Email   Print

De zen van Leonard Cohen

Hij zwalkt tussen een existentialistische hippie en een geleerde uit de Oude Wereld. Sommigen beschrijven hem als een listige coyote, anderen roemen zijn aardigheid en bescheidenheid. Als dichter en zanger behaalde hij alle roem en onderscheidingen, maar zijn geluk ligt op een berg waar slechts een enkeling komt. Een ontmoeting met Leonard Cohen en een gesprek over 'wat jij in je goedheid mijn carrière wenst te noemen'.

| 37 maart/april 2001 issue

In een sober zenklooster bij de top van Mount Baldy heeft de lange tijd genotzuchtige, seksbeluste dichter eindelijk een zielsverwant gevonden. Terwijl in de bergen de duisternis invalt, stuur ik mijn auto van de hoge, bochtige weg naar een met stenen bezaaide parkeerplaats en er komt een man naar buiten om me te begroeten: een oudere man, licht gekromd, met een gladgeschoren hoofd, een rafelige zwarte mantel om, een wollen muts op en een bril. Hij steekt zijn hand uit, maakt een buiging voor me, pakt mijn koffer op en gaat me voor naar een houten blokhut. Hij uit zijn bezorgdheid over mijn 'lange rit', vraagt of ik me hier zal kunnen redden, zet een pot hete thee en snijdt wat vers brood voor me. Terwijl de nacht valt, zegt hij mij te doen alsof ik thuis ben en praat over een jonge vrouw met wie ik volgens hem zou moeten trouwen. Aangezien ik kleding nodig zal hebben om deel te nemen aan de beproevingen waarvoor hij me heeft uitgenodigd, neemt deze oudtestamentische heer me vervolgens mee de kille nacht in zonder enig licht, om voor mij een mantel, een muts en een paar canvas instapschoenen te gaan halen.
Zijn huis is opvallend eenvoudig, met een kleine zwarte mat waar WELKOM op staat voor zijn deur. Binnen een smal eenpersoonsbed, een klein spiegeltje, een vies oud tapijt en een afbeelding van een stel pups dat ligt te ravotten onder het opschrift 'Alle vrienden zijn welkom'. Verder naar binnen liggen er een schaar, een paar papieren zakdoekjes, een kleine schoudertas met een label van de luchtvaartmaatschappij Virgin en staat een menorah boven op een ladekast. 'Dit huis is een trip van jewelste', zegt hij met een glimlach. 'Je treedt een soort science-fiction-heelal binnen, zonder einde of begin.' Het valt me op dat zijn eigen, rafelige mantel bij elkaar wordt gehouden met veiligheidsspelden. De kleine Technics synthesizer in de volgende kamer is niet ingeplugd. Hij gaat me voor het donker in en beklimt een steile weg naar een plek met hoge sparrenbomen, het silhouet van monniken in de verte, en wel duizend sterren. We stappen een koude, lege ruimte binnen en hij doet me voor hoe ik moet zitten. 'De onderste helft - de benen - moeten erg krachtig zijn', zegt hij. 'En de rest totaal vloeiend.' Als mijn houding ten slotte bruikbaar wordt gevonden, neemt hij me weer mee langs de duistere bergen naar de zendo, of meditatiehal, die een deur verder ligt. Daar zitten pakweg dertig figuren, allemaal in het zwart, stokstijf stil in de nacht. Ze zijn bijna aan het eind van een winterse periode van afzondering, de rohatsu, waarin ze zeven dagen lang vrijwel ononderbroken zo blijven zitten. Tussen de rijen lopen monniken met een stok, klaar om iedereen een tik te geven die dreigt in te dutten. Na ongeveer drie kwartier mogen de deelnemers telkens even uit hun zazen-houding komen om in het bos hun behoefte te doen in een emmer, of in ruwe plees die in de hele zengemeenschap bekend en gevreesd zijn. Maar de pauzes worden doorgaans gebruikt om de meditatie zonder onderbreking voort te zetten, waarbij ze in trance talloze rondjes om een centrale sparrenboom lopen, in een zwijgende ganzenmars. Het valt me op dat mijn gastheer waarschijnlijk zo'n dertig jaar ouder is dan het merendeel van de jonge mannen en vrouwen die aan het ritueel meedoen, met hun frisse gezichten. Maar bij het lopen rond de boom, op topsnelheid, lijkt hij ook ten minste dertig jaar sterker.
Ik keer terug naar mijn blokhut om een beetje te slapen, maar om twee uur 's nachts wordt er geklopt, een zaklantaarn schijnt in het donker en daar staat die oudere man die zo aan een rabbijn doet denken, klaar om brokkelige steenpaden te bestijgen en mee te doen aan het ochtendgezang. Pakweg een half uur lang rept het verzamelde gezelschap zich, op de maat van een zeer regelmatig geslagen trommel, door vierentwintig bladzijden vol Japanse lettergrepen die het volstrekt niets zeggen, terwijl mijn gastheer - en velen met hem - de complete Heart Sutra uit het hoofd reciteert. Dan brengt hij me door de nachtelijke vrieskou terug naar zijn hut, om me de tekst uit de negende eeuw te tonen die we binnenkort zullen horen als onderwerp van een teisho, of zenmonoloog, Het is een onverschrokken tekst, opwekkend als een onverwachte dreun op je schedel. 'Het enige dat je ooit door zoeken zult vinden,' waarschuwt zenmeester Rinzai, 'is de geest van een wilde vos.'
Het licht is teruggekeerd boven deze sobere nederzetting en de enorme rotsblokken buiten mijn kamer lijken verzonken in de sneeuw. Dan hoor ik weer iemand kloppen en ik loop weer achter mijn slapeloze gastheer aan naar boven, door de zwart-witte stilte, om te luisteren naar de dagelijkse toespraak die de roshi, de leraar binnen deze gemeenschap, zal houden. Er komt een kleine ronde gestalte binnen, gehuld in ruime oranje gewaden en twee assistenten helpen hem op een soort troon te gaan zitten. 'Wat is dat toch, die liefde?' zegt de man en gebruikt daarbij de verouderde intonatie van zijn dialect uit het noorden van Japan, met behulp van een tolk, gniffelend, maar zonder enige aarzeling. 'Een kind kan vriendschap sluiten met een hond en er het achterwerk van likken. Is dat liefde? Is het liefde als je elkaar een hand geeft? Honden, katten en insecten copuleren. Is dat liefde?' 'Je bent gehypnotiseerd', gaat hij verder. 'Je moet met je gedachten naar de wasserette. Voor een schoonmaakbeurt.' En tot besluit zegt hij: 'Als een man bij een vrouw is, moet hij haar volledig in beslag nemen.' Na afloop stappen we naar buiten, waar de dag nu oogverblindend is, uit een strakblauwe lucht.

'Negen uur,' zegt Leonard Cohen met een doordringende twinkeling in zijn ogen, 'en we hebben vandaag al verschillende levens geleefd.' De 'Lord Byron van de rock-'n-roll', zoals hij nog te vaak wordt genoemd, is altijd een man vol verrassingen geweest - zozeer zelfs dat hij door velen (waaronder soms zichzelf) wordt gezien als iemand die zich behendig weet te vermommen. Het leven van Cohen was altijd mythisch op het gevaarlijke af - van het huis dat hij in 1960 kocht op het Griekse eiland Hydra met behulp van een erfenis van 1.500 dollar, via zijn schokkende weigering van de Prijs voor Poëzie in de Engelse Taal van de Canadese Gouverneur-Generaal, toen hij pas 34 jaar was, tot de wilde benevelde tijden in het Chelsea Hotel in New York, het Château Marmont en de andere heilige altaren van liederlijkheid. Zelfs degenen die er niet van opkeken dat dit oersymbool van de Zoekende Jaren Zestig plotseling, en met een luide grom, eind jaren tachtig in de schijnwerpers terugkeerde om vervolgens weer alle prijzen in de wacht te slepen, zouden overdonderd kunnen zijn als ze een paar van zijn hoogstandjes zouden vernemen. Dat hij een korte film, I am a Hotel, heeft geschreven, van muziek voorzien en geregisseerd, waarmee hij een Gouden Roos won op het internationale filmfestival in Montreux. Dat hij twee weken lang voor de Israëlische soldaten van Ariel Sharon heeft opgetreden, tijdens de voorbereidingen van de Yom Kippoer-oorlog. Dat hij in een aflevering van Miami Vice de hoofdcommissaris van Interpol heeft gespeeld. Maar menigeen zou in opperste verbazing verkeren als bekend werd dat deze ultieme vrouwenversierder en schorre dichter van het grauwe morgenlicht nu het hele jaar door verblijft in het zenklooster van Mount Baldy, een kleine tweeduizend meter boven de zeespiegel, in het donkere San Gabriel Gebergte achter Los Angeles. Hij is daar het hulpje van een Japanner van 92 jaar, in de rol van 'kok, chauffeur, en soms drinkebroer', zegt hij. Hij wisselt maar weinig woorden met hem. Cohen blijkt al sinds 1973 bevriend te zijn met Josju Sasaki, ook al heeft hij er weinig ophef over gemaakt.
Ingewijden kunnen alleen maar verwijzingen vinden naar dit deel van zijn bestaan in een tweetal obscure opschriften in zijn boek uit 1978, Death of a Lady's Man, en sporadische liedjes - zoals If it Be Your Will - die net als zijn bundel psalmen uit 1984, getiteld Book of Mercy, absolute onderwerping verwoorden. Behalve zijn zoon van 26, Adam, en zijn dochter van 23, Lorca, lijkt de Japanse roshi de enige ankerplaats te vormen in het eeuwig wervelende leven van Cohen. Hij begeleidt nu de man die hij zijn vriend noemt naar zenkloosters van Wenen tot Puerto Rico en ondergaat maandelijks een periode van meedogenloze afzondering, waarbij hij uitsluitend in zazen-houding zit, vierentwintig uur per dag, zeven dagen achter elkaar. De rest van de tijd werkt hij in en om het zenklooster, schept de sneeuw weg, schrobt de vloer, en werkt - met enorme geestdrift - in de keuken (hij vertelt me met een ondeugend soort trots dat hij een diploma bezit uit San Bernadino County, dat hem bevoegd verklaart om werk te zoeken als ober, buschauffeur of kok). Voor de monnik die hier bekend staat als Jikan (oftewel 'Stille Man') zijn de dingen waardoor hij beroemd is geworden, aan de kant geschoven - zijn woordkunst, sjieke pakken, zijn honger naar nieuwe ideeën, en het gemak waarmee hij als een hypnotiseur de wereld om zijn vinger wond. 'In de zendo verdwijnt dat allemaal', vertelt hij me zonder veel spijt. ('Dat' verwijst dan, neem ik aan, naar zijn naam, zijn verleden, het leven dat hij in zich meedraagt.) 'Het valt je niet op of een vrouw mooi of lelijk is. Of een man vies of lekker ruikt. Bij iedereen naast wie je zit, let je alleen op zijn pijn. En als je zit, voel je niets anders dan die pijn. En soms gaat het weg, en dan komt het weer terug. En je kan aan niets anders denken. Alleen maar die pijn.' Hij stopt even. 'En uiteraard geldt hetzelfde voor andere soorten pijn, zoals een gebroken hart.'

Het idool dat werd gefêteerd en bewonderd door uiteenlopende mensen als prins Charles, Georges Pompidou, Joni Mitchell en Michelle Phillips, de regelmatige bezoeker van de top van de Europese hitlijsten, waarvoor niet één ere-cd werd gemaakt - zoals voor de meeste legenden - maar over de hele wereld een stuk of twaalf, de Officier in de Orde van Canada, die onlangs in de United States of Poetry werd omschreven als 'misschien wel de meest succesvolle dichter op het Amerikaanse halfrond', lijkt hier goed te gedijen. Hij is nu te gelukkig om nog te schrijven, zegt hij kort nadat ik ben aangekomen (hoewel hij me een dag later dingen laat zien waar hij nu aan werkt, aanzetten voor een tweede Book of Longing). En hoewel zijn gezicht je nog steeds opvallend sterk doet denken aan Dustin Hoffman - vooral als hij de rol van Harold Bloom zou spelen - duikt hij flink diep weg in zijn muts met wollen balletjes aan de rand, die hij 'in opdracht' van zijn roshi moet dragen. 'Deze hele training is voornamelijk bedoeld om je de stuipen op het lijf te jagen', zegt hij blijmoedig. 'Maar in zo'n verschrikking gaat een hoop winst verscholen. Je wordt zo erg direct naar een bepaalde plek gebracht.' Het is niet zo dat Cohen de wereld geheel verzaakt - hij bezit nog steeds een flat die hij met twee vrienden heeft gekocht vlak bij de joodse wijk van Fairfax (waar zijn dochter tegenwoordig woont), en toen ik om twee uur 's ochtends bij hem langs ging, hoorde ik in zijn slaapkamer het krakerige geluid van een transistorradio. De man met een gave om de tijdgeest precies aan te voelen, schrijft nog steeds nummers die te horen zijn op de soundtrack van Oliver Stone's superieure film Natural Born Killers, verscheen niet lang geleden aan de zijde van Rebecca De Mornay op diverse societyfeesten in Hollywood en vormde de inspiratiebron voor een nieuwe generatie van schrijvers van grungemuziek - zozeer dat Kurt Cobain die vermaarde regel zong: Give me a Leonard Cohen afterworld so I can sigh eternally. Maar niettemin slaagde hij erin om naar Los Angeles te komen, brandpunt bij uitstek van oppervlakkigheid en egocentrisme en maakte het tot een oefening hoog in de kille bergen, veeleisender dan het leger je kan bieden.

Bijna een halve eeuw lang komt hij in beeld en verdwijnt weer, speelt hij zijn spelletjes met het fenomeen dat we kennen als 'Leonard Cohen'. Je hebt het kleine joodse jongetje uit de gegoede burgerij, dat les neemt in hypnose, een country-and-western-bandje vormt, The Buckskin Boys, Engels studeert aan de McGill Universiteit en rond middernacht gedichten zegt op jazzmuziek als een soort winterse Jack Kerouac. Dan de iets oudere figuur, met uiterste zorg aan lager wal en inmiddels de schrijver van zes boeken toen hij zijn gedicht Suzanne per telefoon voor Judy Collins zong en zij hem uiteindelijk kon overhalen om het zelf te gaan zingen. Zo trad deze onzeker lijkende theoloog op tijdens het Monterey Jazz Festival, het popfestival op Wight, en kwam hij bij de stal van John Hammond - de man die zowel Bob Dylan als Bruce Springsteen ontdekte. Vervolgens de toonaangevende jonge dichter in Canada die niet alleen college gaf over 'Eenzaamheid en Geschiedenis' en een complete opera componeerde in de versvorm van de Faerie Queene uit de zestiende eeuw, maar ook de rechten op Suzanne verspeelde, met als gevolg dat zijn eerste en meest vermaarde lied hem tot de dag van vandaag geen cent heeft opgeleverd. Hij woonde in de jaren zestig met zijn Noorse geliefde op het Griekse eiland Hydra. Hij regelde een 'klein kamertje, zo groot als een bezemkast' in het Chelsea Hotel, waar Joan Baez, Bob Dylan en Jimi Hendrix af en toe over de vloer kwamen. Hij nam een landgoed van 485 hectare over in Franklin, Tennessee (dat hij voor 75 dollar per maand huurde van de schrijver van het nummer Bye bye love) - en poseerde voor de fotograaf met een Stetson-hoed op. Hij werd gefileerd door de romanschrijver Michael Ondaatje in een literaire kritiek ter lengte van een heel boek, verkocht fragmenten van zijn werk aan het blootblad Cavalier, verscheen tijdens een concert op de rug van een witte schimmel en begroette het publiek in Hamburg met de kreet 'Sieg Heil!' Cohen leek er altijd in te slagen om het laatste woord te hebben. Eenmaal in de jaren negentig voerden kritische opiniebladen als Entertainment Weekly, die hem altijd een onweerstaanbaar doelwit hadden gevonden om af te schieten, artikelen met als titel 'Zeven redenen waarom Leonard Cohen net onder God eindigt'. De directeur van een zeer vooraanstaande uitgeverij in New York vertelde me een keer, dat Cohen 'het best ontwikkelde gevoel voor design heeft van iedereen die ik ooit heb ontmoet'. De man die al tien jaar lang niet live heeft opgetreden in New York, stond zeventien weken achter elkaar nummer 1 in Noorwegen. Zelfs de New York Times, vijfentwintig jaar lang zijn nooit aflatende tegenstander, besloot in 1995: 'Als je alles op een rijtje zet, is hij wel behoorlijk uniek.'

Nu zitten we op een koude decembermorgen in zijn blokhut, hij slurpt zijn koffie uit een beker met het logo van The Future erop, met naast zich de dikke schriften waarin gedichten staan van honderden coupletten lang, die vaak worden ingedikt tot één enkel liedje met zes coupletten. Waar we zitten, staat om ons heen bijna niets anders dan een fles water, een stel kaarsen, een tandenborstel en een afbeelding van de gevleugelde Nikè, gestoken in een lichtschakelaar. Hoogstwaarschijnlijk heeft Cohen inmiddels zes dagen niet geslapen. 'Het heeft ons gedwongen om kunst te gaan maken', zegt hij, want het thema van De Ander is weer zijn stokpaardje. 'Ik bedoel, het is zo verwarrend, de vernederingen, de talrijke momenten van triomf en het is zo'n hachelijke onderneming. Ik bladerde net mijn schriften door en ik kwam iets aardigs tegen. Er stond: "Ik stak van wal op zoek naar liefde, maar wist niet dat de onderstroom me in zijn greep zou krijgen. Om aan land te worden gespoeld, waar de zee wel heen moet gaan, met een kind in mijn armen en een kilte in mijn ziel, met een hartje zo groot als een bedelnap".' En zelfs op deze verheven uitkijkpost, waar weinig meer zichtbaar is dan rotsen, bomen en hier en daar een bordje 'Verboden Sneeuwballen te Gooien', ontkent hij niet dat zijn 'starre zelf' op hem wacht zodra hij van de berg afdaalt.
Hij doet zelfs enorm zijn best om zijn aanwezigheid op de bergtop te bagatelliseren. 'Iedereen is hier gestoord en wanhopig', zegt hij stralend. 'Daarom zijn ze hier namelijk. Je zoekt zoiets niet uit als je niet ten einde raad bent.' Hij zit vol welgemikte spotlust, tactiek en een ondermijnend soort losgeslagen wijsheid - een van de argumenten om twee jaar geleden monnik te worden, zegt hij, was dat 'Roshi dat van me vroeg om belastingtechnische redenen'. Maar toch zie ik keer op keer iets bij hem doorschijnen dat me ontroert en volkomen oprecht op me overkomt. Ik besef dat Leonard Cohen werkelijk, werkelijk probeert, met heel zijn lichaam en ziel, om zichzelf net zo rigoureus te vereenvoudigen als zijn woorddronken poëzie. Een keer praten we bij zonsopgang over Van Morrison en Norman Mailer en dat 'leven in Engeland net zoiets is als leven in een savooienkool.' Cohen vertelt over Cuba in de periode vlak na de revolutie, toen hij met zijn kaki korte broek van het Canadese leger aan en een kampeermes bij zich over het strand liep, in de veronderstelling dat hij de enige Noord-Amerikaan moest zijn op het hele eiland en werd gearresteerd als eerste betrapte deelnemer aan een invasiemacht. 'Dus zo liep ik daar dan op het strand in Varadero, mijmerend over wat de toekomst brengen zou, en ineens was ik omsingeld door zestien soldaten met geweren. Ze arresteerden me, en het enige Spaans dat ik toentertijd kende was Amistad de pueblo. Dus ik bleef maar zeggen 'Amigo! Amistad de pueblo!' en uiteindelijk groetten ze dan toch terug. Ze gaven me een halsketting van schelpen en eentje van kogels, en toen was alles dik voor elkaar.' En plotseling houdt hij op. 'Hoe laat is het?' Ik geef antwoord, en hij zegt: 'Ik moet niet mijn avonturen zitten vertellen als we zo meteen naar een fantastische teisho gaan luisteren.' En Leonard Cohen versmelt weer met de discipel binnen zijn zwarte mantel en hult zich in eerbiedig stilzwijgen.

Een volgende dag brengt een volgend verhaal, kort, abstract en bijna zo mythisch als al zijn gezangen over offers op het altaar van de schoonheid. Uit zichzelf vertelt hij me ineens over zijn laatste vriendin. 'Toen ik Rebecca (De Mornay) tegenkwam,' zegt hij, 'gingen er allerlei gedachten door mijn hoofd, wat nogal logisch is als je zo'n prachtige vrouw tegenover je hebt. En ze bleven maar door mijn hoofd zigzaggen. Maar zij liet het niet verder gaan dan daar: mijn hoofd. Behalve dat het toch gebeurde. En uiteindelijk begreep ze dat ik een gozer was die nooit af zou komen.' 'Af zou komen?' 'Zoals een echtgenoot wezen en nog meer kinderen maken en dat soort dingen.' Hij houdt even stil. 'En ze had natuurlijk gelijk. Maar ze was aardig en kon het me vergeven. Ik heb onlangs met haar ontbeten, en ik heb tegen haar gezegd: "Ik weet waarom je me hebt vergeven. Omdat ik het echt, echt heb geprobeerd." En zij zei: "Ja."' Einde verhaal, eind van het liedje.
Ik luisterde betoverd tegen mijn wil door deze man met zijn foutloze manieren en de zeldzame woordkeus van een dichter, die zwalkte tussen de existentialistische hippie en de geleerde uit de Oude Wereld, nu eens pratend van 'poen' en 'een blowtje' en 'geen gezeik aan je kop', dan weer op hoge toon over 'oerhistorisch' en 'affreus' en 'benauwenis'. Bij tijd en wijle zag ik de listige coyote die meer dan dertig jaar de media had bespeeld in actie. Ik voelde me bijna ongemakkelijk juist vanwege zijn aardigheid, zijn openheid, zijn voorkomendheid. Hij bleef me maar voortdurend bedanken dat ik 'zo aardig was geweest om hier te komen' en trachtte al mijn wensen te vervullen alsof ik de beroemdheid was en hij de onbeduidende journalist en had het over 'wat jij in je goedheid mijn carrière wenst te noemen'. Ik voelde dat er iets buitensporigs kleefde aan zijn bescheidenheid, hoe hij in ongemeen fraai geformuleerde en gevatte zinnen zijn gebrek aan welsprekendheid en gevatheid beklaagde ('Neem me niet kwalijk. Als je mediteert krijg je dit soort momenten van wazigheid. Ze zeggen dat zazen kort geheugenverlies kan veroorzaken'), hoe hij na twintig jaar in Los Angeles beweerde niet te weten hoe lang je erover doet om naar Santa Barbara te rijden. Ik zag de doorgewinterde verleider, die onlangs nog door zijn vriendin Angelica Huston 'half wolf, half engel' werd genoemd en ontdekte dat hij net zo soepel 'op' en 'lichten' in één adem noemt als 'pelgrim' en 'tocht'. Een man die zo onberispelijk is wat kleding en gedrag betreft, zal zeker niet slordig zijn in de manier waarop hij zichzelf verbaal presenteert. Alleen was het probleem dat Cohen dit beter door leek te hebben dan wie ook. Hij vertelde me vrolijk: 'De zonde der trots manifesteert zich hier doordat we in het geniep denken dat we een soort mariniers van de spirituele wereld zijn: kraniger, roekelozer, gedurfder, moediger.' Als je hem naar zijn beginjaren vraagt, bekent hij: 'Volgens mij was ik meer geïnteresseerd in het leven als dichter en alles daaromheen, dan in de poëzie zelf.' Hij bestempelt zichzelf tot 'een van de grote huilebalken', en zegt dat de roshi soms naar hem kijkt en zegt: 'Hele wereld opgelet, meer boeddhisme nodig!'

Met het verstrijken van de tijd krijg ik werkelijk het gevoel, dat ik zie hoe een gecompliceerde man schoon schip probeert te maken. Een ziel die nog steeds is gekweld - en soms woedend - doet een heldhaftige poging om zichzelf te kalmeren. De dag gaat over in de nacht en dan weer in de dag, hij stelt zichzelf scherp en dan weer niet, als de zon achter de wolken, nu eens blakend van een doorschijnende intensiteit, dan weer veeleer de moeilijke piekeraar die je je bij zijn platen voorstelt. Ik weet nog dat een vrouw in New York tegen me zei: 'Hij is een tijger, een hele ingewikkelde man. Ingewikkeld op een heel volwassen manier. Ik bedoel, bij hem vergeleken is Dylan een klein kind.' De eerste keer dat ze hem ontmoette, complimenteerde hij haar met een boek dat ze had geschreven. Bij het vorderen van de maaltijd voegde hij eraan toe: 'Wat jij schrijft is een stuk interessanter dan wie je bent.' Wreedheid is altijd net zo'n ontregelend onderdeel van zijn bagage geweest als zijn perversiteit. Maar als ik praatte met de mensen met wie hij op tournee was geweest, leek het of ik met de apostelen zelf sprak. 'Ik denk niet dat ik ooit iemand heb ontmoet die zo welwillend, zo elegant, zo genereus is als Leonard,' zegt Perla Batalla, die al tien jaar bij hem zingt. 'Toen ik eenmaal met Leonard on the road was geweest, wou ik dat met niemand anders meer.'
Zijn andere achtergrondzangeres, Julie Christensen, liet haar pasgeboren baby thuis om met hem op tournee te gaan - ze had gezien hoe haar vriendinnen die bij hem in de band hadden gezeten, 'veranderd waren teruggekomen, filosofisch veranderd, echt op een soort hoger niveau van bewustzijn'. De vocaliste die jaren bij hem is geweest, Jennifer Warnes, heeft een hele cd met nummers van Cohen opgenomen, want ze vond dat het publiek die weer eens moest horen. Ze beweren allemaal, dat Cohen de zanger zich niet lijkt te onderscheiden van Cohen de zenstudent - hoe hij ze hetzelfde nummer liet zingen en zingen en zingen tot ze soms in tranen uitbarstten en ze afmatte met zijn onvermoeibare concerten van drie uur met twaalf toegiften. Maar ze praten stuk voor stuk over die tournees met hem alsof ze een soort geestelijke training waren. 'Hij besteedt evenveel aandacht aan de president van Amerika als aan iemand die hij net op straat tegen het lijf is gelopen', zegt Batalla en memoreert, dat hij als de eerste de beste roadie meereed in de toerbus. Anderen vertellen dat hij holde om aspirine voor ze te kopen als ze ziek werden, of hen 's avonds naar zijn hotelkamer haalde om warme chocolademelk te drinken, die hij klaarmaakte in de wastafel. 'In de stokoude concertzalen van Europa,' zegt Christensen, 'geven ze je het gevoel dat je moet rennen voor je leven als je niet de waarheid spreekt. Dat mysterie was groter dan ik, en als ik het had kunnen ontrafelen, was ik de grootste geweest.' En dan voegt ze er bijna verlegen aan toe: 'Ik dacht dat zulke uitspraken echt niet konden, tot ik op tournee ging met Leonard.' Batalla gaat soms thuis bij hem langs en zit dan samen met haar baas alleen maar te zwijgen.

En zo rijgen de dagen zich aaneen op de berg, en dagelijks verschijnt er bij zonsopgang een jeugdige monnik met een mooi gezicht bij mijn voordeur om een blad met eten te brengen. En elke dag bezoek ik Cohen in zijn blokhut, schenkt hij groene thee voor me in een wijnglas, of laat hij me tekeningen zien - naakten met vloeiende vormen en hologige zelfportretten - die hij op zijn computer heeft gemaakt. Of hij leest me gedichten voor over hoe het zelf uiteenvalt, uit een boek dat hij nu aan het samenstellen is. Ze klinken, net als al zijn beste werk, als liefdesliedjes en gebeden tegelijk, gericht tot een godin of tot God. Op een ochtend vind ik in zijn badkamer The Shambhala Dictionary of Buddhism and Zen. 'Grappig dat ze een onderscheid maken tussen boeddhisme en zen,' zegt hij als ik naar buiten kom. 'Want wat is het verschil?' Hij kiest de juiste zenoplossing en verdwijnt in de badkamer om de bekers te spoelen. Ten slotte zijn de 168 uur voorbij. Ik beklim de berg om met de andere studenten hun laatste zazen-sessie te delen en zie de sterren boven de sparren als een dichtere sluier dan ik ooit in dertig jaar in Zuid-Californië heb meegemaakt. Op dit moment zijn ze vrijwel allemaal zo uitgeput, dat ze bijna instorten - of inzien. Sommigen hebben een open wond aan hun voet, anderen dommelen voortdurend in, weer anderen stralen licht uit en zijn geladen als een stroomdraad. En dan wordt de stilte ineens doorbroken, om twee uur in de morgen tijdens de langste nacht van het jaar. Mensen beginnen te lachen en te praten en worden ineens weer wiskundeleraar en dokter en schrijver. Ze halen hun brieven op die zich maar opstapelden en drinken thee. En midden in die enorme verademing hoor je een vrouw jubelend zeggen, helemaal opgelucht: 'Nog beter dan drugs!'
Een tijdje later zijn we alleen en zegt Cohen: 'Ik vind dat we een erg belabberde tijd meemaken. Noch de literaire noch de muzikale ervaring heeft werkelijk de vinger aan de pols bij deze crisis. Zoals ik het zie, dobberen we midden in een zondvloed, een vloed van bijbelse proporties. Het speelt zich zowel buiten als binnen in ons af - op dit moment richt hij meer schade aan aan de binnenkant, maar sijpelt al door naar de dagelijkse werkelijkheid. En deze vloed heeft zulke gigantische en bijbelse proporties, dat ik zie hoe iedereen zich op zijn persoonlijke manier vastgrijpt aan een sinaasappelkist, een stuk hout. We drijven elkaar voorbij in deze kolkende rivier die vrijwel alle herkenningspunten omver heeft gespoeld en vrijwel alles wat we bezitten heeft uitgewist. En zelfs onder deze omstandigheden onderstrepen mensen nog steeds dat ze "vooruitstrevend" zijn, of "conservatief". Volgens mij zijn ze compleet geschift.'
Hij zegt ongeduldig dat hij natuurlijk ook niet kan uitleggen wat hij hier doet. 'Volgens mij weet niemand echt waarom hij wat dan ook doet. Als je iemand aanspreekt in de metro en je vraagt: "Waar bent u naar op weg - in de waarachtige betekenis van het woord?" Dan kan je niet echt een antwoord verwachten. Ik weet werkelijk niet wat ik hier doe. Het is vooral een kwestie van "wat moet ik anders doen?" Wil ik een soort Frank Sinatra worden, die werkelijk groots was, en moeten er uitgebreide retrospectieven van mijn werk worden gehouden? Ik ben er niet zo op gespitst om de oudste folkzanger ter wereld te worden.' 'Moet ik aan een nieuw huwelijk met een jonge vrouw beginnen en nog een gezin stichten? Ik had er de pest aan toen ik er midden inzat' - sarcastische bijgeluiden klinken door het gegrinnik heen - 'dus misschien zou ik me er nu beter bij voelen. Maar ik verwacht het niet.'
'Wat moet ik dan gaan doen? Nieuwe drugs uitproberen, nog meer dure wijnen inslaan? Ik weet het niet. Dit lijkt me de meest luxueuze en rijke reactie op de leegheid van mijn eigen bestaan. Ik vind dit een waarlijk diepgaande vorm van vermaak', zegt hij tenslotte. 'Geloof. Echt diepgaand en weelderig en heerlijk vermaak. Het echte feest dat voor ons klaarstaat, schuilt in deze bezigheid. Daar kan niets aan tippen.' Hij komt met zijn grootvaderlijke glimlach. 'Behalve als je op vrijersvoeten bent. In je jeugd hebben de hormonale driften hun eigen fascinatie te bieden.'
Voor ik wegga, vangt hij mijn blik en zijn stem wordt zachter. 'We zijn samengekomen rond een hele, hele oude man,' zegt hij, 'die morgen kan heengaan. En dat geeft wat wij doen een grote intensiteit. Iedereen, Roshi ook, oefent zich hier met een soort fanatieke toewijding. Dat raakt mijn hart. Ik ben er trots op deel uit te maken van deze gemeenschap.' Voor ik de volgende ochtend vertrek, nodigt de roshi mij en Cohen uit voor de lunch in zijn blokhut. Een maaltijd die op passende wijze bij elkaar is gesprokkeld, met pasta en een Indiase curry, in rust en eenvoud genoten in een kleine, zonovergoten eetruimte. Cohen zit volstrekt nederig en stil in een hoek, zoals altijd wanneer de roshi in zijn buurt is. Alle spanning is van zijn gezicht gegleden, alles aan hem is nu licht, als een helder glas ontdaan van zijn vloeistof. Dan vertelt hij me een beetje over de tijd dat hij geboeid was door Perzische miniaturen. Hij praat over de spanning die je bevangt bij een 'leven in een gesampelde wereld'. Hij ruimt de keuken op en vraagt heel zachtmoedig aan zijn oude vriend of hij niet moe is geworden. Als we naar het parkeerterrein lopen, komt er een vrouw aan die hem wil zeggen hoeveel zijn liedjes voor haar hebben betekend. Cohen schenkt haar zijn warmste glimlach en neemt afscheid van haar met een soort zegening. 'Een training zoals deze - en volgens mij zal iedereen hier hetzelfde zeggen - kun je alleen maar uit liefde doen', zegt hij. 'Dus als de roshi er niet was, zou jij hier ook niet zijn?' vraag ik. 'Zonder de roshi niet, nee.'

Ik begin de berg af te dalen, luister met nieuwe oren naar oude liedjes, en bespeur de schaduw van een oude Japanner in de liefdesliedjes en langzame nummers over 'de weinigen die wat je doet kunnen vergeven en een enkeling die het niets kan schelen'. Ik merk dat mijn hele verblijf daar me meer heeft aangegrepen dan wat ik ook de laatste jaren heb gedaan. Waarom? Voornamelijk omdat ik de sterke band voelde tussen Sasaki en Cohen, denk ik, waarbij ze beiden niets van elkaar leken te willen, terwijl ze elkaar dieper lieten kijken dan ze anders zouden doen. 'Roshi kent me zoals ik ben,' had Cohen gezegd, 'en hij wil niet dat ik iemand anders ben. Hij noemt me "Internationale Man, Cultuurman". Hij weet dat ik een "Internationale Man" ben.' En volgens de verhalen neemt hij alles aan wat Cohen hem brengt - zijn zelfzucht, zijn woede, ambitie en zonden - houdt ze hem allemaal voor, en accepteert hem desondanks. Het is ergens wel ontroerend. Deze man was de gekroonde hofdichter van de nooit-enthousiasten, heeft in al zijn 63 jaren nooit een vrouw gevonden om te trouwen of een huis dat hij niet heeft verlaten, was een kenner van verraad en zelfkwelling, stelde vijfentwintig jaar terug dat hij 'iedereen had verscheurd die bij mij in de buurt wou komen', en besloot zijn meest recente verhalenbundel met een gebed voor 'de onmisbaren die ik neersloeg voor wat levenswijsheid' - hij stuurde zeer zeker de hartslag van de wereld toen hij So long Marianne en That's no way to say goodbye zong. Nu heeft die man ten slotte iets gevonden dat hij niet zal opgeven en een liefde die hem niet in de steek laat. 'Roshi zei laatst iets tegen me dat me bevalt', zegt Cohen tegen mij, vlak voordat ik vertrek. 'Hoe ouder je wordt, hoe eenzamer en des te intenser de liefde die je zoekt.' Voor hen die oud zijn, intens en eenzaam, lijkt verandering niet de enig overgebleven liefdesdrank. 'Ik vind dit een waarlijk diepgaande vorm van vermaak', zegt hij tenslotte. 'Geloof. Echt diepgaand en weelderig en heerlijk vermaak.'



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.