Email   Print

Achter de sluier

Voor Westerlingen is de verplichte sluier in Iran een symbool van onderdrukking. Maar beschermd door de hejab hebben islamitische vrouwen veel meer vrijheid verkregen dan zij of de fundamentalisten ooit hadden kunnen dromen.

Editors | 41 november 2001 issue

Teheran, zomer 1998. De kaartjes waren al weken van te voren uitverkocht en ‘s middags stond er al een rij voor de show. Onder de vrouwen in met lovertjes bezaaide japonnen en elegante cocktailjurken, die zich hadden verzameld bij een particuliere school van het Italiaanse consulaat, heerste een mengeling van opgewondenheid en ongeloof over deze avond. Ze kwamen voor de eerste openbare uitvoering van moderne dans die in twintig jaar in Iran werd toegestaan.
De show, die was aangeprezen als ‘een uitvoering van harmonische bewegingen’, zou worden opgevoerd in een verlaten kelder die provisorisch was omgebouwd tot theaterzaal. Op strategische plaatsen waren bloemen en kaarsen neergezet, de houten stoelen waren met de hand genummerd. De opwinding was voelbaar. Vrouwen kunnen in Iran niet vaak bij elkaar komen zonder de verplichte sluier of hejab en er werd druk gepraat over de sieraden en andere opsmuk van de gasten.
Boven aan het reclamebiljet prijkte de naam, die maakte dat het niet zomaar een sociale gebeurtenis was: Farzaneh Kaboli, een beroemde ballerina uit de tijd van vóór de revolutie. Sinds de opstand van 1979, waardoor de islamitische regering aan de macht kwam, mocht ze niet meer optreden. Maar in tegenstelling tot de vele beoefenaars van vrije beroepen die hun heil in het buitenland hadden gezocht, had Kaboli ervoor gekozen te blijven. Haar huis-annex-studio had ze opengesteld voor een groep toegewijde leerlingen die ze heimelijk had opgeleid voor een avond als deze.

De laatste dans op het programma was een modern stuk op New-Agemuziek, dat zou worden uitgevoerd door de vijfenveertig jaar oude Miss Farzaneh, zoals ze door haar fans wordt genoemd. In de titel, Een eenzame vrouw, huiverend in de winterkou, herkende iedereen onmiddellijk de verwijzing naar een gedicht van Forugh Farokhzad, de eerste feministische dichteres van Iran, van wie het werk eveneens al jaren was verboden. Toen Miss Farzaneh haar laatste buiging maakte, raakte het publiek buiten zinnen. Na tien minuten van ononderbroken applaus kondigde ze aan: ‘De volgende keer zien we elkaar in de Roudakizaal!’

De kans op een show van moderne dans in het voornaamste theater van Teheran – inmiddels omgedoopt tot Theater Vahdat, dat ‘eenheid’ betekent – is misschien niet erg groot, zelfs niet in het klimaat van hervorming in het huidige Iran. Maar Kaboli’s optreden maakte wel duidelijk dat de tijden zijn veranderd. Nog maar drie jaar daarvoor zou de show bijna zeker zijn verstoord door islamitische leden van de burgerwacht en een generatie geleden zou zo’n show wel zijn toegestaan, maar dan hadden alleen maar een paar vrouwen uit de Iraanse verwesterde elite erheen gekund. Het publiek op deze avond bestond daarentegen grotendeels uit vrouwen met een degelijk conservatieve achtergrond, vrouwen die onder de bescherming van de strikte gedragsregels van de Islamitische Republiek een voor hun moeders en grootmoeders ongekende nieuwe invulling hebben gegeven aan hun rol.

Twintig jaar eerder, toen Iran midden in een revolutie verkeerde, waren de straten van Teheran en andere steden het toneel van regelmatige botsingen tussen het leger en demonstranten die om het einde van de monarchie riepen. Op één dag liepen 2,4 miljoen mensen mee in een demonstratie waarin het aftreden van de Sjah werd geëist. Wat opviel aan die demonstraties was de aanwezigheid van grote aantallen vrouwen in chador: het opbollende zwarte gewaad dat het gehele lichaam, op het gezicht na, bedekt. Veel vrouwen droegen de hejab, een losse cape met hoofddoek, maar de chador was het embleem van vrouwen uit streng islamitische families. Vrouwen die alleen in gezelschap van mannelijke familieleden naar buiten mochten, waren de straat op gegaan, en al gauw hulden ook vrouwen die nooit een sluier hadden gedragen, zich als teken van protest in de chador.

Vijftig jaar lang was de monarchie van Iran tegen de intens conservatieve meerderheid van het land ingegaan – vooral waar het de plaats van de vrouw in de maatschappij betrof. Terwijl de regering westerse waarden probeerde in te voeren en gebruiken als het dragen van de sluier trachtte uit te bannen, werd de islamitische traditie versterkt door religieuze fatwa’s (verordeningen) van de hoogste geestelijke autoriteiten van het land. In de praktijk waren huis en keuken het domein van de vrouw, hun leven werd bepaald door hun vaders, broers en echtgenoten.

Ayatollah Khomeini, een theologische dissident met veel complexere opvattingen over sociale kwesties dan men in het Westen inzag, was degene die als eerste brak met de gewoonte vrouwen uit het openbare leven te weren. ‘Het is jullie plicht’, zo zei hij in een beroemde toespraak tot islamitische vrouwen in 1979, ‘mee te vechten tegen de dictatuur. Jullie moeten actief deelnemen aan de revolutionaire strijd.’ Het ideaal van de islamitische beweging was de ‘Nieuwe moslimvrouw’: gehoorzaam, gelovig en militant, een strijdster in chador met een baby op de ene arm en een geweer in de andere.

De weinige vrouwen, die hadden kunnen profiteren van de relatief liberale politiek van de Sjah, kregen door de islamitische overwinning te maken met pijnlijke nieuwe beperkingen. Strikte scheiding der seksen stond boven aan het prioriteitenlijstje van de nieuwe regering. Er was in de bus een aparte ingang voor vrouwen, in kantoren en collegezalen werden scheidingswanden geplaatst om het contact tussen mannen en vrouwen tot een minimum te beperken, de sluier werd weer verplicht gesteld.

Maar voor de meeste vrouwen uit de Iraanse arbeiders- en middenklasse bracht de revolutie nieuwe kansen. De regering riep hen op om te stemmen, te leren lezen en schrijven, mee te doen aan de mobilisatie in de oorlog tegen Irak en te helpen de vijanden van de revolutie te bestrijden. Terwijl verwesterde vrouwen uit overheidskantoren en universiteiten werden geweerd, werden hun banen overgenomen door traditioneel-islamitische vrouwen die geen dociele moeders en huisvrouwen meer wilden zijn. In de daaropvolgende twintig jaar zou het complexe mechanisme, dat door de islamitische revolutie in gang was gezet, veranderingen in de eeuwenoude patriarchale structuren en seksistische politiek veroorzaken – en uiteindelijk de macht ondermijnen van de conservatieven die de veranderingen op gang hadden gebracht.

Mijn eerste indrukken van deze belangrijke ontwikkelingen deed ik als kind op. Kort na de islamitische overwinning ging ik met mijn ouders naar mijn favoriete speeltuin. We werden bij de ingang tegengehouden door een strenge bewaker die tegen mijn moeder zei dat ze haar lippenstift moest afvegen, haar sluier om moest doen en dikke zwarte kousen moest aantrekken voordat we naar binnen mochten. Op de terugweg deed mijn vader zijn best om aan een boze zesjarige uit te leggen waarom de keuzevrijheid van mijn moeder belangrijker was dan het mislopen van een uitje.

Mijn moeder kwam uit een zeer conservatieve familie, maar voor de revolutie liep ze vaak zonder hejab op straat. Die keer in de speeltuin hoefde ze zich misschien niet te vernederen, maar al gauw drong het tot haar door dat het revolutionaire kledingvoorschrift niet zou worden opgeheven. De islamitische autoriteiten hadden strenge regels opgesteld voor een fatsoenlijke hejab: iets anders dan een vormeloos, tot de enkels reikend gewaad met een omslagdoek die geen lok haar onbedekt liet, kon niet door de beugel. Make-up was streng verboden, net als het gebruik van kleuren, afgezien van saai grijs en bruin. In de ogen der revolutionairen was alles wat een vrouw aantrekkelijk maakte zondig. Het leidde af van vroomheid en spiritualiteit.

De ‘Begeleidingsteams’, een soort zedenpolitie die in speciaal toegeruste patrouilleauto’s door de stad reden, kregen tot taak de straten vrij van zonde te houden. Achterin zaten twee vrouwen in chador, voorin twee gewapende mannen. Ze hadden ruime bevoegdheden om iedereen te straffen die zich niet aan de regels hield. Vrouwen die het kledingvoorschrift overtraden, konden een boete krijgen, de gevangenis in gaan of zelfs in het openbaar worden gegeseld.

Vijftig jaar eerder, toen de vader van de laatste Sjah korte tijd had geprobeerd het gebruik van de hejab uit het openbare leven te bannen, haastte mijn grootmoeder zich in de schaduw van de muren over straat om niet te worden gedwongen haar sluier af te doen. Nu deden mijn vriendinnen en ik dat ook, maar om een andere reden: we waren bang dat de modieuze accenten die we op illegale videobanden van MTV hadden gezien – een opgerolde broekspijp, een strook gestreepte kousen – door de hoeders van de openbare zeden zouden worden opgemerkt. ‘Kom eens hier’, zei mijn moeder vaak als ik met een spoortje roze op mijn lippen op mijn tenen langs haar slaapkamer liep, op weg naar een afspraak met een vriendin in een café. ‘Veeg dat af. Of wil je vannacht soms in de gevangenis slapen?’

Het is een heel verschil met wat ik tegenwoordig in Teheran op straat zie, als ik terug ben uit de Verenigde Staten, waar ik nu woon. De sluier is nog wel verplicht, maar hij is niet meer wat hij is geweest. De effen, tot de grond reikende gewaden zijn verdwenen, veel vrouwen dragen aantrekkelijke kleren, zelfs met decolleté, die de spot drijven met de bijbehorende voorgeschreven hejab. De sluier is een speeltje geworden, met spelregels die aan elke gelegenheid kunnen worden aangepast: bij mijn werk als journaliste kan ik een lange jas met een strak omgebonden omslagdoek dragen als ik een geestelijk leider ga interviewen en ik kan die verwisselen voor een cape, rode jurk en hoge hakken als ik naar een sociaal evenement ga. In de meest modieuze buurten van Teheran kun je tieners soms ruzie zien maken met een behoudende geloofsfanaat die commentaar heeft op hun kleren. ‘Kijk dan ook niet naar mijn lichaam’, zeggen meisjes. ‘Als goed moslim moet u de andere kant uit kijken.’

Voor feministes in het Westen is de sluier het symbool van alles wat er mis is met de Iraanse revolutie. Maar de hejab betekent voor iedereen iets anders; hij is een symbool van overheersing en bevrijding, van gelovigheid en opstandigheid. Voor de Iraanse man vormde de hejab van oudsher een manier om te heersen over zijn vrouw en dochters, om de eer van de vrouw te beschermen en haar kuisheid te bewaken. Behoudende moslims zien de hejab ook wel als een manier om mannen niet aan verleiding bloot te stellen. Niet lang na de revolutie verklaarde de toenmalige president Abolhassan Banisadr publiekelijk: ‘Uit het haar van vrouwen komt een bepaalde straling die mannen op wellustige gedachten brengt.’

Maar voor veel Iraanse vrouwen heeft de hejab een heel andere betekenis: hij is handig als bescherming in het openbare leven. In een samenleving waarin een ongesluierde vrouw als seksueel beschikbaar wordt beschouwd, zouden de meeste vrouwen ook zonder dwang van overheidswege buitenshuis een hejab in een of andere vorm dragen – en veel werkende en studerende vrouwen zouden liever hun traditionele rol weer op zich nemen dan hun sluier afleggen.

Aan het eind van de jaren tachtig begon de Iraanse regering een campagne om via een uitgebreid netwerk van universiteiten in de provincie het hoger onderwijs beter bereikbaar te maken. Vrouwen mochten in alle vakken afstuderen, van letterkunde tot techniek, en dankzij de hejab en de strikt gehandhaafde scheiding tussen man en vrouw in de leslokalen zagen behoudende families geen reden hun dochters en zusters te verbieden college te lopen. Aan het eind van de jaren negentig was meer dan de helft van de eerstejaars in Iran vrouw – een opmerkelijk aantal in een land waar twintig jaar daarvoor nog 69 procent van de vrouwen analfabeet was.

Wat de revolutionairen echter niet hadden voorzien, was dat door die veranderingen al gauw het fundament van de conservatieven zou worden aangetast. De vrouwen die dankzij de revolutie onderwijs hadden genoten en een beroep hadden, begonnen zich af te zetten tegen de geldende gedragsregels. Hun onvrede werd in 1997 een politieke kracht toen een hervormingsgezinde geestelijke, Mohammad Khatami, zich kandidaat stelde voor het presidentschap. De Raad van Hoeders van de Grondwet van de Islamitische Republiek gaf Khatami weliswaar toestemming campagne te voeren, maar het complete staatsapparaat werd gemobiliseerd om de conservatieve kandidaat te steunen. Op de dag van de verkiezingen stroomden dertig miljoen Iraniërs – veel vrouwen en veel mensen die voor het eerst gingen stemmen – naar de stemhokjes en zorgden voor een aardverschuiving: Khatami won. (Hij heeft zich ook kandidaat gesteld voor een tweede termijn en heeft de verkiezingen van afgelopen juni op zijn sloffen gewonnen.)

Het ambt van president geeft in Iran weliswaar niet veel macht, maar het feit dat er een hervormer op die post kwam, betekende het einde van een tijdperk. Binnen een jaar na de overwinning van Khatami was de macht van de zedenpolitie sterk verminderd, het familierecht werd gewijzigd zodat gescheiden vrouwen de voogdij over hun kinderen kunnen krijgen, hervormingsgezinde kranten bloeiden op en het verbod op films en andere artistieke producties werd opgeheven. En hoewel de conservatieven de laatste jaren sterk zijn teruggekomen – sinds 1998 zijn meer dan veertig publicaties verboden – lijken de hervormingen niet meer te stuiten.

Het feministische dagblad Zan, waarvoor ik een column schreef, is opgezet door een vrouw met een smetteloze revolutionaire stamboom, Faezah Hashemi Rafsanjani, de dochter van de vroegere president. In een interview – kort voordat onze krant werd verboden – zei ze dat ze Zan had opgericht omdat ‘er wetten zijn in deze samenleving die zijn vermomd als heilige regels, maar bij nader inzien geen enkele basis hebben in de Koran of de sharia.’

Eén belangrijke, zij het symbolische, overwinning voor de hervormingsgezinden was de versoepeling van de regels voor de kleur van het schooluniform van meisjes – een sterk signaal voor alle vrouwen die zijn opgegroeid in een tijd dat zelfs zwart te ‘chic’ werd geacht voor school. De kleur groen, een symbool van de islam, werd in verband gebracht met de hervormingsbeweging en op de eerste verjaardag van het presidentschap van Khatami kwamen tienduizenden leerlingen met een groene sluier op school. De hejab was opnieuw gepolitiseerd, maar ditmaal hadden jonge vrouwen het initiatief genomen.

Teheran, winter 2000. Een vrouw die – als een van de eersten in Iran – het beroep van mannequin koos, stelt zich voor aan de pers. ‘Mijn naam is Labkhand Rastgou en mijn droom is uitgekomen. Ik ben fotomodel!’ Even daarvoor had ze met een twintigtal anderen deelgenomen aan de allereerste modeshow in de Islamitische Republiek. Na wekenlang hun van Claudia Schiffer afgekeken bewegingen te hebben geoefend op de catwalk, hadden ze hun programma afgewerkt voor de ongelovige ogen van duizenden vrouwelijke toeschouwers.

Uit angst voor de woede van de conservatieven had de organisatie van de show alle schijn van een band met westerse modetrends en tendensen vermeden. De show was aangeprezen als een ‘jeugdmarkt’ en heel handig ondergebracht in een kunst- en kunstnijverheidstentoonstelling die een week duurde. De modeshow zelf bestond uit twee delen: tien minuten moderne kleding en een veel langer deel met traditionele kleding. Maar het eerste deel vormde duidelijk de hoofdattractie.

Op de openingsavond deed de presentatrice haar uiterste best iedere associatie met westerse stijlen te vermijden. ‘Uitstekend geschikt voor onder de chador!’ riep ze in de microfoon. ‘We zien hier vanavond dat deze prachtige japonnen heel goed samengaan met ons islamitische erfgoed.’ Maar uit de dreunende junglemuziek, de uitdagende blikken van de modellen en de gewaagde stijlen – strakke kleding in flitsende kleuren, gecombineerd met rudimentaire omslagdoeken en capes – sprak iets heel anders.

Van de aanwezige vrouwen zouden er niet veel deze kleren in het openbaar willen dragen en sommigen lachten openlijk om de vreemde creaties. Maar het publiek bleef geboeid kijken – alleen al vanwege het feit dat de show überhaupt was doorgegaan – en dat het begrip ‘mode’ voor het eerst de officiële goedkeuring had gekregen van de islamitische overheid. In die ene week bezochten meer dan zestienduizend vrouwen de show en het ministerie van cultuur en de islamitische Raad van Hoeders moesten zich nog dagenlang in allerlei bochten wringen om hun besluit een vergunning af te geven voor dit evenement te verdedigen.

Dagelijks moet er vele malen in allerlei situaties in heel Iran op die manier worden gebalanceerd tussen traditie en het moderne leven. De vraag wat fatsoenlijke kleding is voor de vrouw is en blijft het onderwerp van verhitte discussies: in het parlement, tijdens de wekelijkse gebeden op vrijdag, aan de eettafel. De hejab, zo zou je kunnen stellen, is voor de Iraanse politiek wat abortus is voor de Verenigde Staten: een bliksemafleider, een strijdkreet en een graadmeter voor het machtsevenwicht tussen conservatisme en hervormingen. Waar de balans naar zal doorslaan, valt nog te bezien. Wat nu, tweeëntwintig jaar na de revolutie, wel duidelijk is, is dat de mannen niet de enige stem in de discussie hebben.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.