Het verval van de gemeenschap
Bowlen doe je niet alleen.
Marco Visscher
| 38 mei/juni 2001 issue
Wat hebben een zangkoor, een biljartcompetitie en een bezoekje aan de buren met elkaar gemeen? Ze kunnen de democratie redden. Dat beweert Robert D. Putnam, politicoloog aan Harvard. Zijn belangwekkende studies naar de afbrokkeling van de betrokkenheid in westerse samenlevingen hebben zo langzamerhand de politiek bereikt. Eind maart was Putnam te gast op Downingstreet 10 bij Tony Blair, ter gelegenheid waarvan New Statesman (12 maart 2001) opmerkte, dat een politiek wetenschapper zelden zo populair is. Want Putnam heeft niet direct een economisch verhaal te vertellen. Hij doet onderzoek naar familiebanden, vriendschap en vertrouwen in de medemens. Geen alledaagse trefwoorden voor regeringleiders.
Een greep uit Putnams bevindingen:
· de keren dat een Amerikaans gezin samen aan tafel zit voor het avondeten, is de afgelopen 25 jaar met een derde afgenomen;
· de keren dat mensen thuis vrienden ontvangen, is met 45 procent afgenomen;
· de keren dat mensen een petitie tekenden, is met dertig procent afgenomen.
Putnam bezocht Groot-Brittannië, omdat hij een nieuw boek uitbracht: Bowling Alone: The Collapse and Revival of American Community (Simon & Schuster, 2000). De titel verwijst naar een typisch Amerikaans verschijnsel: waar mensen dertig jaar geleden in competitieverband speelden, bowlen ze nu in hun eentje. Of beter gezegd, ze bowlen wat vrijblijvend met vrienden of collega's als het hen toevallig uitkomt. Lekker onbelangrijk, zo lijkt het, maar dit dunne gegeven symboliseert een immense verandering in de gehele samenleving. Bowlen zonder competitie staat voor het uiteenvallen van instituties waarin mensen kunnen samenwerken om effectief een gezamenlijk doel te bereiken, waar iedereen beter van wordt. 'Sociaal kapitaal', noemt Putnam dat. Het verlies daarvan is funest voor de samenleving, de gemeenschap en het individu, betoogt hij. De consequentie ervan is dat mensen minder vaak stemmen en dat de democratie vervlakt. Voor wijken betekent het verlies aan sociaal kapitaal: meer criminaliteit, lager onderwijsniveau, meer tienermoeders, meer gevallen van zelfmoord en meer kindersterfte. Sociale contacten betekenen tevredenheid en gezondheid. Niet voor niets had Putnam tijdens zijn vele gesprekken met Bill Clinton al eens gezegd: 'De kans dat je volgend jaar zal sterven, neemt met de helft af als je je aansluit bij een groep. En die kans is nog eens half zo klein als je lid bent van twee groepen.'
Het is verleidelijk nostalgisch te worden bij dit onderwerp. Vroeger waren de mensen ten minste aardig voor elkaar, vroeger zat het hele gezin altijd gezellig te ganzenborden. Putnam weerstaat het adagium dat vroeger alles beter was. Hij wijst erop, dat de Amerikaanse geschiedenis golfbewegingen laat zien in burgerlijke betrokkenheid. Zo bezien beschrijft hij geen alsmaar dalende lijn, maar een dipje in een golfbeweging. Dat doet hij door te tellen. Worden buurtverenigingen echt minder bezocht dan vroeger, of lijkt dat maar zo? Kenden we onze buren vroeger eigenlijk wel zo goed? Was het hogere aantal mensen dat kwam stemmen, ook meer geïnteresseerd in politiek? En misschien bowlen we niet meer in competitieverband, omdat we een abonnement bij de fitnessclub hebben? In zijn aanpak toont Putnam zich een begaafd sociaal wetenschapper die een hoge academische standaard ook nog eens combineert met een vlotte schrijfstijl.
Net als bij de moord in de Orient Express kent deze ontwikkeling veel verdachten en schuldigen. Tijdgebrek, vooral in gezinnen met twee inkomens, is de meest voor de hand liggende verdachte, al is er geen sluitend bewijs. Vermoedelijk is tijdgebrek op z'n slechtst een medeplichtige. Ook de veranderende samenstelling van huishoudens - meer alleenstaanden, meer echtscheidingen, meer ongehuwde stellen zonder kinderen - zijn niet meer dan een marginale factor. Sterker nog, married with children betekent vooral: minder sporten, minder politieke activiteiten en minder culturele verenigingen. Belangrijker blijkt de opkomst van de saaie voorsteden, waar weinig te beleven valt. Dat belooft nog wat voor de Vinex-wijken in de Nederlandse slaapstadjes. Ook ontsnapt elektronisch vertier als de computer en de televisie niet aan de whodunnit. De spelshows, soaps en films dragen volgens Putnam voor vijfentwintig procent bij aan het verval van de gemeenschap. En verder is de generatieverschuiving buitengewoon belangrijk geweest. In de jaren veertig, vijftig en zestig is de basis gelegd voor een uiterst betrokken samenleving, maar de babyboomers en generatie X'ers leven eenvoudigweg in een dynamische wereld die zo snel is veranderd, dat de traditionele samenscholingen niet meer passen in hun leven.
Putnam is een optimist. Al die sombere data waar hij jarenlang mee bezig is geweest, hebben hem niet cynisch gemaakt. Hij ziet dat hij niet alleen sociaal wenselijke antwoorden krijgt, als mensen hun bezorgdheid uiten over het verval van hun buurt en de vervlakking van de democratie. Velen van hen zijn juist op zoek naar manieren om blijk te geven van hun betrokkenheid.
Daar ligt een uitdaging die Putnam graag verkondigt in de politieke walhalla's, waar hij wordt genodigd. Politici zouden een klimaat moeten scheppen waarin het sociaal kapitaal kan floreren. In zijn boek ontvouwt Putnam een agenda, waarin een aantal aardige aanbevelingen staat. Hij pleit ervoor dat scholen niet alleen uitleggen hoe een wetsontwerp uiteindelijk wordt aangenomen, maar ook leren, hoe je effectief kunt bijdragen om het leven in de gemeenschap te verbeteren. Zo heeft Putnam een inspirerende blauwdruk geschreven voor een samenleving die opkrabbelt uit een crisis. MV