Email   Print

Omzien in roem

Succes lijkt soms toeval. Een vergeten boek - al bijna tien jaar oud en in de boekhandel niet meer te verkrijgen. Een boek waarvan de schrijver zelf de details van het verhaal is vergeten. Dat boek valt plotseling in de handen van een fenomeen. Een vrouw zo machtig en invloedrijk, dat ze een boek tot een bestseller maakt louter door de titel uit te spreken: Het gevolg van een ontmoeting met Oprah Winfrey.

Brett Lott | 34 september/oktober 2000 issue

Achteraf schrijf je alles op in de tweede persoon, zodat jíj het niet lijkt die zo klaagt. Zodat het niet klaaglijk klinkt. Je bent immers gezegend. Ja zeker, je bent gezegend. En nog weet je van niets en toch klinkt het klaaglijk van a tot z. Je bent aan boord van een Lear-zakenjet. Het is prachtig: zachte leren stoelen en beenruimte is geen punt, want er kunnen maar zes passagiers mee. Notenhouten kastjes met bier en fris, zakjes chips, blikken nootjes; drie kranten; een geluidsinstallatie en een keur aan cd's.
Je jongste zoon van dertien is er ook - uitgenodigd door de publiciteitsman van de boekwinkelketen waarvan het vliegtuig is. Vanmorgen zijn jij, je vrouw en je twee zoons naar het vliegveld van je woonplaats toe gereden en op het platform stond de Lear-zakenjet, waaruit eerst de publiciteitsdame stapte en vervolgens de piloten, die zich aan je voorstelden, en je vrouw en kinderen de hand schudden. 'Als u wilt mag u allemaal mee', sprak de publiciteitsdame. Maar omdat je oudste zoon van vijftien een basketbaltoernooi had en je vrouw hem moest rijden, bleef alleen je jongste zoon over - degene die er zijn zinnen, ziel en zaligheid op had gezet om piloot te worden. Degene met een kamer vol posters van vliegtuigen.
En nu vlieg je hier, boven de wolken, in een Lear-jet, je zoon zit op de cockpit-klapstoel, terwijl de publiciteitsdame je vertelt wie er allemaal nog meer in het bedrijfsvliegtuig heeft gevlogen: Tom Wolfe, Patricia Cornwell, Jimmy Carter. Je had nooit gedacht zoiets nog eens mee te maken. Natuurlijk heb je de hoop gehad dat je boek nog eens een bestseller zou worden, maar serieus was die hoop niet. Meer zoals je hoopt de loterij te winnen. Een mooie droom - maar niet iets waaraan je zelf veel kon doen, behalve zo goed mogelijk schrijven.

En schrijven deed je trouwens niet om in de toptien te komen, en nu - op 12.000 meter hoogte - knaagt er een schuldig gevoel, een besef dat je iets aan het doen bent wat eigenlijk niet mag. Met een Lear-jet naar een boekwinkel - vier boekwinkels in twee dagen - om er je boek te signeren dat acht jaar geleden is verschenen en al twee jaar niet meer leverbaar was. Een vier boeken oud boek, dat je morsdood waande en waarvan de laatste exemplaren bij de restanten lagen. Een boek over je grootmoeder die in de blokhut die je grootvader had gebouwd zes kinderen had gebaard en opgevoed - het zesde was in 1943 geboren met het syndroom van Down. Over de liefde van je grootmoeder voor dat kind en haar vaste wens om zich zo goed mogelijk door het leven te slaan. Een boek dat onlangs was bewierookt door een beroemdheid van een talkshow-gastvrouw. Nee, geen beroemdheid - een symbool. Nee, geen symbool, maar een Kracht. Een vrouw, zo machtig en invloedrijk, dat ze je boek een nieuw leven kon schenken louter door de titel uit te spreken.
Schuldgevoel, omdat het wel lijkt of je hier onrechtmatig zit. Terwijl het boek over je eigen familie gaat, heb je het moeten herlezen, voor het eerst sinds je negen jaar geleden de drukproeven corrigeerde en er zo genoeg van had dat je het, net als de andere boeken die van je zijn uitgegeven, nooit meer hebt ingezien. Maar dit boek heb je moeten herlezen om je te herinneren wie de personages ook weer waren, hoe al hun levens ook weer met elkaar waren verstrengeld. Zodat je wanneer iemand een vraag stelt in die televisieshow, de indruk zult wekken bij het publiek - wie zou er kijken? hoeveel mensen? - dat je op intieme voet staat met het boek, zijn sociale context, zijn historische en spirituele betekenis.

Tien jaar geleden heb je het geschreven. En gisteren ben je in het programma van die gastvrouw geweest.

Tom Wolfe, denk je. Jimmy Carter. En je beseft dat je volstrekt verkeerd gekleed bent, met je vaalgroene trui en kaki broek, je oude leren schoenen. Misschien had je een sportcolbert aan moeten hebben. En in elk geval een stropdas om.
Hier klopt niets van.
De publiciteitsdame praat verder en je knikt maar eens, terwijl je je afvraagt hoe je hier terecht bent gekomen. Het enige wat je weet is, dat je de eerste week van januari bent gebeld, dat de beller je had opgespoord, duizenden kilometers van huis, schnabbelend als gastdocent. De Kracht had je opgespoord, op een uitgesproken rotdag, en bracht nieuws dat je niet kon geloven. En nu staat je boek in de toptien.
Het vliegtuig strijkt moeiteloos neer, taxiet naar de privé-hoek van een vliegveld waar je wel eens eerder bent geland. En daar op het platform zie je een Mercedes-limousine staan. Je kijkt naar de versleten schoenen en die van je zoon. 'Toen we hier met Jimmy Carter waren, stonden ze twee straten ver in de rij', zegt de publiciteitsdame. 'Dit wordt heel mooi.'
Je bent de limousine al uit voordat de chauffeur het portier kan openhouden, omdat je hem niet het gevoel wilt geven dat je zo iemand bent die afwacht tot anderen de deur voor hem opendoen. Binnen in de winkel - baksteen, hoog, karakter - kondigt een enorme poster aan dat je komt signeren. En midden op de poster prijkt je foto, kolossaal en ernstig. Te ernstig. Dit ben jij niet, denk je. Die man die daar zo peinzend over de linkerschouder van de fotograaf staart, is iemand die als schrijver poseert.
Midden in de winkel staat een tafel vol stapels van het bewierookte boek en herdrukken van de andere. Overal zijn stapels van je boeken. 'Moet u zien', roept de winkelchef, wijzend als een spelshow-presentator op een rek paperbacks naast je - het bestsellerrek. 'U staat nummer één!' Je kijkt je zoon aan om te zien of hij al net zo onder de indruk is als jij zelf begint te raken. Hij lacht naar je, knikt naar de boeken, zijn wenkbrauwen opgetrokken. Hij is onder de indruk.
Je bent er. Het signeren is begonnen. Maar er zijn geen klanten. Je wacht en de chef maakt via de winkelluidsprekers je aanwezigheid bekend, vers van de talkshow, gisteren, op een landelijk televisienet. Dan komen er enkele mensen aanlopen over de lange, grijsblauwe loper. Ze glimlachen. Je staat op, omhelst ze, stelt ze voor aan je zoon. Je praat, nipt aan je koffie, praat verder. Praat die in het niet valt bij de grote vraag die niet wordt gesteld: Waar zijn de kopers? Eindelijk - het eerste kwartier van de twee-urige sessie is om - zie je een vrouw van middelbare leeftijd de startbaan op zwenken. Ze duwt een kinderwagen en je vermoedt dat ze een grootmoeder is met haar kleinkind, een koper, misschien de voorbode van andere kopers, wie weet zelfs een rij van twee straten ver.
Je lacht tegen die dame, die klant, terwijl ze zich langzaam over de buggy heen buigt en zegt: 'Dat is nou de beroemde schrijver, Sophie, de beroemde schrijver met wie Mammie je graag wil laten kennismaken.' Van tussen het beddengoed tilt ze, al koerend en luchtkusjes gevend, een hond. Een rat van een hondje met een roze strik in de dunne, bruine vacht tussen de puntoortjes. 'Sophie,' zegt het mens tegen de hond, 'vind je het goed als Mammie de beroemde schrijver vraagt om je even vast te houden?' Zonder nadenken strek je je armen uit en nu heb je Sophie vast. Je weet niets te zeggen. En naast je staat je zoon met zijn handen op zijn rug te kijken. Hij lacht niet, zijn mond staat strak. Zijn half toegeknepen ogen kijken je aan, onderzoekend, en ze zeggen, zodat alleen jij het horen kunt: 'Is dat nou wat er gebeurt als je beroemd bent?'

Iedereen is er, je huiskamer zit tjokvol vrienden en bekenden die over zijn voor het feest. Je komt op de talkshow van de Kracht, eregast is je boek. Je bent met de meeste aanwezigen al jaren bevriend en terwijl al die vrienden je zeggen hoe ze van je boek hebben genoten, zijn er momenten dat je ze vragen wilt: waarom heb je het niet gelezen toen het uitkwam, acht jaar geleden? Maar je blijft glimlachen en zegt dank je, dankjewel.
Ook vertel je ze, dat de Kracht onvoorstelbaar intelligent was, ontwapenend, écht, belezener dan jijzelf. Een intens écht mens. Zo was ze ook toen je haar hebt ontmoet, toen je twee weken geleden drie uur lang opnamen hebt gemaakt met haar en haar boekenclubgasten. Tijdens die middag zijn er momenten geweest dat je een heimelijke blik op haar wierp en bij jezelf dacht: dat is ze, ik zit naast haar. Momenten die je een moment later abrupt moest afkappen uit angst dat zulke gedachten je sprakeloos zouden doen staan - met beroemdheid geslagen - als je opeens iets zou worden gevraagd.
Dan begint het programma. Je wordt voorgesteld en dan zit je daar twee minuten lang te praten over je grootmoeder en je tante met het syndroom van Down, met een heldere kalme stem. Dan volgt er een serie familiekiekjes, een montage van beelden - de mensen over wie je hebt geschreven en wier levens nu aan de wereld zijn geopenbaard - en opeens besef je dat ze niets met jou te maken hebben. De foto's leggen enkel getuigenis af van het feit dat deze levens zich geheel los van jou hebben afgespeeld - het enige wat jij hoefde te doen, was ze te boekstaven en nu krijg jij de eer voor al die door anderen geleide levens.
De discussies met jou, de vier vrouwen en de Kracht begint. Je ziet - samen met alle mensen in je huis en elders in de wereld - hoe een drie uur durend gesprek wordt samengebald tot acht minuten, waarvan er zes worden besteed aan een vrouw die haar kind met Down-syndroom bij de geboorte heeft afgestaan wegens het 'levenslange' vonnis dat over haar werd geveld. Je hebt al geweten - op het moment dat haar stem haperde en brak - dat dít zou worden uitgezonden: de vrouw die huilde om haar afgestane baby en jou daarvoor bedankte. En je ziet jezelf knikken, peinzend. Ze maakt fantastische programma's, denk je. Deze vrouw, die hoegenaamd niets van je boek heeft begrepen.

Je neemt een poosje de telefoon aan, want er is iets vreselijks gebeurd op deze stralende, koude januaridag op deze campus in Nieuw-Engeland. Eerder op de dag heeft je agent je gebeld met de mededeling dat de roman die je net af hebt, flut is. 'Hoe kan dat nou? Waar had je je hart zitten?' heeft ze gezegd. Je hebt het zien aankomen. De roman was het vervolg op de vorige, die begin vorig jaar is verschenen en die het goed heeft gedaan - beter dan alle andere. De eerste, gebonden druk was in een paar maanden uitverkocht, dus vroegen ze of je een vervolg wilde schrijven. En je zei ja. Nu, tien maanden later, heb je te horen gekregen wat je altijd al geweten hebt: dit boek rammelt.
Je weet niets van schrijven.
Maar dat is niet de vreselijke gebeurtenis. Vroeg in de middag is een van de studenten in zijn kamer aangetroffen, dood. Niet een van dé studenten, maar een van jouw studenten. Een vriend. Hij is gevonden in zijn slaapkamer, waar hij de vorige avond met hoofdpijnklachten naar toe was gegaan. Hij is gevonden aan zijn bureau, met een van jouw boeken voor zich. Een van de minder bekende, een waar niemand iets in leek te zien. Hij is gevonden om 13.30 uur op deze blauwe januarimiddag. Nu is het 16.00 en er wordt gebeld.
'Ik bel uit Chicago', zegt de zakenstem, 'en mijn bazin werkt aan een project waar ze met u over wil praten. Ik moet haar uit een bespreking halen. Hebt u een ogenblikje?'
'Prima', zeg je. Er klinkt muziek op de lijn en dan zegt een stem die je vaag bekend voorkomt je naam, dan haar eigen naam, en dan schreeuwt ze: 'Dit wordt zo iets fantastisch!'
Wie is dit mens? Is het wie je denkt dat het is? Wie ze zegt dat ze is? 'Is dit een grap?' schreeuw je terug. 'Meent u dit serieus?' Hierom moet de belster - Zij - lachen en ze verzekert je dat het geen grap is en dat ze een door jou geschreven boek heeft gekozen tot haar boek van de maand, volgende maand. 'Dit is geheim,' zegt ze. 'u mag het aan niemand vertellen. We maken het over twaalf dagen bekend.'
'Mag ik het mijn vrouw vertellen?' weet je uit te brengen en ze zegt dat het mag en blijft nog wat aan het woord en dan ben jij aan het woord. Maar het enige dat je kunt verzinnen om te zeggen is: 'Er is vandaag een vriend van me overleden.' Maar je zegt het niet. Je praat over dingen die je je over vijf minuten niet meer zult herinneren. En dan is het telefoontje voorbij en je hangt op.
Vervolgens bel je je vrouw en vertelt haar van zonet. Je huilt - en lacht door je tranen heen - en je kijkt weer het raam uit en ziet dat het grauwviolet is overgegaan in een paars zo diep en zo reëel, dat je zeker weet dat het allemaal niet echt is gebeurd. Eindelijk begrijp je: dit is nu surreëel, een woord dat je duizendmaal hebt gehoord en gebruikt, maar nu pas krijgt het betekenis.
Een vriend is dood. De Kracht heeft gebeld. Een geheim is verkondigd. Een roman is reddeloos verloren.
Wat doet een boek ertoe?
Toch huil je, en je weet niet of het van verdriet of blijdschap is. Een tel later besluit je: van allebei.

Je nieuwste boek gaat min of meer naar de donder. De mist in. Het is het eind van de middag en jij en je vrouw zitten op vouwstoelen bij het voetbalveld te kijken naar je jongste zoon die bezig is aan een van de laatste wedstrijden voor Kerst, tevens de inlevertermijn voor je volgende boek. Het voorschot was maanden geleden al op. Je bent op. Maar er is meer aan de hand. En dat weet je vrouw en je kinderen weten het ook. Je bent boos, rancuneus. Je bent aan de laatste vijftig bladzijden bezig, maar je raakt het boek al kwijt - niet als zand dat door je vingers loopt, maar als ingeslikt gemalen glas. Dus als je je zoon ziet achterblijven tijdens een uitval, schreeuw je: 'Pak die bal! Zorg dat je aan de bal komt!'
Je vrouw kijkt je vanuit haar ooghoeken aan, zonder iets te zeggen. Je oudste zoon staat op van zijn vouwstoel en loopt weg met zijn vriend. Hij geneert zich. Je schreeuwt, nog harder: 'Zet 'm óp. Pák die bal!' Dit keer kijkt je jongste zoon over zijn schouder, ver weg, en zijn blik kruist de jouwe. Dan kijkt hij snel weer weg.
'Hij loopt er altijd maar zo'n beetje bij', zeg je tegen je vrouw, zachter, maar met opeengeklemde kaken. 'Het is altijd of hij alleen maar toekijkt.' En nu staat je vrouw op, pakt haar vouwstoel en loopt ermee weg. Er zijn belangrijker dingen, schreeuwt ze je toe door haar vouwstoel vijftien meter verderop te zetten. Er zijn belangrijker dingen dan een boek. Je kijkt naar rechts en ziet vlak buiten de zijlijn een blonde jongen staan - met zijn rug naar je toe. Hij praat in zichzelf, zachtjes. In zijn ene hand heeft hij een geel plastic honkbalknuppel, in zijn andere een fosforescerend oranje waterpistool. Dan draait hij zich om en je ziet dat hij het syndroom van Down heeft: amandelogen, dikke hals, open mond. Daar heb ik een boek over geschreven, denk je, over iemand met het syndroom van Down, mijn tante en haar moeder. De jongen laat pistool en knuppel met elkaar praten en intussen komen de schaduwen van de overkant van het veld naderbij. Nu weet je dat je van niets wist, toen je dat boek schreef. Het was een geschenk, dat verhaal over een moeder en dochter, maar ben je daardoor een betere vader voor je zoon geworden? Een betere man voor je vrouw?
Op dat moment kijkt de jongen om en ziet je kijken. Jullie blikken kruisen elkaar en je zegt: 'Hoi.' Je zegt het om aardig tegen hem te zijn, maar eigenlijk zeg je het om je eruit te redden.
Je moet alles nog leren.
Dit zal je behoud zijn. Datgene wat je tot nederigheid brengt: de wetenschap hóe weinig je nog maar weet, hóe ver je nog te gaan hebt. Zo ver, in de tweede persoon en achteraf, als toen op een voetbalveld in de namiddag, waar de schaduwen lengden.
Ik weet niets. Ik weet dat ik niets weet. Ik ben gezegend.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.

   
justin, USA