|
|
De prijs van roem
Bent u al beroemd? Marco Borsato is dat namelijk wél. En Daphne Deckers ook. En Henny Huisman. Wie hen op straat tegenkomt, heeft een goede dag - en een sterk verhaal op feestjes. Dus waarom zou u niet beroemd worden? Of heeft u het niet nodig om uw gevoelens van minderwaardigheid in de schijnwerpers te compenseren? Een ode aan onze sterren die voor het welzijn van de samenleving het offer van de vergankelijke roem brengen.
Zoals ik het nu zie, was het onvermijdelijk dat ik als kind bezeten was van het verlangen naar roem. Mijn vader werd beroemd toen ik in de puberteit was en zijn roem heeft sindsdien een schaduw over mij geworpen, met alle verwarrende en tegenstrijdige gevoelens die dat meebracht. Soms vervult het me van trots dat ik Erik Eriksons dochter ben, maar vaker overvleugelt het mijn zelfbesef, demoraliseert het me, fnuikt het mijn eigenwaarde en verlamt het me zelfs. Maar hoe het me van moment tot moment ook beïnvloedt, altijd is de roem van mijn vader aanwezig, als een krachtige factor in mijn leven. Daarom heb ik lange tijd gepoogd om vat te krijgen op de heftige emoties die met roem gepaard gaan, als een middel om me eraan te ontworstelen.
Natuurlijk heb ik er altijd naar verlangd beter te worden begrepen door de vele bewonderaars van mijn vader, die meenden dat ze precies wisten hoe het zou zijn om in mijn schoenen te staan, die me benijdden omdat ik de dochter van zo'n eminent psychoanalyticus ben. En ik ben ook bevoorrecht, maar niet op de manier die lijkt te stroken met het imago van mijn vader. Niet lang na het verschijnen van mijn vaders eerste boek Childhood and society (1950), nam ik een radicale omslag waar in de manier waarop mensen hem tegemoet traden en ook in de manier waarop hij hen tegemoet trad. Op elke bijeenkomst, hetzij sociaal hetzij beroepshalve, was hij het lichtend middelpunt van de belangstelling; mensen dromden zichtbaar opgewonden om hem heen en deden hun best onderling te converseren in de hoop hém in hun gesprek te betrekken. In zijn bijzijn werden ze vreemd kinderlijk: geanimeerd, alert, eerbiedig, verlangend naar zijn belangstelling en goedkeuring.
Vrienden en bewonderaars leken er allemaal op uit mijn vader te idealiseren, in hem iemand te zien die veel belangrijker en machtiger was dan zijzelf. Mensen vroegen me wat hij éígenlijk voor iemand was en ik wist dat ze van mij de bevestiging van hun fantasieën verlangden, en geen eerlijk antwoord. Ook gebeurde het wel, dat iemand erachter kwam dat hij mijn vader was en zei: 'Heus? Mag ik je aanraken?' - een wel heel rechtstreeks blijk van de magische krachten die ze aan hem toeschreven. Op zulke ogenblikken was ik weinig meer dan een geleider voor de magie van mijn vader. Dat was een van de vele manieren waarop zijn roem afbreuk deed aan mijn eigenwaarde en mijn gevoel 'er te mogen zijn'.
Mijn vader was een lange man met een indrukwekkende witte haardos, wat hem een gedistingeerd, waardig voorkomen gaf. Hij had vriendelijke ogen en een zacht gezicht. Hij leek de archetypische vaderfiguur: belangstellend, meedogend, wetend. Toen hij beroemd werd, verschafte hem dat een alles overstralend sociaal aureool, een ongewoon zelfverzekerde uitstraling en dat versterkte de fantasieën die men zich over hem vormde en de indruk dat hij zich even wijs en in harmonie met zichzelf voelde als zij hem zagen. Zijn uitspraken, ook de meest terloopse opmerkingen, beschouwde men als buitengewoon diepzinnig, louter uit eerbied voor hun bron. En mensen voelden zich vaak intens door hem begrepen, ook tijdens een kort gesprekje - de diepgang van zijn empathische reacties werd vermenigvuldigd door zijn aureool.
Toen ik eens een feestje gaf voor een aantal studievrienden, zag ik de opwinding in hun gezicht zodra mijn vader de kamer in kwam en ik zag de ommekeer die in hem plaatsgreep zodra hij tot het middelpunt van hun aandacht werd. Een spanning vonkte door de lucht, een gevoel dat er iets bijzonders stond te gebeuren. En omdat iedereen zich er zo op verheugde, gebeurde het dan ook. Het was een elektrisch geladen dans van een groep vervuld van de behoefte tot idealiseren en een man met een al even sterke behoefte om te worden geïdealiseerd. Was die dans eenmaal begonnen, dan rees bij mij weldra de vraag waarom ik toch had gedacht dat het ook voor mij een plezierig avondje zou worden. Ik voelde me door mijn vaders beroemdheid overstraald - niet aangestraald, zoals ik steeds had gehoopt, maar tijdelijk verduisterd.
De idealisering waarmee de roem van mijn vader gepaard ging, kwam me des te raadselachtiger voor, omdat hij als mens niet veranderd leek nadat hij beroemd was geworden. Voor zijn naasten was - en bleef - mijn vader een mens van normale statuur, geplaagd door dezelfde moeilijkheden met het leven waarmee hij ook al had geworsteld in de jaren voordat hij beroemd was. Hoe briljant hij ook was als analyticus en als schrijver en ondanks zijn grote charisma, was hij een onzeker mens, die na zijn dood werd omschreven als 'uitermate kwetsbaar'. Bij wie hem het naast stonden, wekte hij het verlangen hem te troosten en gerust te stellen; hem het gevoel te geven dat hij het waard was te leven en te worden bemind; hem te helpen in zijn eeuwige strijd tegen gevoelens van ontoereikendheid als mens, zijn martelende twijfel aan zichzelf.
Hoe kon ik mijn ervaringen met zo'n emotioneel broze man - die zo weinig van zijn eigen gevoelens en van de mijne begreep en er als de dood voor was - rijmen met het imago van de intellectuele pionier die het gezag van de grote Sigmund Freud had aangetast, die het had gewaagd enkele van diens fundamentele aannamen over de menselijke natuur te herzien? Hoe moest ik het beeld van de vader die ik van thuis kende, rijmen met zijn imago in het openbaar, waar hij een nederig maar zelfverzekerd besef uitdroeg van zijn vermogen het menselijk handelen te begrijpen en anderen te helpen - en waar hij, zowel op schrift als in zijn persoonlijk optreden, zo'n ongemeen vertrouwen aan de dag legde in de omgang met andermans intiemste gevoelens? In het openbaar was hij dé autoriteit op gevoelsgebied en wist hij zijn publiek emotioneel te sterken en gerust te stellen. Mijn leven lang heb ik geprobeerd die twee schijnbaar onverenigbare facetten van mijn vaders persoonlijkheid met elkaar te rijmen en ik meen nu te begrijpen wat roem eigenlijk is.
De relatie tussen het publieke imago van een beroemdheid en zijn of haar privé-persoon bevat intrinsiek tegenstrijdige elementen. Het publieke imago is het tegendeel van de privé-persoon zoals die door hem- of haarzelf en door intimi wordt ervaren. Wellicht geldt, dat het publieke imago datgene laat zien wat de privé-persoon het liefst zou willen zijn. Het vertegenwoordigt een ideaalbeeld van de eigen persoon.
Een voorbeeld: hoe vaak hebt u een volleerd entertainer horen onthullen dat hij of zij eigenlijk op het sociaal debiele af verlegen was? David Letterman heeft wel eens verteld wat hij zich als middelbare scholier een sukkel heeft gevoeld, die nooit een meisje mee uit kon krijgen en dat hij zichzelf nog altijd sociaal onbeholpen vindt - hoewel zijn televisiepersoonlijkheid een toonbeeld van een flegmatiek, ontspannen, geestig iemand is. Ik ben tot de slotsom gekomen, dat elk overdreven krachtig, zelfverzekerd, tevreden of goedertieren publiek imago schaamte achter zich verbergt. Een groot talent is dan dikwijls het middel waarmee zo'n sterk uitvergroot beeld op het publieke doek wordt geprojecteerd.
Velen van hen die over narcisme hebben geschreven, opperen dat zelfverheerlijking in essentie een afweermiddel tegen schaamte is - waarbij schaamte is gedefinieerd als een besef dat de eigen persoon ernstige gebreken vertoont. Wie zich schaamt, ziet zichzelf als klein, zwak, onbeduidend, machteloos en gebrekkig. Men ervaart zichzelf als niet-goed-genoeg. Ik denk, dat mijn vader in zijn streven naar roem werd gedreven door precies dat soort gevoelens van ontoereikendheid. De roem kwam hem niet vanzelf aanwaaien omdat hij zo'n uitzonderlijk briljant denker en schrijver was - wat hij overigens zeker was. Maar ik ben me sinds mijn vroegste jeugd bewust geweest, dat zijn hang naar erkenning kolossaal was. Als hij ooit iets anders deed dan werken, dan was dat omdat anderen - met name mijn moeder - dat eisten. Vrienden en kennissen leerden het voor lief nemen, wanneer hij tijdens picknicks of feestjes verdween en een stil plekje opzocht waar hij kon lezen of schrijven. Zijn brille ging gepaard met een overstelpende drang tot presteren. Ik vermoed trouwens, dat elk groot talent die intense behoefte nodig heeft om tot volle ontwikkeling te komen. Maar wat is dan de precieze oorzaak van die drang? Dat is een ervaring van schaamte in de vroege jeugd die zo ingrijpt in het zelfbesef, dat er maar één verdediging tegen bestaat: zorgen dat men een buitengewoon iemand wordt.
Iemand die zichzelf te slecht vindt om door anderen als gelijke te worden geaccepteerd, kan op het idee komen om dan maar boven die anderen uit te stijgen. Dat is het narcistische middel tegen schaamte: als ik het niet waard ben te worden bemind om wie ik ben, zal ik bewondering moeten afdwingen voor wat ik kan - en zo zal ik ervoor zorgen dat ik nooit in de steek of alleen word gelaten. De ultieme dreiging van de schaamte is immers, dat men zal worden afgewezen of uitgestoten als zijnde onwaardig om lid te zijn van de gemeenschap. En het uiteindelijke motief voor het streven naar buitengewone successen, macht of roem is de wil om te zorgen dat die meest gevreesde afwijzing zich nooit zal voordoen.
Rose Kennedy, de moeder van John Fitzgerald Kennedy, is door meer dan één biograaf omschreven als een kille persoonlijkheid die haar kinderen niet koesterde. Een van hen noemt haar 'een huismeesteres: meer manager van een huishouden dan moeder'. Na zijn aanval van roodvonk werd de kleine Jack alleen voor drie maanden naar een sanatorium gestuurd om daar op krachten te komen. Wat moet hij zich daar vreselijk in de steek gelaten hebben gevoeld. Zulke ervaringen in de vroege jeugd kunnen gemakkelijk de - half bewuste, half onbewuste - overtuiging doen postvatten, dat je om je te verzekeren van de liefde en trouw van anderen zelf iets heel bijzonders moet zijn of doen. In het sanatorium vertoonde Jack Kennedy, 'losgescheurd van zijn ouders en overgelaten aan de zorg van vreemden, de eerste tekenen van het vermogen dat hij altijd zou behouden, om de aandacht te trekken door te charmeren. Hij wist zijn verpleegster zo te bekoren, dat zij zou hebben gesmeekt om bij hem te mogen blijven.'
Zo ontstaat charisma. Het streven om bijzonder te worden - charmant, talentvol (muzikaal, artistiek, intellectueel, politiek), fascinerend - wordt tot middel om te voldoen aan een wanhopig verlangen naar geborgenheid. Het lijkt de enig betrouwbare manier om aan zorg en genegenheid te komen, of om enige invloed uit te oefenen op de gevoelens en gedragingen van anderen. Natuurlijk schenkt ook het oefenen van begaafdheden zelf al een enorme voldoening - het genoegen een moeilijke activiteit tot in de puntjes te beheersen. Maar ik durf te stellen, dat buitengewoon talent doorgaans wordt aangejaagd door een wanhopig verlangen naar menselijke warmte.
In Het drama van het begaafde kind (1979) schrijft Alice Miller met verve over een andere vorm van verwaarlozing die heel veel superachievers gemeen hebben. Wat we als kind het meest nodig hebben en het liefst willen, zo houdt ze ons voor, is te worden bemind om wat we zijn, een klein, kwetsbaar, behoeftig, onvolmaakt wezentje. Maar als de narcistische behoeften van een moeder zo groot zijn, dat ze haar kind niet kan accepteren zoals het is, dan houdt ze van haar kind als een ik-object - dat wil zeggen als iemand die op aarde is neergezet om in haar behoeften te voorzien. Haar liefde mag nog zo intens zijn, toch zal het kind zich niet om zichzelf bemind voelen. Binnen deze cruciaal belangrijke relatie wordt het kind zelfs geremd in het ervaren van de eigen gevoelens en verlangens, maar integendeel om die facetten van zijn persoonlijkheid - en vooral bijzondere begaafdheden te ontwikkelen die het zelfbeeld van de moeder (of vader of andere primaire verzorger) versterken. Dat verzekert de verzorger van de zo wanhopig verlangde liefde, maar het kan verhinderen dat het kind ooit zijn eigen behoeften en verlangens leert kennen.
Van JFK weten we inmiddels hoezeer zijn carrière werd voortgestuwd, gearrangeerd en vaak ook betaald door zijn vader, die gefrustreerd was in zijn eigen politieke ambities. Joseph Kennedy stond erop, dat zijn kinderen aan tafel over politiek spraken en verlangde dat één van hen president van Amerika zou worden.
Roem is geen effectief weermiddel tegen gevoelens van ontoereikendheid - dat lijkt maar zo. En dat is de ernstigste misvatting in onze idealisering van beroemde mensen. We verbeelden ons, dat onze helden de beslommeringen van het aardse bestaan zijn ontstegen en hun jeugdtrauma's hebben weten te genezen door buitengewone prestaties te leveren. Wij willen geloven, dat zij een niveau van onbedreigde zelfwaardering hebben bereikt; dat erkenning - succes - ons kan bevrijden van de knagende twijfel aan onszelf. Wij willen geloven, dat als we maar voldoende erkenning en goedkeuring van de buitenwereld weten te verwerven, als we ons maar voldoende bewonderd voelen, we genezen zullen zijn en ons gevoel van eigenwaarde ons niet meer te ontnemen zal zijn. Net als de beroemdheden die we zo bewonderen, zullen we dan bevrijd zijn van de altijddurende behoefte aan bevestiging.
Maar helaas zijn veiligheid en geborgenheid nooit stabiel. Mijn vader had nooit het gevoel, dat hij een of ander veilig niveau had bereikt. Op de toppen van zijn succes leefde hij niettemin altijd in angst en onzekerheid dat hij de reputatie die hij had veroverd, zou kwijtraken, dat hij niet meer zo goed zou kunnen schrijven als hij eerder had gedaan. Zijn succes berustte op talenten waarvan hij vreesde dat ze hem in de steek zouden laten. En op het laatst deden ze dat ook.
Applaus en bewondering stijgen je naar het hoofd. Sterker nog: ze zijn verslavend, ze wekken een hunkering op naar het intense gevoel van acceptatie dat verering teweegbrengt. Maar wanneer het applaus wegstierf, liet het mijn vader achter met een kater, het gevoel in de steek te zijn gelaten. Een depressie, die zijn plezier in het dagelijks leven aantastte. Als je op handen bent gedragen en je komt dan weer thuis, kan het besef van isolement des te heviger zijn, omdat de tegenstelling met de bedwelmende ogenblikken waarin je je het middelpunt van het heelal voelde, zo groot is. En dan is er altijd de knagende vraag: zal ik een dergelijke bevestiging ooit weer krijgen? Zal mijn volgende optreden - of mijn volgende schepping - op evenveel enthousiasme worden onthaald als mijn vorige?
In een recente biografische tv-documentaire over Leonard Bernstein beschreven zijn kinderen de depressie die hem overviel na een tournee. Het was voor hem een marteling alleen te zijn. Zijn hunkering naar applaus belette hem de serieuze muziek te componeren waarvan hij altijd had gedacht dat hij die in zich had. De tragiek van zijn carrière was, dat hij nooit het gevoel had dat zijn werk goed genoeg was. Hij had een nieuwe Gustav Mahler willen zijn. Deze onthulling raakte me diep, want mijn vader had ook altijd het gevoel dat hij niet genoeg presteerde. Hij had een nieuwe Sigmund Freud willen zijn.
Je kent een beroemd iemand dan ook pas goed, wanneer je weet welke gekoesterde dromen hij of zij niet heeft verwezenlijkt. Mijn vader sprak vol weemoed over de Nobelprijs, volgens mij in het geloof dat die verheven vorm van erkenning hem er eindelijk van zou overtuigen dat zijn werk écht belangrijk was. Intussen hing ons huis vol met erepenningen, eredoctoraten en prijzen, waaronder de Pulitzer Prize, die hem nooit dat waarachtige gevoel van erkenning hadden geschonken waarnaar hij zo verlangde.
Als zelfs het succes dat mijn vader genoot al geen afdoende remedie is tegen het gevoel van te kort schieten, wat is dan de weg naar de eigenwaarde? Ik zou zeggen dat eigenwaarde wordt ervaren binnen de context van ware intermenselijke ontmoetingen waarin mensen hun innerlijk openbaren en wederzijds erkennen in plaats van het te verhullen in geïdealiseerde zelfbeelden. Dat is het model van de echt innige intermenselijke relatie, waartoe uiteraard ook de analytische relatie moet worden gerekend. De ware remedie voor schaamte is de bereidheid om geleidelijk datgene aan anderen te onthullen waarvoor je je het diepst schaamt. En de ontdekking dat je daarom niet wordt uitgestoten - dat je als voorheen een volwaardig lid van de menselijke gemeenschap blijft. Je bent waard te worden geaccepteerd om wie je bent.
Wanneer je een imago hebt gecreëerd dat je eigen beleving van jezelf ontkent - een imago dat in belangrijke opzichten de keerzijde is van de beschaamde zelfbeleving - dan schept de tegenstelling tussen beide gevoelens onechtheid. Ik denk dat mijn vader er vreselijk onder leed dat hij in zijn intieme relaties niet kon zijn wat zijn imago deed vermoeden. Meer dan eens heeft hij de hoop geuit dat wij, zijn kinderen, ons zouden koesteren in de glans van zijn succes, omdat hij wist dat hij meer aandacht aan zijn carrière had besteed dan aan ons.
Natuurlijk heeft roem een krachtige invloed op de persoonlijke betrekkingen van de beroemdheid. Maar het effect van de roem zelf is niet zo gemakkelijk te onderscheiden van het effect van de narcistische stoornis die de verwerving van die roem heeft gemotiveerd. Mijn verlangen naar meer contact met mijn vader werd gefnuikt door zijn behoefte gevoelens van ontoereikendheid te ontvluchten, door de defensie die hij al op vroege leeftijd had ontwikkeld om schaamte en depressie af te weren - en niet door zijn roem.
Maar waarom zijn wij stervelingen dan zo geneigd beroemde mensen te idealiseren, te veronderstellen dat het publieke imago een getrouwe afspiegeling is van de privé-persoon?
Ik heb waargenomen hoe succesvolle, bekwame volwassenen zich als kinderen gaan gedragen in aanwezigheid van een vaderfiguur, hun macht en gezag aan hem overdragen en gedeeltelijk afstand doen van hun persoonlijke importantie ten gunste van die van de ander. Wanneer we een ander de status van held toekennen, steunen we instinctief diens aanspraken op superioriteit door afbreuk te doen aan het volle potentieel van onze eigen vermogens. Al te vaak in de geschiedenis hebben mensen zichzelf en anderen blootgesteld aan zeer groot leed door hun eigen oordeel op te schorten uit verering voor een charismatische leider zoals Adolf Hitler of sekteleider Jim Jones. En het gevaar dat men zich laat misbruiken, is altijd aanwezig in relaties waarin de ene partij zijn oordeel opschort uit de behoefte de andere partij te idealiseren. Verering verdooft zelfs onder de gunstigste omstandigheden ons besef van de menselijke maat van hen die wij idealiseren, en onze kennis van die anderen en onszelf als mensen wordt daardoor beknot. De prijs die wordt betaald, is het verlies van werkelijk contact tussen vereerder en vereerde.
We kunnen proberen ons beter bewust te worden van onze neiging tot idealiseren - proberen dat minder reflexmatig te doen in onze omgang met anderen. Dat is de essentie van de strijd die we leveren om ons te bevrijden van onze vroegste banden met onze ouders, tot individuatie te komen, een besef van grotere zelfstandigheid en onafhankelijkheid in de wereld toe te laten. En onszelf als krachtig te ervaren in plaats van onze vermogens op anderen te projecteren. We kunnen trachten ons bewust te worden van onze behoefte tot idealiseren, en van onze behoefte te worden geïdealiseerd. Hoeveel investeren we in de illusie dat roem of succes onze wonden kunnen helen? In hoeverre verbergen we ons achter de illusie dat we de menselijke maat te boven gaan, uit vrees anderen te laten merken hoe behoeftig en ontoereikend we ons soms voelen?
De behoefte om groter te lijken dan de menselijk maat - net als de behoefte om te geloven in de bovenmenselijkheid van anderen - helpt ons ons staande te houden in een beangstigend universum, maar beperkt ook ons vermogen om intieme relaties aan te gaan. Wanneer we schaamtegevoelens verbergen door ons af te sluiten voor communicatie of door een onechte of protserige façade op te trekken, wordt de mogelijkheid onze jeugdtrauma's echt te doen helen, of om te komen tot een inniger zelfaanvaarding en aanvaarding van wie ons na staan, geblokkeerd. Daartegenover staat, dat de bereidheid om te tonen hoe fundamenteel menselijk we eigenlijk zijn - in onze gevoelens van ontoereikendheid, onwaardigheid en schaamte, maar ook van innerlijke kracht, trots en zelfaanvaarding - ons kan helpen ons waarachtiger voor te doen aan onszelf en anderen. En ons tot elkaar kan brengen in gezamenlijke waardering voor wat het betekent te behoren tot de onvolmaakte maar fascinerende soort, de mens.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.