Email   Print

Heimwee naar de cel

De telefooncel is een bedreigde soort. Waar de gsm met zijn flitsende ontwerp op het hart van zijn eigenaar wordt meegedragen, vertelt de openbare telefoon het verhaal van een samenleving in gesprek. De telefooncel verdient beter dan de langzame dood die hem wacht.

Ian Frazier | 33 juli/augustus 2000 issue

Voor ik trouwde, woonde ik op mezelf in een blokhut, ergens in het noordwesten van Montana in de Verenigde Staten. De hut bestond uit een enkele kamer met een hoog dak. In het midden van die kamer stond een ruwhouten balk die de dwarsligger van het plafond schraagde en daarop was een telefoon geschroefd. Ik kende niemand in die streek, dus speelde mijn hele sociale leven zich af via die telefoon. De vrouw met wie ik later zou trouwen, woonde ergens ver weg in Florida. We hadden al een paar maanden geen contact meer gehad, want zij zat zonder telefoon. Op een dag besloot ze me te bellen vanuit een telefooncel. We praatten een tijdje en toen haar geld bijna op was, krabbelde ik haar nummer op het hout naast mijn toestel, en belde haar terug.
Een paar dagen later dacht ik terug aan dat gesprek en wilde ik weer met haar praten. Het enige nummer dat ik van haar had, was het nummer van de openbare telefoon dat ik had genoteerd. Die telefoon hing een paar straten verwijderd van de flat waar ze woonde. Het toeval wilde, dat ze een paar minuten voor ik belde, naar buiten was gekomen om een paar boodschappen te doen. Ze liep net over de stoep toen de telefoon ging. Ze had geen reden om aan te nemen, dat een openbare telefoon die rinkelde in een drukke straat, voor háár bedoeld zou zijn. Ze bleef staan, hoorde hem nog een keer rinkelen en nam de hoorn op. Liefde is een kwestie van puur geluk. Ik had op de een of andere manier geweten dat ze zou antwoorden, en zij had geweten dat ik het was.

Jaren later waren we een dagje uit met onze twee kinderen, die toen twee en zes jaar waren. We reden speciaal via een omweg, zodat we hen de telefoon konden laten zien. Ze waren er niet erg van onder de indruk. Het is gewoon een doorsnee straattelefoon, geplaatst tegen de cementen muur van een onopvallend gebouw. Maar juist omdat hij zo alledaags is - zelfs vreselijk saai - ben ik zo dol op dat ding. Ik heb een zwak voor onopvallende plekken waar heel bijzondere dingen zijn gebeurd. Op mijn 'mentale kaart' is die telefoon een baken dat boven het stadje hangt waar hij zich bevindt. Voor mij is hij een gewichtig historisch monument - ook al is het privé.
Ik let dezer dagen in het algemeen sterk op telefooncellen, omdat ik wel eens het gevoel krijg, dat ze op het punt staan te verdwijnen. De techniek is ze voorbijgeraasd. Met alle moderne, fraai uitgelijnde mobieltjes komt de openbare telefoon nogal antiek over. In mijn jonge jaren wáren ze er gewoon, een vast gegeven, vaak net zo stug en onsympathiek als het plaveisel onder je voeten. Soms waren het martelwerktuigen, waarvoor je handenvol kleingeld nodig had toen er nog geen telefoonkaart bestond. De telefoniste die je aan de lijn kreeg, was nog een persoon van vlees en bloed, die tot gekmakens toe in de weg zat tussen jou en degene die je probeerde te bellen. En als de verbinding niet tot stand kwam - wat bij communicatie vaak het geval is - dan bood de openbare telefoon een mikpunt voor je razernij. Straattelefoons werden de hele tijd kapotgeslagen, de hoorn aan splinters geramd tegen de celwand, de muntgleuf volgepropt met kauwgum, het snoer losgerukt en uit elkaar gerafeld tot op de vloer. Ik herinner me nog de benauwde glazen wanden van de telefooncel. Zo zie je ze tegenwoordig nog maar weinig, met zo'n kleine ventilator in het plafond die aanging als je de glazen deur met zijn twee scharnieren dichtdeed. Het geluid van die ventilator in de stilte van een cel was voor mij het toppunt van romantische droefheid.

Er kleefde altijd iets van verval en treurnis aan de telefooncel. Een gevoel van vluchtigheid. Drugdealers en andere duistere types voerden er gesprekken mee, mensen die te arm waren en thuis geen telefoon hadden, maar ook uiterst respectabele burgers die heimelijke afspraakjes maakten. In de film was elk personage dat een telefooncel gebruikte, per definitie in moeilijkheden of bezig een misdaad te beramen. Een straattelefoon had zijn eigen speciale sfeer - soms zelfs zijn eigen toebehoren: de voorspelbare vieze lucht, graffiti, sigarettenpeukjes, frisdrankblikjes, verfomfaaide blaadjes van de Jehova's getuigen, en lege flesjes bier. Openbare telefoons riepen bij uitstek alledaagse mededelingen op: 'Schat, ik ga nu weg hier. Ben zo thuis.' Maar je kon aanvoelen, dat er een hoop menselijk allerhande op zo'n plek was langsgedobberd, en dat er in het benauwde isolement van elke cel woeste emoties hadden geraasd.
Het komt uiteraard door de mobiele telefoons dat de telefooncel in onbruik raakt. De telefooncel verhoudt zich tot de gsm als een nukkig en lastig ouder kind tot een troetelbaby. Er zijn zelfs mensen die hun mobieltje behandelen als een pasgeborene. Ze wiegen hem in hun handpalm en glunderen er vol liefde naar, terwijl ze een nummer intoetsen. Je hoort mensen soms wel schreeuwen in hun mobieltje, maar het ding zélf is nooit hun doelwit, zoals de telefooncel dat is. Mobiele telefoons zijn een soort speelgoed, bijna toverachtig. Als ik zie hoe iemand de antenne van zijn gsm zachtjes induwt, het apparaatje terugstopt in de houder met zijn fluweelzachte kunststofbekleding en die vervolgens in zijn binnenzak naast zijn hart laat glijden, krijg ik medelijden met de straattelefoon, buiten, eenzaam in de regen.
Voordat telefooncellen een bedreigde soort werden, had ik ze nooit beschouwd als openbare ruimte, wat ze natuurlijk wel zijn. Ze staan voor een menselijk gemiddelde. Ze zijn van iedereen die een paar muntjes op zak heeft. Nu besef ik, dat openbare telefoons - net als openbaar vervoer en openbare scholen - thuishoren bij de gemeenschapszin uit vroeger tijden, waarvan de noodzaak door onze huidige cultuur steeds meer wordt betwijfeld. Ik heb een zwak voor specifieke plekken, zoals oude slagvelden, locaties van dodelijke auto-ongelukken, huizen waar vermaarde schrijvers hebben gewoond. Vervlogen passies moeten altijd een adres houden, is mijn gevoel. Eigenlijk zou de hele wereld bezaaid moeten zijn met opschriften en bordjes waarop de gedenkwaardige gebeurtenissen vermeld staan die zich op iedere afzonderlijke plaats hebben afgespeeld. Een plaquette bij elke straattelefoon zou ons dan mededelen dat hier een vrouw met haar verloofde heeft gebroken, dat hier een jonge voetbalspeler te horen kreeg dat hij bij het team mocht komen. Helaas laat de wereld zich niet op die manier bekijken. Onder onze voeten wisselt zij van aanzicht. De plekken waar onze persoonlijke geschiedenis wordt geschreven, kunnen die momenten niet meer vasthouden.

Uiteindelijk zullen openbare telefoons overblijfselen zijn van een vrijwel verdwenen landschap en van een tijd dat we met minder waren - een tijd, waarin onze verhalen op een eerdere bladzijde stonden. Romantische zielen als ik zullen zich onze passies opnieuw moeten inbeelden naar hun ware aard - niet aan de grond geklonken, maar als een onmetelijk aantal gesprekken uit een telefooncel, die ergens door de ether zweven.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.