesser. De volgende ochtend kwam de spijt. Bijna twintig jaar later kan Kilham er smakelijk over vertellen. ‘Het kostte me een uur om overeind te komen in mijn bed in het haveloze hotelletje waar ik zat. De bacteriën uit het rivierwater hielden in mijn lichaam huis als een bende brute, plunderende krijgers. Hoofdpijn, loodzware ledematen. Het voelde of er een baksteen door mijn spijsvertering moest. Ik kon net lang genoeg rechtop blijven om naar de wc te schuifelen. Het zou niet de laatste keer zijn, die dag.’
Kilham nam Pepto-Bismol in, zonder veel resultaat. Erger nog, het ging steeds slechter. Met als dieptepunt de nachttrein naar Benares, dat tegenwoordig Varanasi heet. ‘Zeulend met mijn tas wankelde ik door drukke gangpaden, alsof ik tot mijn middel door een diep moeras bewoog.’ De reis zou hij doorbrengen in een klein, smerig toilet. De bestemming van de trein was al even ongelukkig: voor vrome hindoes is Benares de favoriete plaats om te sterven. Als je in Benares je stoffelijke omhulsel verlaat, zul je een eeuwige rustplaats vinden, geloven ze. Halfdood op zijn treinbrits bedacht Kilham, dat hij misschien over niet al te lange tijd zou weten of dat waar was.
De klachten bleven. Met hoge koorts en continu diarree trok Kilham langs heilige plaatsen en uiteindelijk naar een homeopathische kliniek. De behandeling hielp niet en hij reisde verder naar Kathmandu, Nepal. De hotelreceptionist wees op een ayurvedische arts in de buurt, een man genaamd Mana Vajra Bajracharya. ‘Ayurveda was niet wat ik wilde’, herinnert Kilham zich. ‘De traditionele geneeskunst van diëten en kruiden was al duizenden jaren populair bij miljoenen Indiërs en Nepalezen, wist ik, maar het leek me niets voor mij. Ik vond dat ik een dokter nodig had, die in het Westen had gestudeerd, die een diagnose kon stellen en zware medicijnen kon voorschrijven. Volgens de hotelreceptionist had ik weinig keus: dokter Bajracharya of iemand met heel wat mindere vaardigheden. Ik stond op het punt de Amerikaanse ambassade te bellen om me te evacueren naar de moderne wereld van kennis en technologie, maar ik dacht, ach, laat ik die ayurvedische man toch maar eens proberen.’

Ayurveda was Kilham niet geheel onbekend. Toen hij in de jaren zeventig in een Amerikaanse ashram woonde en er werkte als masseur en yogaleraar, had Kilham er veel gesprekken over gevoerd met een oude, vooraanstaande geleerde, swami Vedavyasananda, die voor het eerst buiten India kwam. Bij hun ontmoeting gaf de bezoeker hem een visitekaartje, waarop stond: ‘Sri Swami Vedavyasananda 1008, de Grote Yogi van de Himalaya’ – tot groot plezier van de nuchtere Amerikaan.
Aan het ontstaan van hun vriendschap heeft Kilham nog een aardige anekdote overgehouden. ‘Swamiji kwam in de eerste nacht na zijn aankomst in de deuropening van mijn slaapkamer staan. “Er is een probleem”, zei hij peinzend. Hij liep me voor me uit naar de badkamer, waar hij met zijn vinger beschuldigend naar het toilet wees, dat met een gele plas was gevuld. “Het maakt zichzelf niet schoon”, merkte Swamiji op. Ik knikte bedachtzaam en berekende wat de reële kans zou zijn, dat Sri Sri Swami Vedavyasananda 1008, de Grote Yogi van de Himalaya, niet bekend zou zijn met spoeltoiletten. Na een kort moment van ogenschijnlijk diepzinnige gedachten, stak ik een vinger in de lucht om de komst van een briljant idee aan te kondigen. “Heeft u dit al geprobeerd?” Ik bukte voorover en drukte op de spoelknop. Swamiji keek gefascineerd hoe het vuile water werd afgevoerd en zich schoon water aandiende. “O, kijk kijk, heel goed”, zei hij vlak en bedankte me. De volgende tien minuten hoorde ik vanuit mijn bed hoe het toilet telkens opnieuw werd doorgetrokken.’
Maar zo onkundig als Swami Vedavyasananda was met het loodgietersvak, zo intelligent was hij over andere zaken die tenminste zo belangrijk zijn. Hij had vroeger de originele teksten van het hindoeïsme bestudeerd en uit het hoofd geleerd. Hij sprak Hindi én Engels. Hij stond aan het hoofd van een grote monnikenorde van een half miljoen (!) volgelingen. Hij wist veel over meditatie, astrologie, handlezing en ayurveda. Met zijn 83 jaar, diepe inzichten, minzame glimlach en talent om gemakkelijk uit te leggen, was hij de ideale leraar voor een jonge, gretige Amerikaan als Chris Kilham in die tijd.
’s Ochtends om half vijf, als Swamiji zat te mediteren, maakte Kilham thee voor hen beiden. Dan gingen ze urenlang zitten, waarbij de grootste interesse uitging naar natuurlijke medicijnen. Ayurveda is gebaseerd op harmonie en balans, waarbij rekening wordt gehouden met de gehele mens en zijn gewoonten, legde Swamiji hem uit. Volgens de ideeën achter ayurveda reageren mensen het beste op de natuur, en zodoende zijn gewone plantjes en kruiden vaak de beste middelen voor een gezond leven. Een combinatie van dieet en kruiden kan bijdragen aan je vitaliteit en in tijden van ziekte kan ayurveda zeer effectief zijn om beter te worden. Kruiden kunnen genezen.

In die ayurvedische visie vond Kilham een voorname inspiratiebron, maar hier in Kathmandu – met al tien dagen buikloop en misselijkheid – leek ayurveda niet iets om op te vertrouwen. Het meest moderne werktuig in de praktijk van Bajracharya was een houten tafel. Kilham: ‘Daar moest ik op gaan liggen. Nergens een stethoscoop of een thermometer. Bajracharya legde zijn rechterhand plat op mijn buik en sloot zijn ogen. Ik ontspande me, terwijl mijn darmen gorgelden en kolkten. Na een paar minuten trok Bajracharya zijn hand weg. Hij verdween in een zijkamertje en kwam terug met een papieren zakje met een cacaobruin poeder erin en een envelop met bruine bolletjes, die eruit zagen als konijnenkeutels.’ Het moest zijn redding voorstellen.
Driemaal daags een volle theelepel poeder in een glas water laten oplossen, voor het eten innemen met drie van de bolletjes. En dat negen dagen lang, dan komt de kwaal niet meer terug, verzekerde de arts. Het poeder was een mengsel was van verschillende plaatselijk voorkomende specerijen plus gebrande schelpen; de bolletjes waren volgens een oud recept van kruiden en specerijen gemaakt. Het voorschrift had geen naam, wat Kilham nog meer deed twijfelen. Bajracharya noemde het desgevraagd ‘een krachtig geneesmiddel voor de spijsverteringsorganen’.
Even later in een restaurant, waar Europese hippies en bergbeklimmers borden vol eten naar binnen werkten, opende Kilham het zakje poeder en rook er voorzichtig aan. Een volle theelepel poeder verdween in een glas water en hij koos drie bolletjes uit. Op goed geluk, dacht hij zonder veel vertrouwen. ‘s Avonds was de diarree gestopt, de koorts verminderde, de darmen krampten niet meer. Die nacht kon hij eindelijk acht uur achtereen slapen. De volgende ochtend was hij nog altijd slap en mager, maar de symptomen waren verdwenen.

Achteraf verbaast de geneeskracht van het mengsel kruiden hem niet. ‘Ik had wel eens gelezen, dat bepaalde aromatische, bittere specerijen – zoals kurkuma, kruidnagel, gember, kardemom, komijn en korianderzaadjes – van oudsher worden gebruikt tegen maag- en darmstoornissen.’ Dergelijke kennis vindt Kilham essentieel. Meer dan vijf miljard mensen – zo’n 85 procent van de wereldbevolking – zijn voor de meeste kwaaltjes aangewezen op kruiden als goedkope en toegankelijke vervanger voor het moderne medicijnkastje. ‘Kruiden kun je gebruiken om darmen te zuiveren, verstopte holtes te openen, gebroken botten te laten herstellen, je hersenen te stimuleren, je libido te verhogen, de pijn te verzachten, en nog zo’n duizend andere doeleinden’, somt Kilham geroutineerd op.
Specerijen bieden bescherming tegen bacteriën in het voedsel en andere ziektekiemen, die met name in een warm klimaat welig tieren. Dat effect is onlangs bevestigd door een onderzoek dat wordt beschreven in de Quarterly Review of Biology. Onderzoekers van Cornell University in Ithaca, New York, hebben de microbenbestrijdende eigenschappen van meer dan dertig specerijen getest. Sommige doodden alle schadelijke organismen waarop ze werden getest. Andere, zoals kaneel, komijn en chilipepers, namen tachtig procent voor hun rekening.
Het is een verrassende uitkomst, vind Kilham. ‘Vroeger waren kruiden voor mij niets meer dan de ingrediënten in bepaalde gerechten. En nu struin ik de wereld af om kruiden te zoeken die je gezondheid verbeteren. Die vreselijke aanval van dysenterie heeft me gek genoeg mijn roeping duidelijk gemaakt.’



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit

Van onze adverteerders:

   
Abonnement
Geef Ode cadeau
Nieuwsbrief