Email   Print

Op zoek naar een wonder

Op de dag in september dat bij mijn vader een niet te opereren vorm van longkanker werd geconstateerd, besloot ik op zoek te gaan naar een wonder. Mijn familie had al bijna een maand gezocht naar de medische alternatieven en wat we hadden ontdekt, gaf weinig hoop. Het enige waarop we nog konden hopen, was een wondermiddel.

Ann Hood | 38 mei/juni 2001 issue

Een paar weken eerder lag ik nog in het ziekenhuis bij de geboorte van mijn dochter Grace. In een ander ziekenhuis onderging mijn vader intussen biopsieën, om de oorzaak te vinden van de plek die in de ruimte tussen zijn longen was verschenen. Acht jaar eerder had hij longemfyseem. Hij stopte met roken na veertig jaar lang twee pakjes per dag te hebben gerookt. Ondanks jaarlijkse longontstekingen en periodieke benauwdheid was hij een sterke man van 67, die voor mijn zoon Sam zorgde, kookte en het huis waar hij gedurende een huwelijk van 47 jaar met mijn moeder had gewoond, schoon te houden.
Onze familie is bijgelovig. We staan sceptisch tegenover de medische wetenschap en geloven in voortekenen, in speciale drankjes en in de kracht van het gebed. De week voordat er een vlek op mijn vaders werd geconstateerd, hadden drie van ons een droom die wel een voorteken moest zijn. Ik had gedroomd van mijn grootmoeder van moeders zijde, Mama Rose. Mijn nichtje, voor wie mijn vader als surrogaatvader had gefungeerd, nadat haar eigen vader was overleden, toen ze twee was, droomde van onze oudoom Rum. Mijn vader droomde van zijn vader, voor het eerst sinds die in 1957 was overleden. Al die schimmen hadden één ding gemeen: ze waren gelukkig.
Een paar dagen na onze dromen kreeg mijn vader koorts, toen twee van ons souvlaki aten op het jaarlijkse Griekse Festival. Ze stuurden de röntgenfoto die die avond werd gemaakt naar zijn huisarts. Toen ik de volgende morgen, negen maanden zwanger, langs ging, wachtte mijn vader mij op bij de achterdeur. 'Volgens de röntgenfoto is er iets mis', zei hij smalend. 'Ze willen nog een paar onderzoeken doen.'
De volgende maand onderging hij CAT-scans en allerhande -scopieën en toen we weer eens in de wachtkamer van het ziekenhuis zaten, brulde de zoveelste chirurg die we amper kenden: 'Waar zijn de Woods?' Ik stond op, met mijn pasgeboren dochter in mijn armen. 'Hood', zei ik. 'Hier.' Hij kwam naar ons toe en zei zonder omhaal: 'Hij heeft kanker. Een behoorlijke tumor die niet te opereren is. We kunnen hem een chemokuur geven, wat tijd rekken. U krijgt de bijzonderheden wel van uw eigen arts.' Hij had het mijn vader verteld, toen die net uit zijn narcose bijkwam, wat een nachtmerrie voor hem moet zijn geweest.
De extra grote flesAltijd als er bij ons in de familie iemand overleden was, haalde mijn vader zijn extra grote fles Jack Daniels te voorschijn. Die had ons over het nieuws van de dood van de jonge echtgenoot van mijn nichtje heen geholpen. En over de dood van mijn eigen broer bij een ongeval in 1982. En ook over de recente dood van twee van mijn neven, veertigers, de ene overleden aan een melanoom en de andere aan aids. Op die septembermiddag haalde mijn vader de fles te voorschijn vanwege zijn eigen weinig hoopgevende prognose. We waren wat informatie rijker: alleen een agressieve chemotherapie en bestraling konden heel misschien helpen en dan nog maar voor korte tijd. 'Sommige mensen', had de longspecialist tegen ons gezegd, 'kunnen dan nog anderhalf jaar leven.' Maar uit de wijze waarop hij zijn hoofd boog, nadat hij dat had gezegd, maakte ik op, dat zelfs die anderhalf jaar ruim was geschat. Mijn schoonzuster, een arts, was duidelijker. 'Zes maanden na de diagnose is de regel', had ze gezegd.
In de keuken waar vroeger mijn moeder met haar tien broers en zussen, hun ouders en hun grootouders elke dag aan tafel hadden gezeten, begon ik te rekenen. Was het mogelijk dat de man die tegenover mij Jack Daniels dronk met Pasen niet meer zou leven? Deze Angelsaksische protestant uit Indiana, die was getrouwd met een vrouw uit een grote, luidruchtige Italiaanse familie en nog Italiaanser was geworden dan sommige aangetrouwde familieleden. Hij was degene die met Pasen de zwezerik in deeg, de verse kaas en de frittata's bereidde. Hij legde crackers in kruisen en maakte kleine pizzelle, lichter dan die van mijn tantes. Zoals hij daar grapjes zat te maken over de chirurg, leek hij met zijn een meter drieëntachtig en bijna honderd kilo niet op iemand die stervend was. En ik was ook niet van plan hem te laten sterven. Als de medische wetenschap hem hooguit anderhalf jaar kon geven, dan was er eigenlijk nog maar een kans op genezing. 'In Nieuw Mexico is een plaats met wonderaarde', zei ik. 'Die ga ik voor je halen.''Nou', zei mijn vader met zijn gevoel voor understatement. '`Ik accepteer alle hulp die ik kan krijgen.'

Eigenlijk lag het voor de hand. Mijn overgrootmoeder, die overleed toen ik zes was, had met gebeden en huismiddeltjes, zoals zilveren dollars en kamferolie, heel wat mensen genezen van allerhande kwalen. Ze geloofde dat het boze oog de oorzaak was van hoofdpijn en daarom deed ze een paar druppels olie in een soepkom met water, waarmee ze onder het mompelen van Italiaanse woorden cirkels tekende in de handpalm van degene die hoofdpijn had. Bloedneuzen genas ze met een kruis op het voorhoofd van het slachtoffer.
Voor de meeste wonderen moet je bij een heilige zijn. Als je een gunst wilt, bid je de bijbehorende heilige om hulp. Zo deed mijn overgrootmoeder dat. Ze kende gebeden aan allerhande heiligen om verloren voorwerpen te vinden, vragen te beantwoorden of kwalen te genezen.
Volgens overlevering had mijn overgrootmoeder dat als klein meisje in Italië geleerd. Ze was herderin in de heuvels van een stadje buiten Napels, dicht bij een klooster. De nonnen mochten haar graag en gaven haar hun kennis door. Haar geloof werd jaren later bezegeld, toen mijn grootmoeder, haar enige dochter, drie was. Ze waren inmiddels naar de Verenigde Staten geëmigreerd, maar op vakantie in Italië kreeg mijn grootmoeder roodvonk. Toen de artsen zeiden dat ze de ochtend niet zou halen, nam mijn overgrootmoeder haar dochter op en liep kilometers ver naar het klooster. Daar baden de nonnen vol overgave tot Maria om het kind te sparen. De volgende morgen was ze helemaal beter, alleen waren haar lange donkere krullen op het hoogtepunt van de koorts uitgevallen. Mijn overgrootmoeder gaf ze als dank aan de Heilige Maagd. Toen mijn grootmoeders haar weer aangroeide, was het rood. En dat bleef het tot haar dood, zeventig jaar later.
Met zulke verhalen ben ik opgegroeid. Ik heb er nooit aan getwijfeld. Net als het verhaal van de dag dat ik geboren werd, of de dag dat mijn ouders elkaar leerden kennen, neem ik het voor waar aan. Toen ik het pas geleden aan een vriend vertelde, zei hij: 'Maar natuurlijk is het niet waar.' Geschrokken vroeg ik, wat hij bedoelde. 'Nou, zo is het toch niet gebeurd', zei hij lachend. 'Dat kan niet. Misschien is haar koorts gewoon overgegaan of dachten de artsen dat ze zieker was, dan ze werkelijk was. Maar ze is niet genezen door Maria en haar haar werd waarschijnlijk gewoon roder, naarmate ze ouder werd.' Hier ligt een belangrijk verschil tussen iemand die in wonderen gelooft en iemand die dat niet doet. Een gelover accepteert het wonder als de waarheid en stelt geen vragen.
Geneeskrachtige aarde
En zo reed ik enige tijd later met mijn tien weken oude dochtertje in het Sangre de Cristo gebergte ten noordwesten van Santa Fe, naar het stadje Chimayo, waar vlak bij El Santuario ligt. Vroeger was dit heilige grond voor de Tewa-indianen, een plaats waar volgens hen water en vuur uit de grond waren gespoten, waarna het water een heilige plas vormde. Uiteindelijk was dat water verdampt en bleef er een modderpoel over. De Tewa gingen er modder eten, als ze genezing zochten. Rond 1810 zou een zekere don Bernardo Abeyta gedurende de Heilige Week in de heuvels bij Chimayo de Staties van de Kruisweg hebben uitgevoerd. Opeens zag hij licht uit een van de hellingen komen. Naderbij gekomen ontdekte hij, dat het licht uit de grond kwam. Hij begon met zijn handen te graven en vond een kruis. Hij rende naar de Santa Cruz, de kerk in de nabijgelegen stad, om de priester en parochianen te halen, die het kruis meenamen naar hun kerk. De volgende ochtend was het kruis weg. Het was teruggekeerd naar de plaats waar het was gevonden. Dat gebeurde nog twee keer, waarna men besloot er een kerkje - El Santuario - te bouwen. In dat kerkje bevindt zich el pocito, de put met de geneeskrachtige aarde.
Zoals veel plaatsen waar een wonder heeft plaatsgevonden, is Chimayo moeilijk bereikbaar. Grace en ik vlogen van Boston naar Albuquerque. Daar troffen we mijn oude vriend Matt. Hij ging mee om aarde te halen voor zijn vriend, die aan de ziekte van Hodgkin leed. We huurden een auto en reden in iets meer dan een uur naar Santa Fe. De volgende ochtend namen we de zogeheten Hoge Weg naar Taos, de bergen in over bochtige, met sneeuw bedekte wegen. Er zijn niet veel wegwijzers. Er is een zekere dosis geloof voor nodig om bij El Santuario te komen. We moesten meer dan een stop maken om de baby te voeden. Toch verloor ik geen moment de moed. Mijn vader had me voor mijn vertrek omhelsd. Hij zei: 'Ga jij die aarde maar halen, lieverd.' En dat zou ik. In El Santuario aangekomen voelde ik de angst dat mijn vader zou sterven en de bereidheid te geloven dat een wonder mogelijk was.
Het eerste wat we zagen, was het eerbetoon aan alle genezingen die dankzij dit oord hadden plaatsgevonden. Tegen de wanden stonden krukken en stokken, er waren kaarsen en bloemen, heiligenbeelden en allerlei gaven als dank voor genezing. Aan een van de muren is de kapel van de heilige Niño, die 's nachts door het land trekt om zieke kinderen te genezen en zo veel schoenen verslijt. Daarom krijgt hij schoenen, als er een kind is genezen. De kapel in Chimayo staat vol kinderschoentjes, zelfgebreide slofjes en tere satijnen doopschoentjes. Het beeld van Niño, een zittende figuur met een mand eten en een kalebas met water, is getooid met rozen en dankbetuigingen.
In dit zaaltje begon ik te trillen. Ik wist dat ik me op een heilige plaats bevond, een plaats waar nog kansen bestonden. Dat gevoel had ik niet gehad in het ziekenhuis of in de wachtkamers van artsen waar ik de afgelopen maanden veel tijd had doorgebracht. Ook toen een chirurg beloofde de tumor van mijn vader te verwijderen als 'die smeerlap nou maar even wil krimpen', kreeg ik niet dat vredige gevoel dat ik had, toen ik daar stond, omringd door al die blijken van geloof. Op het briefje van Ida P. uit Chicago stond, dat haar man nog zes keer bestraald moest worden, toen ze hem op een zondag de aarde gaf. Op maandag was de tumor verdwenen.

Bukkend betraden Matt en ik een nog kleiner kamertje, naar de pocito. Dat was niet meer dan een gat in de aarden vloer. Ook hier waren de muren behangen met ex-voto's. Op een van die briefjes stond: 'In dit kamertje regeert de rust der zielen die vrede hebben gevonden. Luister naar hun stilte. JK, New York.' Matt en ik knielden voor de pocito en deden met onze blote handen aarde in de plastic zakken die we hadden gekocht. Ik weet niet wat Matt dacht, toen hij groef. Zelf herhaalde ik telkens één gebed: Laat de tumor van mijn vader alstublieft weggaan.

Een wereld vol genade
Nog opgetogen van El Santuario zochten Matt en ik een van de wevers op die in en om Chimayo wonen. We volgden de bordjes met 'Ortegas' en kwamen uit bij een winkeltje met houtsnijwerk en wat souvenirs, maar geen kleden. 'Is dit Ortegas?' vroegen we de man met de paardenstaart achter de toonbank. We wisten zeker dat we de bordjes stipt hadden gevolgd. De man lachte en vertelde dat hij Tobias heette. 'Jullie hebben aarde gehaald', zei hij. Misschien kwam het wel door z ijnvriendelijk gezicht dat ik hem over het doel van onze komst en de bijzonderheden van mijn vaders ziekte vertelde. Hij knikte. 'Hij zal genezen', zei hij. 'Ik heb ze met eigen ogen gezien, zulke genezingen.'
Hij vertelde van een stel dat bij hem was gekomen - 'net als jullie!' De man was boos, omdat zijn vrouw per se helemaal hierheen wilde komen vanuit Los Angeles, terwijl haar artsen hadden gezegd, dat ze ongeneeslijk ziek was. Uit medelijden met de vrouw had Tobias hen uit eten genomen. Toen ze op de patio van een restaurant in de buurt zaten te eten, begon er een vreemd licht uit de borst van de vrouw te schijnen. Eerst zacht, toen feller en groter en ten slotte leek het haar hele borstkas te omvatten, net een cocon. Toen verdween het langzaam. De sceptische echtgenoot was de eerste die sprak. 'Hebben jullie dat ook gezien?' Ze hadden het allemaal gezien. 'Mijn tumor is weg,' zei de vrouw vol overtuiging. Hoewel Tobias niet wist welke vorm van kanker de vrouw had gehad, was hij er van overtuigd dat het borstkanker moest zijn en dat ze genezen was. Dat klopte. De verbijsterde artsen in Californië verklaarden haar volkomen vrij van borstkanker.
'Het werkt', zei Tobias.
Matt vroeg hem, hoe het kwam dat de aarde nooit opraakte, terwijl er toch duizenden mensen naar de pocito kwamen.
'O', zei Tobias, 'de huishoudster vult het elke dag aan. Daarna wordt het door de priester gezegend.'
Dat ordinaire bijvullen was een teleurstelling voor me. Ik had gehoord dat de aarde zichzelf op onverklaarbare wijze aanvulde.
'Het gaat niet om de aarde', zei Tobias. 'Het is de energie van al die mensen die in de pocito komen bidden, die de wonderen mogelijk maakt.'

Ten tijde van mijn pelgrimstocht naar Chimayo had ik een punt bereikt in mijn leven, waarop ik geloofde in een wereld vol genade. Ik geloofde dat de geboorte van mijn zoon een wonder was, dat de liefde van mij en mijn man een geschenk was, net als mijn vermogen woorden te vormen tot betekenisvolle verhalen. Natuurlijk hechtte ik ook waarde aan hard werken, aanleg en karakter, maar ik was gaan geloven in Augustinus' opvatting van de wereld als het 'wonder der wonderen'. Toen ik op Rhode Island terugkwam met de aarde uit El Santuario, geloofde ik dat er iets kon gebeuren.

Vierentwintig uur nadat mijn vader de aarde had aangeraakt, kwam hij in ademhalingsmoeilijkheden en moest hij per ambulance naar het ziekenhuis. Het was kerstavond, drie maanden na de diagnose. Dit was het ideale moment voor een geloofscrisis, maar het omgekeerde gebeurde. Ik wist zeker dat hij het zou halen. Maar wat er toen gebeurde, verbaasde me meer dan de achteruitgang van zijn toestand.
De arts in het ziekenhuis achtte herstel van wat een longontsteking bleek te zijn onwaarschijnlijk en voerde een CAT-scan uit, in de veronderstelling dat de tumor was gegroeid. Mijn vader had maar twee chemokuren gehad. Er waren er vijf nodig voor we mochten hopen dat de tumor kleiner zou worden. Ik vroeg hem of hij was voorbereid op een slechte uitslag.
'O, nee', zei hij vol vertrouwen, 'de tumor is weg.' 'Weg?' vroeg ik. Hij knikte. 'Toen ik hier zat, zag ik het gezwel uit mijn lichaam wegtrekken. Het was zwart en gemeen en kwam vonkend uit mijn borstkas, druk en woedend.' Ik was wel bereid te geloven dat de tumor zou verdwijnen, maar aan zo'n concrete manifestatie had ik niet gedacht. Tobias had verteld van een licht dat de borst van die zieke vrouw had omzwachteld, maar dit was mijn vader, een practische, nuchtere man uit het Midden-Westen, die me een verhaal vertelde dat riekte naar science fiction.
De volgende dag belde mijn moeder dat ik naar het ziekenhuis moest komen. 'Ann', zei ze vol ontzag, 'uit de CAT-scan blijkt, dat de tumor helemaal weg is. Verdwenen.' Op de achtergrond hoorde ik mijn vader grinniken. Mijn moeder herhaalde wat de arts had gezegd, toen hij de uitslag vertelde: 'Het is een wonder.'

Een verhoord gebed
In dit deel had ik graag willen schrijven dat mijn vader tumorloos, kankervrij, door een wonder genezen, thuiskwam. Dat hij, genezen, met mij naar New Mexico ging, naar El Santuario de Chimayo, om de uitslag van zijn CAT-scan bij de kinderschoenen en de bedankbriefjes, de krukken en de beugels, de standbeelden en de kaarsen in het kamertje met het lage plafond neer te leggen. Maar mijn vader ging naar huis, kreeg nog één chemokuur en de volgende dag werd hij weer per ambulance naar het ziekenhuis gebracht met ademhalingsmoeilijkheden. Bijna twee weken lag hij op de intensive care met een dubbele longontsteking. Daarna ging hij een week naar de hartafdeling en toen naar de revalidatie. Hij was verzwakt door zijn bijna fatale ziekte en liep met een kruk. Van zijn dagen op de intensive care herinnerde hij zich niets. Wij wel: de nachtwaken aan zijn bed, slapend in een stoel, wachtend op artsen en onderzoeken en verandering in zijn toestand. Toen hij eenmaal op de revalidatieafdeling was, deed de arts de CAT-scan nog eens over, omdat hij dacht dat de tumor was teruggekomen. Maar er was niets te zien en de datum voor ontslag uit het ziekenhuis werd bepaald.
Twee dagen voordat mijn vader naar huis zou gaan, kreeg hij koorts en begon hij te hoesten. Hij had een schimmelinfectie, iets wat veel voorkomt bij patiënten die chemotherapie hebben gehad. Meestal is het dodelijk. De artsen bereidden ons op het ergste voor. 'Hij komt niet meer uit het ziekenhuis', zei zijn longspecialist. Omdat zijn gezondheid hem in de steek liet, vertelde mijn vader ons hoe we zijn specialiteiten voor het paasontbijt moesten bereiden - hoe je een frittata moet omkeren zonder dat hij breekt, het geheim van zijn lichte pizzelle.

De dag voor Pasen was hij stervende. Zijn zuurstofcapaciteit was zo klein dat zijn benen blauw en vlekkerig werden. Er werd een priester bij gehaald die hem de laatste sacramenten toediende. Maar toen de priester wegliep, pakte ik mijn vaders hand om nog één wonder te laten geschieden. 'Papa', zei ik, 'kom alsjeblieft terug. Voor mij, en Sam en Grace.' Bij het horen van de namen van mijn kinderen spande mijn vader zich niet alleen in om zijn ogen te openen, maar ook om te ademen, een levenbrengende ademhaling. 's Avonds zat hij rechtop. 'Ik dacht al dat ik er was geweest', grapte hij. Op paasochtend zei hij tegen mijn moeder dat haar frittata te droog was. Ik bleef de hele dag bij hem.'s Avonds keken we naar een film en toen ging hij slapen.
De dokter vermoedde dat de kanker was teruggekomen en was uitgezaaid naar de hersenen. Hij maakte een CAT-scan van zijn botten, longen en hoofd. Maar mijn vader bleef vrij van tumoren en kanker. Desondanks overleed hij een week later, aan de longontsteking die hij had opgelopen, doordat zijn afweer was aangetast. Ik twijfel er niet aan dat ik een wonder heb gekregen, maar ik heb me sindsdien meer dan eens afgevraagd of ik niet om het verkeerde heb gebeden. Had ik, toen ik me over de pocito boog, niet moeten vragen mijn vader te laten leven in plaats van de tumor te laten weggaan? Eén ding weet ik zeker, ik heb precies gekregen waar ik om vroeg op die decembermiddag in El Santuario de Chimayo.

Nog een wonder
Hoewel ik stevig geworteld ben in de normale wereld en een praktische, realistische vrouw ben, die sceptisch staat tegenover veel dingen in het leven, maakte ik met mijn pasgeboren dochter een reis naar de andere kant van het land in de overtuiging dat ik daarvandaan een wonder kon meenemen voor mijn stervende vader. Bijna op de dag af een jaar nadat mijn vader was overleden, ging ik terug naar El Santuario de Chimayo. Padre Roca, die er al veertig jaar priester is van de parochie, sprak met me in zijn kantoortje in de kerk. Ik had hem maanden tevoren geschreven om mijn verhaal te vertellen. Hij bleek in levenden lijve net zo gul met glimlachen en verhalen als met wijwater: toen ik er was, kwamen er verscheidene mensen binnen en zonder haperen zegende hij hun medaillons en kruisen, sprenkelde hij met wijwater en prevelde hij gebeden.
'Ik heb vaak van uw brief verteld', zei hij, 'ik ben heel blij voor uw familie.' Ik dacht dat hij zich vergiste en zei: 'Maar mijn vader is gestorven.' Padre Roca haalde zijn schouders op. 'Dat was Gods wil. Maar de tumor was wel verdwenen, toch? Kardinaal Bernadin. Uit Chicago. Die kwam hier en vroeg of ik hem naar de aarde wilde brengen. Ik bracht hem naar de pocito en ging weg. Een kwartier later kwam hij glimlachend terug, vredig. 'Ik heb gekregen wat ik zocht', zei hij. 'Hij was niet genezen', zei ik. Padre Roca glimlachte. 'Precies.'
Ik bleef twintig minuten bij padre Roca. Hij vertelde van het kruis dat er was gevonden. Hij vertelde van de wonderen, waar hij persoonlijk getuige van was geweest: de vrouw die zo ziek was dat haar zoon haar naar de pocito moest dragen, maar die op eigen benen terug liep. De jongen die kwam bidden, voordat hij zich in wanhoop van de berg ging storten, maar die na zijn gebed bij de pocito besloot naar zijn vrouw en kind terug te keren. Voor padre Roca zijn de wonderen van El Santuario de Chimayo niet louter concreet. Het zijn eerder wonderen van innerlijke verandering. 'Er is iets heel bijzonders aan dit oord', zei hij.
Later liep ik terug naar het zaaltje met de ex-voto's en het nog kleinere zaaltje met de pocito die elke dag door de huishoudster wordt bijgevuld. Daar bad ik, een dankgebed voor de wonderen die me sinds mijn laatste bezoek aan Chimayo waren overkomen: gezondheid, de liefde van mijn kinderen en mijn man, de intimiteit van mijn familie en tot slot de moed om te accepteren wat op mijn weg kwam. Als iemand bij mijn eerste bezoek aan het heiligdom tegen me had gezegd dat het wonder dat ik zou ontvangen gemoedsrust zou zijn, zou ik kwaad zijn geworden. Maar wonderen zijn er in vele gedaanten, zowel concreet als geestelijk. Voordat ik El Santuario verliet, haalde ik opnieuw een plastic zakje uit mijn jaszak om het te vullen met aarde. Onlangs had mijn tante te horen gekregen dat ze longkanker had. Ook zij had behoefte aan een wonder.
Ann Hood in Double Take



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.