Email   Print

De man die niet wist dat hij zijn mes had verloren

In 1958 liet de Britse antropoloog David Maybury-Lewis zich samen met zijn vrouw Pia en zijn eenjarige zoon Biorn door een klein vliegtuigje afzetten bij de indiaanse Xavante-stam in de binnenlanden van Brazilië. Zij bleven een jaar samen bij de toen nog zeer geïsoleerd levende stam.

Jurriaan Kamp | 36 januari/februari 2001 issue

'Die ochtend komt een Xavante het dorp binnenstormen. Hij heeft wilde zwijnen gezien. Iedereen raakt opgewonden. De mannen sprinten het bos in. Ik geniet juist van mijn ontbijt - cassavemeel gemengd met melk, het enige gerecht van het eentonige zout- en suikerloze menu van de Xavante waarop ik mij nog een beetje verheug. De sensatie wint van het eetgenot. Dit mag ik niet missen. De jacht op wilde zwijnen is spannend, maar zeldzaam, omdat ze in kudden rondtrekken. Als ik mijn ontbijt laat staan denk ik: wat een geluk dat ik dit avontuurtje ook mag meemaken. Maar aan het begin van de middag ren ik nog steeds door het bos - zonder een zwijn te hebben gezien - en het dringt tot me door, dat de Xavante voor een paar dagen op jacht zijn gegaan. Zij speuren geconcentreerd naar de sporen van de zwijnen en we raken snel verder en verder van het dorp.
Ik hield er niet van om met de Xavante te jagen. Ik had moeite om ze bij te houden en was doodsbang om te verdwalen. De Xavante hadden al gauw door, dat ik volkomen incompetent en hulpeloos was in het woud. Doorgaans waren ze dan ook zeer zorgzaam. Voor hen was ik een soort dorpsgek, ze maakten aldoor grappen over me. Maar het spel sterkte de vriendschap. Ze raakten vooral niet uitgelachen over het feit dat ik geen spoor kon volgen. Voor de Xavante is dat zoiets als het lezen van een boek. Iedereen kan een spoor volgen! Ze kijken naar de grond en zien of er zojuist een hert gelopen heeft of een stamgenoot een paar dagen geleden. Voor mij is de bosgrond een chaos, een ondoorgrondelijke massa van bladeren en takken waarin ik echt niets bijzonders zie. Ik verveelde me in het woud. Ik zag de dieren niet. De Xavante bespraken het kleurrijke theater om hen heen, maar als ze mij iets aanwezen, was het altijd al te laat. Ik voelde me als een blinde die door een drukke stad wordt geleid. De zintuigen van de Xavante zijn zo onbegrijpelijk veel beter ontwikkeld. Ik herinner me die ene keer, dat zij 's ochtends al de motorboot op de rivier hoorden naderen die mijn oren pas 's avonds registreerden - dat was trouwens ook de enige keer tijdens mijn verblijf bij de Xavante dat er een boot langskwam. Er wordt ook niet gesproken tijdens de jacht. Dat maakt jagen voor een antropoloog na een of twee keer een weinig zinnige bezigheid. Ik zat liever in het dorp te luisteren naar de roddels van een oude vrouw.
Ik wil dus terug naar het dorp. Een Xavante heeft een hert geschoten. Dat is mijn kans. Ik bied aan om het hert naar het dorp te dragen. Mijn aanbod wordt gretig aanvaard. Niemand wil de jacht op de zwijnen missen. Maar als ik vraag wie er met mij meegaat, blijft het stil. Als ik de vraag bezorgd herhaal, raken de anders zo vriendelijke Xavante geïrriteerd. Natuurlijk kun je de weg vinden, schreeuwen ze. 'Het spoor is zó breed.' Ze spreiden hun armen. Mijn geloofwaardigheid staat op het spel. Ik moet wel gaan. Ik leg het hert over mijn schouders en ga op pad met lood in mijn schoenen. De opgewonden Xavante verdwijnen naar alle kanten in het woud. Ik ben heel bang. Een tijdje gaat het goed en herken ik de weg die we gekomen zijn. Maar na het doorwaden van een stroom ben ik verloren. Ik raak in paniek. Kalm blijven. Les 1 uit de boekjes, weet ik met bonzend hart. Wijze raad. Maar hoe? En hoe luidt les 2? Volg het water, herinner ik me dan, en probeer een plaats te vinden waar mensen de stroom zijn overgestoken. Wanhopig stort ik me in het water en ik waad stroomafwaarts. Plotseling wordt de stroom heel diep. Ik kan niet meer staan. Ik klim op de kant, waar een nieuwe hindernis wacht. Op de oever is het gras hoog en zeer scherp. Waar moet dit heen? Mijn shirt scheurt. Zonde, ik heb maar twee shirts. Ik trek mijn shirt en broek uit en knoop ze om mijn hoofd. Nu striemt het gras mijn lichaam en op mijn huid vermengt mijn bloed zich met het stollende bloed van het hert. Uren later lijkt het, als ik langs het water twee Xavante-kinderen vind. Ik kan wel schreeuwen van geluk. Nog nooit heb ik zoveel van kinderen gehouden. Maar de martelgang blijkt nog niet voorbij. Want de kinderen rennen weg. Ze zijn bang voor me. Ik zie er bebloed en angstaanjagend uit. Dan besef ik dat ik naakt ben. Wat naakt? De Xavante lopen allemaal naakt, maar ze beschermen hun penis met een koker gemaakt van palmblad. Zelfs in de jungle kan een klein gebrek veel betekenen. Onfatsoenlijke man of niet, ik ren de kinderen achterna. Ze zijn mijn enige houvast. Pas als ik de omgeving van het dorp herken, neem ik de tijd om mijn broek aan te trekken. In het dorp staren de vrouwen mij ontzet aan. Mijn verhaal begrijpen ze niet. "Waarom heb je dan niet het spoor gevolgd?" Moedeloos verbijt ik me. Dan komt de vernederende climax. Waar is je mes, vragen ze. Ik grijp naar mijn riem, maar de schede is leeg. Ik heb mijn mes verloren op de waanzinnige tocht. Dat is helemaal onbegrijpelijk.
Steeds daarna als twee groepen Xavante elkaar ontmoeten, wordt mijn verhaal verteld. Ik kan het verhaal nu ook prachtig in Xavante voordragen. Een man staat op en vertelt van die blanke man die het spoor niet kon volgen. Het klinkt alsof het gaat over een dwaas die de A12 niet kan vinden. Er wordt gelachen. En dan komt het hoogtepunt: toen hij terugkwam in het dorp, was hij zijn mes kwijt. Bulderen. Een man, zo incompetent dat hij niet alleen zijn mes kwijtraakte, maar ook nog niet eens wist dat hij het had verloren.'



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.

   
kpeetoom, Ned