Email   Print

Economie - alsof mensen ertoe doen

Ik heb me altijd ver gehouden van de economie en van alles wat met geld te maken heeft. Ik wist nooit precies wat ik verdiende, wat de prijs is van een liter benzine en waarom die lui op de beurs zo vreemd met hun handen wapperen en zo angstig naar dat grote bord staren. Ik had natuurlijk wel een vermoeden, maar wilde het vooral niet weten. Ik interesseerde me voor mensen, niet voor briefjes met cijfertjes erop. Ik wilde léven, voelen, erváren, zíjn… niet rekenen, afmeten, cijferen en boekhouden. De spaarzame keren dat mensen mij het beheer over een algemene kas toevertrouwden, moest ik elke maand bijpassen. Geen idee waar het allemaal was gebleven. Het maakte me ook niet uit. Geld was geld en dat moest rollen. En als het op was, dan was het op. Maar de laatste tijd kan ook ik er niet meer omheen. De idiotie rondom de beursgang van WorldOnline, de mislukte acties om de schulden van ontwikkelingslanden kwijt te schelden, de krankzinnige miljardenfusies en de gigantische rijkdom van mensen als Bill Gates ontgaan ook mij niet. Wat is er eigenlijk aan de hand met de economie? Is dit vooruitgang? Willen we deze waanzin? Is het niet tijd voor bezinning op datgene wat letterlijk vertaald zo mooi 'staatshuishouding' heet? Het klinkt zo gek nog niet om het verschijnsel wereldeconomie weer eens gewoon als een huishouden te beschouwen. En voor die beschouwing ben ik - als economische anti-held - waarschijnlijk de meest geschikte kandidaat op de redactie van Ode. Immers, als je er niets van af weet, stel je de juiste, domme vragen. Waarom is winst maken eigenlijk zo belangrijk? Wat is geld? Waarom is er geld? Hebben we die multinationals wel nodig? Waarom luisteren we naar het Internationale Monetaire Fonds (IMF)? En: kan dat hele economische systeem niet gewoon heel anders en vooral veel makkelijker en menselijker?

Tijn Touber | 33 juli/augustus 2000 issue

Hoe zou mijn dag eruitzien zonder de moderne markteconomie met haar open grenzen? Allereerst zou ik naar China of India moeten reizen voor mijn kopje thee. Als ik sinaasappelsap wil, moet ik op de terugweg even langs Spanje. Meel voor brood kan ik op eigen bodem nog wel krijgen, maar waar haal ik een oven vandaan? Duitsland? Japan? Op weg naar de badkamer bedenk ik me, dat ik eerst naar Frankrijk moet voor scheermesjes. Het papier voor de ochtendkrant zou ik in Zweden moeten gaan halen en ik vertrek te voet naar Ode omdat ik geen tijd meer heb om een vaatje olie uit Saudi-Arabië te halen. Zonder wereldhandel zou ik me suf reizen. Het is een boze droom die moeilijk voorstelbaar is na een warme nacht onder een Deens donzen dekbed. En als je de dag begint met een kopje Chinese thee, besef je doorgaans niet, dat dat genot te danken is aan eeuwen van vrijhandel. De kwaliteit van mijn leven wordt in belangrijke mate bepaald door de grenzeloze internationale economie met multinationale ondernemingen als voornaamste spelers.
Toch tekent zich een schaduw af rond de golf van economische explosies die rond de wereld trekt. Toegegeven, het ziet er mooi uit: de economische integratie van Europa gaat gepaard met een vrijwel ongeëvenaarde economische opleving. We investeren, beleggen en ondernemen naar hartelust. Beurzen floreren, bedrijven fuseren en zelfs ontwikkelingslanden pikken een graantje mee van de mondiale bloei. Het kan allemaal niet op.
Of toch wel? Was de Aziatische crisis een teken aan de wand? Het 'Aziatische wonder' bleek een kaartenhuis. Wild op en neer gaande wisselkoersen en ongecontroleerde geldstromen schudden ons ruw wakker. Chaos en paniek. De dollars die in 1996 nog zo overvloedig Oost-Azië binnenstroomden - 93 miljard - stromen er een jaar later weer even hard uit, en meer: 105 miljard. Een greep uit de gevolgen: veertig miljoen - twintig procent van de bevolking - meer armen in Indonesië; in Maleisië gaan honderden vooraanstaande bedrijven binnen een half jaar failliet; in Korea komen er anderhalf miljoen werklozen bij en meer dan honderdduizend Thaise studenten kunnen hun studie niet meer betalen. Intussen stort de Russische economie in, terwijl de schuldenlasten in Afrika en Zuid-Amerika de pan uit rijzen. Alleen al in 1998 betaalden ontwikkelingslanden 250 miljard dollar aan rente en aflossingen, terwijl zij slechts dertig miljard aan 'hulp' kregen. Afrika besteedt vier keer meer geld aan het afbetalen van renteschulden dan aan de eigen gezondheidszorg. Brazilië heeft een schuld van meer dan 235 miljard dollar, hoewel het de afgelopen tien jaar al 216 miljard dollar rente betaalde. De kloof tussen rijk en arm is inmiddels twee keer zo groot als dertig jaar geleden.
Maar ook de rijke landen worden getroffen. De voortschrijdende automatisering en het voortdurend verhuizen naar goedkopere arbeidsmarkten van immer groeiende multinationals creëert een sociaal drama. Sinds Nafta - het North American Free Trade Agreement - de handelsbarrières tussen de Verenigde Staten, Canada en Mexico ophief, verloren de Verenigde Staten meer dan 250 duizend banen en Mexico meer dan twee miljoen. Canada zag honderdduizend overheidsbanen in rook opgaan. Onder de oppervlakkige golven van de hoogconjunctuur met haar jubelende beurskoersen en krankzinnige rijkdom raken gezinnen en gemeenschappen ontwricht. Werknemers die hun baan verliezen, vinden weliswaar nieuw werk, maar meestal ver van huis. Ook al daalt de werkloosheid, steeds meer mensen hebben stress of branden op. Het kost werkgevers alleen al in de Verenigde Staten naar schatting tweehonderd miljard dollar per jaar. In Japan gaat het niet beter. Oud-bankier Hiroshi Takeuchi (69) zegt: 'Japan is kapot geconcurreerd. Door de vrije-markteconomie Amerikaanse stijl. Japan heeft het spel verloren. Tweeduizend jaar geschiedenis en traditie worden vernietigd door de vernielzucht van de vrije markt. Het is een grote klap voor Japanners te beseffen dat onze banken, onze andere grote bedrijven en onze overheid geen enkele invloed meer hebben op de economische ontwikkelingen van ons eigen land. Japanners hebben alles, we zijn oververzadigd, bang en eenzaam.'

Wat ging er mis? Om dit te begrijpen moeten we terug in de tijd. Het moderne economische denken heeft zijn oorsprong zo'n vijfhonderd jaar geleden en kwam eind 1700 - aan het begin van de industriële revolutie - tot volle wasdom. Het was de Schotse filosoof Adam Smith die de principes van de vrije markt in zijn Wealth of the Nations (1776) verwoordde: als iedereen vanuit zijn welbegrepen eigenbelang doet waarin hij het beste is, zorgt de onzichtbare hand van de vrije markt ervoor, dat iedereen profiteert. Gelijktijdig ontwikkelde zich het moderne wetenschappelijke denken onder invloed van filosofen als Francis Bacon en René Descartes. Zij deelden de wereld op in kwantitatief telbare eenheden. Wanneer iets kon worden geteld, kon het worden gemeten en bestudeerd. Als iets niet in getallen was uit te drukken, bestond het gemakshalve niet. Kwantiteit werd belangrijker dan kwaliteit. Als het maar hoog, groot, snel of meer is. Dus bepalen rekenkundige modellen voortaan wat goed is voor de samenleving.
We hebben het ook aan deze denkers te danken, dat lichaam en geest van elkaar worden gescheiden: de geest is superieur aan het lichaam en de mens is superieur aan de natuur. In de navolgende eeuwen scheuren de industrialisatie en de oprukkende markteconomie de traditionele verbanden en relaties binnen de samenleving uiteen. Vakwerk wordt opgedeeld in kleine eenheden: lopendebandwerk en specialisaties. Huis en gezin worden gescheiden van werk en productie, kinderen worden gescheiden van ouderen en denken wordt gescheiden van doen, en de natuur wordt vooral gezien als een handige verzameling hulpbronnen die ligt te wachten om te worden opgegraven, verbrand, verbruikt of gekapt.

Onze manier van denken is door de eeuwen heen niet veel veranderd. Het idee dat 'meer' hetzelfde is als 'beter', heeft zich via het onderwijs en de media massaal verspreid en vormt de basis van onze cultuur. 'Meer' heet tegenwoordig super, hyper, mega of turbo. De gezondheid van onze economie wordt afgemeten aan de hoeveelheid geld die in omloop is. Hoe meer geld, hoe hoger het nationaal inkomen, hoe gezonder de economie. Alles wat we niet in geld kunnen uitdrukken en wat de hoeveelheid geld in een land niet doet toenemen - zoals het zorgen voor kinderen en huishoudelijk werk - is economisch niet rendabel en hoort dus niet in de economie. Wat betreft het nationaal inkomen zijn veel economieën vandaag de dag gezonder dan ooit. Geld rolt als nooit tevoren en we doen daar allemaal mooie dingen mee, zoals gevangenissen bouwen, bommen produceren en bossen kappen. Oorlogen en gezonken tankers zijn voor het nationaal inkomen ook zeer gunstig. Benzine kopen geeft de economie een injectie, fietsen een stuk minder (tenzij iemand je fiets in elkaar trapt en je een nieuwe nodig hebt) en lopen al helemaal niet. Je eigen wortels verbouwen levert niets op, ze kopen wel. Je kinderen verzorgen is economisch niet interessant, ze naar de crèche brengen wel.
Je vraagt je af hoe we er ooit toe zijn gekomen om ons leven en welzijn op te hangen aan zoiets primitiefs als het nationaal inkomen, dat werkt als een rekenmachine die alleen maar kan optellen en niet kan aftrekken. Een van de ontwerpers van het nationaal inkomen - de Amerikaanse ambtenaar Simon Kuznets - had grote bedenkingen tegen het systeem van staatsboekhouding dat hij hielp creëren. In zijn eerste rapport aan het Amerikaanse Congres in 1934 probeerde hij zijn land te waarschuwen tegen de beperkingen van het nieuwe systeem. Het is haast onbegrijpelijk dat we evengoed allemaal blind achter deze rekenmethode zijn gaan staan en hem consequent doorvoeren.
Na het ineenstorten van de economie in de jaren dertig besloten de economische grootmachten de handen ineen te slaan om toekomstige crises het hoofd te bieden. In het inmiddels beroemd geworden hotel Bretton Woods in New Hampshire in de Verenigde Staten kwamen vierenveertig landen in de zomer van 1944 bijeen om het raamwerk van de naoorlogse economie op te zetten. Bij deze gelegenheid werden twee instituten in het leven geroepen: het Internationale Monetaire Fonds (IMF) en de Wereldbank. Beide waren niet gerechtigd om in te grijpen in interne economische aangelegenheden van landen, maar mochten bemiddelen en dienden zorg te dragen voor financiële rust - zoals stabiele wisselkoersen. Vanaf Bretton Woods gaan steeds meer grenzen open, worden munteenheden gestandaardiseerd, verhuizen hele volksstammen en ontstaan internationale beurzen. Op een enkele hapering na, groeit en bloeit de economie als nooit tevoren. Met de komst van de computertechnologie, de chip, snelle transportsystemen en het duo Reagan & Thatcher is de mondiale economie een onomkeerbaar feit geworden. Multinationals strijken overal neer, kleine bedrijven worden opgeslokt en de beurzen veranderen de wereld in een groot casino.

In de moderne economie draait alles om geld. Hoe meer, hoe beter. Denken we. Maar het blijkt, dat de toename van geld binnen een economie weinig zegt over de gezondheid van die samenleving. William Easterly is een hoge econoom van de Wereldbank. Hij onderzocht 95 parameters om te zien in hoeverre economische groei ook tot toegenomen welzijn had geleid. Zijn onderzoek besloeg de periode van 1960 tot nu. Easterly vond slechts vijf (!) indicatoren die waren verbeterd: het aantal telefoons in een land, het aantal commerciële voertuigen, de inname van calorieën, de inname van proteïnen en er bleek een verband te zijn tussen economische groei en het minder frequent verbreken van afspraken door regeringen. Dat was alles. Easterly was nogal onthutst over de resultaten en rondde het officiële Wereldbank-onderzoek dan ook af met de woorden: 'Het bewijs dat het leven beter wordt door economische groei is verrassend onevenredig.' Ook de Ierse econoom Richard Douthwaite onderzocht de voordelen van groei. Hoezeer hij zijn best deed, uiteindelijk moest hij opgeven. Hij kon vrijwel niets vinden dat werkelijke vooruitgang aangaf.
De vraag dringt zich op of geld wel zo waardevol is als wij denken. Sinds in Bretton Woods de waarde van geld werd losgekoppeld van goud, heeft geld niets meer van doen met reële rijkdom. Integendeel: alle rijke landen met goed draaiende economieën hebben gigantische schulden. Engeland heeft een nationale schuld van vierhonderd miljard pond, Canada 650 miljard dollar, Duitsland meer dan vijfhonderd miljard marken, Nederland 519 miljard gulden, Japan twee triljoen dollar en de Verenigde Staten meer dan vijf triljoen dollar. Deze schulden staan haaks op de werkelijke en overduidelijke rijkdom van deze landen. Desondanks spelen deze cijfers een alles bepalende rol in politieke, sociale en economische beslissingen. Hierdoor ontstaat de bizarre situatie dat rijke en arme landen er alles aan doen om hun export op te schroeven. De rijke landen om hun eigen 'schulden' te financieren, en de arme landen om hun schulden aan de rijke landen te kunnen aflossen. De wereldhandel wordt gedreven door schulden. Een economisch beleid baseren op betalingsbalansen alléén is niet erg realistisch - het zegt immers niet veel over de concrete rijkdom van een land. Bovendien zijn de gevolgen van dit beleid ronduit gevaarlijk. Het levert namelijk beelden op van kinderen die sterven aan ondervoeding en gebrek aan medicijnen en mannen die paniekerig met de handen wapperend angstig naar elektronische borden met cijfertjes staren. Wat een wereld…
Niet alleen landen steken zich in de schulden, wij doen dat zelf ook. De paradox is, dat wanneer we ons níét in de schulden steken, de hoeveelheid geld niet toeneemt. En als de geldhoeveelheid niet toeneemt, zakt de economie in elkaar. Omdat het maken van geld vrijwel uitsluitend wordt overgelaten aan banken en andere financiële instellingen, is het voor de economie van groot belang, dat we steeds weer nieuwe kredieten en hypotheken afsluiten. U dacht natuurlijk ook, dat het geld dat u bij een bank leent, hetzelfde geld is dat een ander daar in bewaring heeft gegeven. Helemaal niet! Wanneer u bij een bank geld leent, creëert de bank op zo'n moment nieuw geld. Als u en ik dat doen, draaien we een aantal jaren de gevangenis in. Maar de moderne economie bestaat bij de gratie van bankkredieten die de hoeveelheid geld laten groeien. Ons economische systeem draait dus op schuld. Het feit dat de hoeveelheid geld in een economie elk jaar toeneemt, zegt vooral iets over hoeveel mensen zich dat jaar weer in de schulden hebben gestoken.
De absurde situatie doet zich voor, dat iedereen grote schulden heeft bij iedereen, maar tegelijkertijd zoveel geld in handen heeft, dat er gigantische kapitaalstromen over de wereld gaan. Op de internationale beurzen gaat dagelijks meer dan anderhalf triljoen dollar van hand tot hand. Vijfennegentig procent van deze transacties is korte-termijnspeculatie. Meer dan tachtig procent wordt binnen een week weer verkocht en veertig procent zelfs binnen twee dagen. Het resultaat van kortstondige kapitaalstromen is, dat een land het ene moment welvarend kan zijn en het volgende moment op de rand van de financiële afgrond kan bungelen.

Ik begin te begrijpen waarom ik lang niets met geld te maken wilde hebben. Het is de maat waartegen we alles afzetten, de scheidsrechter die uiteindelijk beslist. Hoe vaak zijn prachtige plannen niet afgeschoten door die ene dodelijke zin: 'er is geen geld'? We willen een nieuwe school bouwen. Er is bouwmateriaal, er zijn bouwtekeningen, er zijn kinderen en leerkrachten, maar… er is geen geld. Geen geld, geen school. Er wordt genoeg voedsel geoogst om alle ontwikkelingslanden te voeden. Er zijn vrijwilligers, boten, plannen en mogelijkheden. Helaas…, er is geen geld. Geen geld, geen eten.
Maar wacht eens even, wie heeft geld bedacht? Wij toch zeker? Als een hele samenleving in de ban is van briefjes met cijfertjes erop en niet kan doen wat zij wil, simpelweg omdat er niet genoeg geld zou zijn, dan is dat een duidelijk signaal dat die briefjes te veel macht hebben gekregen. Dat een individu te weinig geld heeft, is begrijpelijk, maar als een hele economie constant te weinig heeft, is dat absurd. Het gelddenken heeft gevaarlijke proporties aangenomen en tiranniseert ons leven. Steeds weer horen we dezelfde mantra's van geldgoeroes: we moeten onze uitgaven verminderen, concurrerender worden, productiviteit verhogen, nieuwe ondernemingen opzetten, meer banen creëren en meer exporteren. Dit roepen ze in de Verenigde Staten, Frankrijk, Zweden, Duitsland, Nederland, Canada en Japan. De tragiek is, dat ze dit nu ook in Soedan, Ethiopië, op Madagaskar, de Filippijnen en Sri Lanka roepen. Rijke, culturele tradities worden in korte tijd weggevaagd door het westerse imperialisme, waarin winst en groei de belangrijkste woorden zijn. En wat export betreft: de voedingsmiddelen van de beste kwaliteit, die zij meer nodig hebben dan anderen, verlaten juist het land, doordat wij ze goedkoop willen hebben.

De resultaten van de open grenzen, toegenomen schaalvoordelen en buitenlandse investeringen zijn legio: goedkope bananen en voordelige magnetrons, bijvoorbeeld. Maar wat is de prijs die de samenleving hiervoor betaalt? Zijn productiviteit en efficiëntie bijvoorbeeld wel zo belangrijk? 'Zijn jullie maar efficiënt, ik ben liever gelukkig', zei Satish Kumar onlangs in Ode. Wat efficiëntie tegenwoordig vooral lijkt in te houden, is het effectief vernietigen van zaken waaraan we het meest behoefte hebben: bomen, schoon water, schone lucht, vriendschap, naastenliefde, vertrouwen. Maar ja, vriendschap is niet productief en rendabel. En trouwens, hoe meet je vriendschap? Het is niet verwonderlijk, dat vriendelijkheid en naastenliefde verdwijnen wanneer we elkaar niet meer primair als burgers en buren zien, maar vooral als kopers en consumenten.
We leven al zo lang en vanzelfsprekend met deze denkbeelden, dat alleen dummies nog in staat zijn om te vragen waartoe dit alles eigenlijk dient. De Nieuw-Zeelandse politicus Marilyn Waring heeft The Art of Asking the Dumb Question tot levenskunst verheven en kwam na uitgebreid onderzoek - onder andere in de krochten van de bibliotheek van de Verenigde Naties in New York - tot de conclusie, dat niemand precies weet waarom we doen wat we doen. Het zijn gewoon de regels, zo hoort dat nu eenmaal. Wij zijn blijkbaar vergeten dat het economische systeem slechts een middel was, en niet een doel op zich. Loesje verwoordde het zo: 'De mens is toch niet op aarde om de economie in stand te houden?'
Marilyn Waring is een meester in het begrijpelijk maken van economische vraagstukken. Tijdens haar ambtsperiode, waarin ze tot driemaal toe werd herkozen, werd ze keer op keer geconfronteerd met economische turbotaal. 'Die economen kwamen dan met allerlei rapporten vol onbegrijpelijk jargon. Ik wachtte geduldig op mijn beurt en vroeg dan: kunt u dat ook in het Engels uitleggen?' In de prachtige documentaire Who's Counting, Marilyn Waring on Sex, Lies & Global Economics over haar zoektocht naar de achtergronden van ons monetaire systeem, stelt Waring 'domme vragen' die tot verrassende inzichten leiden. We leven bijvoorbeeld allang in de veronderstelling dat commerciële ondernemingen rijkdom en welvaart creëren - maar de realiteit is, dat ze over het algemeen precies het tegenovergestelde doen: ze vernietigen kapitaal en schepen ons op met schadelijk afval. Zeker nu er op zo'n grote schaal wordt geproduceerd en er zoveel onnodige spullen worden gemaakt. Maar ook lang geleden, toen de eerste ondernemingen het levenslicht zagen, was het doel vooral veel rijkdom vergaren ten koste van anderen en de natuur. De eerste vennootschappen ontstonden rond 1600. Engelse en Nederlandse koopvaarders creëerden het aandelensysteem, zodat de overzeese gebieden effectief konden worden geplunderd. Deze particuliere ondernemingen werden gefinancierd door investeerders die schepen, soldaten, zeelieden, kolonisten en handelaars inhuurden om de goederen te halen. De ondernemingen werden door het Rijk beschermd en hadden monopolieposities met exclusieve rechten om hun gang te gaan. Ze waren bovendien beperkt aansprakelijk: als de tocht niet slaagde, dan waren de investeerders hun geld kwijt, maar zij hoefden schuldeisers niet terug te betalen.
De geschiedenis van dergelijke ondernemingen laat zien, dat zij in toenemende mate meer privileges kregen. De gedachte is, dat deze ondernemingen de maatschappij - lees: de economie - een dienst bewijzen en dat wij ze hard nodig hebben. De privileges die voor ondernemingen gelden, gelden niet - altijd - voor individuen. Neem het idee van beperkte aansprakelijkheid. Stel je voor dat je de afwas niet meer doet en het vuilnis niet meer buiten zet, omdat je beperkt aansprakelijk bent. 'Schat, waarom verschoon je de baby niet?' 'Omdat ik slechts beperkt aansprakelijk ben'. Het systeem van aandeelhouders is er ook niet beter op geworden. Waren aandeelhouders ten tijde van de Verenigde Oost-Indische Compagnie nog betrokken bij 'ons schip', een aandeelhouder in Shell maakt het weinig uit wat het concern doet, als er maar winst wordt gemaakt. Shell is op zijn beurt afhankelijk van deze anonieme aandeelhouders zonder maatschappelijke betrokkenheid. Zo kan het gebeuren, dat we op de pagina economie lezen dat Shell enkele miljarden winst heeft gemaakt en een pagina verder dat hetzelfde Shell duizenden banen schrapt - dé manier om kosten te besparen en winst te maken. Geen aandeelhouder die zich bekommert om 'zijn schip' en 'zijn manschappen'.

Een andere makke van puur commerciële ondernemingen is, dat zij alleen de marktwaarde van goederen zien. We zijn geneigd om alles wat we vinden - en niet zelf maken - als minder waardevol te beschouwen. Dus: water, delfstoffen, lucht en bomen zijn minder waard dan de producten die wij met behulp van deze hulpbronnen maken. Zo langzamerhand gaat die vlieger echter niet meer op. Volgens een bekende economische wet is iets dat schaars is veel waard. Onvervuilde grond, schoon water, biodiversiteit en schone lucht worden steeds schaarser en dus steeds waardevoller. Een team economen berekende onlangs, dat zeventien ecosysteemdiensten - klimaatregulering, waterzuivering, ultraviolette bescherming, afvalverwerking, et cetera - meer waard zijn dan de optelsom van alle nationale inkomens van de hele wereld. De economische groei is in ijltempo bezig de planeet te verwoesten. In 1996 publiceerde de World Conservation Union, in samenwerking met zeshonderd wetenschappers, de volgende cijfers: 25 procent van de zoogdieren en amfibieën, elf procent van de vogels, twintig procent van de reptielen, 34 procent van de vissen en tien procent van de bomen wordt met uitsterven bedreigd. Een bumpersticker omschreef het laatst nogal kernachtig: no planet, no business.
Misschien is het probleem wel, dat niemand de lucht 'bezit'. En wat niet 'van mij' is, wordt gemakkelijk misbruikt. De BV Aarde is echter van ons allemaal, niet alleen van een stel multinationals die onbeperkt toegang denken te hebben tot haar kapitaal. Verantwoordelijkheid begint met de gedachte dat iets je toebehoort of dat je het beheert. De aarde behoort ons allen toe en niemand is beperkt aansprakelijk. Omdat velen waarschijnlijk net als ik denken: 'dat snap ik toch niet, ik laat het maar aan de experts over', komt het erop neer, dat we collectief lijdzaam toezien dat het economische systeem - dat ons behoort te dienen - onze leefomgeving vernietigt. We zullen de gedachte dat we machteloos staan, moeten loslaten. John Lennon zei: 'What if it was war and no-one went?' Wij kunnen zeggen: wat als er een nieuwe magnetron in de aanbieding is en niemand koopt hem? Wat als er een nieuwe hamburgertent op de hoek komt en niemand gaat er heen? Wat als het moederdag is en we niets voor haar kopen, maar iets voor haar doen?

Multinationals en de snelle beursjongens zien de wereld niet als een verzameling van mensen en culturen met waarde, maar als markten. Dan vergeten ze gemakshalve, dat kapitaalvergaring een sociaal proces is, dat is gebaseerd op de arbeid van vele generaties voor hen. Zij vergeten ook, dat zij gebruikmaken van economische en sociale infrastructuren - zoals wegen, bruggen en diensten - en van al wat de natuur hen biedt. Alleen al om deze redenen hebben zij een schuld te vereffenen met de samenleving en de natuur. Helaas zien de meeste ondernemers dit nog anders. Helaas laten de organisaties die hier een belangrijke rol zouden moeten spelen, het ook afweten. Het IMF, de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie (WTO, opgericht in 1995) komen voornamelijk op voor het belang van een piepkleine minderheid die zich ten koste van de rest verrijkt. Het IMF wordt door regeringen gesubsidieerd op basis van één dollar, één stem - in tegenstelling tot de Verenigde Naties, waar ieder land één stem heeft. Het resultaat is, dat de industrielanden meer dan zestig procent van de stemmen hebben bij het IMF en de Wereldbank - te vergelijken met zeventien procent in veel VN-lichamen. De Verenigde Staten hebben binnen het IMF zelfs een effectief veto.
Het IMF is niet gewend om sociaal-maatschappelijke of milieuvraagstukken te behandelen. De organisatie heeft slechts economen en financiële experts in dienst. Pas vorig jaar trok het IMF ook twee sociale specialisten aan. Milieudeskundigen komen op de loonlijst niet voor. Het IMF bestaat uit 'experts', die vooral antwoorden denken te hebben. Er bestaat geen luistercultuur. De realiteit is, dat onderhandelaars van het IMF meestal met een kant-en-klare blauwdruk van de economische hervorming naar het betreffende land afreizen. Alleen over de details kan nog worden onderhandeld. Wat zij van het land zien, is de binnenkant van een vijfsterrenhotel. Markten en producten zijn belangrijker dan mensen. Zoals in Nicaragua, toen in 1994 een overeenkomst werd getekend om de inflatie tegen te gaan: duizenden overheidsbanen werden geschrapt, sociale uitgaven werden bevroren en men introduceerde heffingen op gezondheid en onderwijs. Daarnaast ging de omzetbelasting omhoog, waarbij de allerarmsten het hardst werden getroffen. Ander 'succesverhaal': sinds het IMF zich met de Afrikaanse economie bemoeit, is de schuld van dit continent met vierhonderd procent gestegen. Vanaf midden jaren tachtig heeft het IMF meer dan drie miljard dollar uit Afrika geperst. Steeds weer worden nieuwe leningen afgesloten om de rente van oude leningen te betalen. Het geld komt vervolgens in handen van westerse banken, regeringen, bedrijven en instellingen.
Joseph Stiglitz kan erover meepraten. Hij is hoogleraar economie aan de universiteit van Stanford en was van 1997 tot 2000 vice-president van de Wereldbank. Stiglitz ziet, dat de politiek vandaag de dag wordt geregeerd door de economie, maar dat economen een taal spreken die vrijwel geen burger kan begrijpen en dat er slechts weinig politici zijn die moeite doen of in staat zijn deze te vertalen. Het resultaat is, dat nationale regeringen - zowel in het Noorden als in het Zuiden - ondergeschikt zijn geraakt aan het IMF, de Wereldbank en de WTO. En dus runnen de WTO, de Wereldbank en het IMF en onze economie. Daarbij komt, dat vrijwel niemand - politici incluis - de tijd of de kennis heeft om complexe mondiale handelsverdragen te ontcijferen. Dat bleek bij Nafta en bij het Verdrag van de Europese Unie. Slechts enkele politici waren op de hoogte van de inhoud van de documenten die zij tekenden.

De Wereldhandelsorganisatie is in het leven geroepen om als 'politie' te zorgen, dat internationale handel 'eerlijk' en 'vrij' plaatsheeft. Maar door haar regels, lidmaatschap, geheimzinnigheid en ideologie komt zij vrijwel uitsluitend op voor het belang van (meestal) westerse multinationals ten koste van ecosystemen, gezondheid, sociale voorwaarden, arbeidsvoorzieningen et cetera. De oprichting van de WTO was in feite een stille coup. Geen burger is naar zijn of haar mening gevraagd. Velen wisten - tot de bijeenkomst van eind vorig jaar in Seattle - niet eens van haar bestaan. Recent onderzoek, uitgevoerd door het Britse blad The Ecologist, laat zien. dat slechts twaalf procent van de Britten achter het principe van vrije wereldhandel staat. Ruim negentig procent vindt, dat de regering de burger moet beschermen in conflicten met multinationals over zaken als milieu, werkgelegenheid en gezondheid. Ook vindt 89 procent, dat de regering de invoer van schadelijke stoffen aan banden moet kunnen leggen. Dan ben je bepaald geen voorstander van de WTO.
Als het IMF, de Wereldbank en de WTO hun werk goed zouden doen, dan zou er geen reden zijn voor de toenemende boosheid en sociale onrust. Maar geen van deze organisaties zag de catastrofale economische crises twee jaar geleden in Azië, Rusland en grote delen van Latijns-Amerika aankomen. En toen de zaak eenmaal uit de hand liep en ingrijpen onvermijdelijk werd, stapelden zij blunder op blunder - zelfs binnen IMF-kringen wordt dit inmiddels toegegeven. Maar dit heeft er niet toe geleid dat de strategie werd aangepast. Bij de Wereldbank gaat men er nog steeds van uit, dat economische groei absolute noodzaak is. Het fundamentele principe van de WTO is, dat handel voor alles gaat. Toen de Verenigde Staten de invoer van garnalen probeerden te blokkeren, omdat die in dezelfde netten werden gevangen waarin elk jaar 150 duizend zeeschildpadden terechtkomen en verdrinken, noemde de WTO deze blokkade 'omstreden' en 'niet gerechtvaardigd'. Lidstaten van de WTO mogen hun nationale economieën ook niet beschermen tegen buitenlandse concurrenten.
Je hebt geen complottheorie nodig om in te zien wie de werkelijke machthebbers in de wereld zijn: de grote multinationals. Eenenvijftig van 's werelds honderd grootste economieën bestaan niet uit landen, maar uit particuliere ondernemingen. Zeventig procent van de wereldhandel wordt beheerst door slechts vijfhonderd bedrijven. Bill Gates is zestig miljard dollar waard - meer dan het gecombineerde nationaal inkomen van Guatemala, El Salvador, Costa Rica, Panama, Honduras, Nicaragua, Belize, Jamaica en Bolivia. De macht van multinationals is vrijwel onbeperkt. Hun verantwoordelijkheidsgevoel jegens de samenleving is daarentegen vrijwel te verwaarlozen.

Het is niet verwonderlijk, dat er zo langzamerhand een mondiale tegenbeweging op gang komt. 'Seattle' was nog maar het begin. Er is dringend behoefte aan een nieuwe economische visie. De kranten staan tegenwoordig vol met verhalen over 'de nieuwe economie'. Maar echt nieuw is die economie helemaal niet. De financiële principes zijn nog steeds dezelfde. Ook de nieuwe economie draait om groei, winst en geld. En ook in de nieuwe economie speelt de mens een bijrol. Vandaar dat het tijd is voor een verklaring over een wérkelijk nieuwe economie. In 1944 bleek een bijeenkomst van staatslieden voldoende om het economische systeem ingrijpend te wijzigen. Anno 2000 staat niets ons in de weg om opnieuw de koppen bij elkaar te steken om uitgangspunten voor een nieuwe economische orde te formuleren. Waarom neemt Nederland niet het initiatief en organiseren wij deze topontmoeting niet? Misschien in het Rotterdamse hotel New York - als tegenhanger van hotel Bretton Woods - dat prachtig is gelegen aan de kade waar mensen ooit instapten op weg naar een nieuw leven. De Verklaring van Hotel New York zou de volgende punten moeten bevatten.

1. Allereerst zouden we de berekening van het nationaal inkomen herzien. De Amerikaanse organisatie Redefining Progress heeft een nieuwe index ontworpen: de 'werkelijke vooruitgangsindicator'. Deze index omvat meer dan twintig aspecten van het economische leven die in de gangbare berekening van het nationaal inkomen niet tot uitdrukking komen, zoals onder andere: de economie van het huishouden en het vrijwilligerswezen; uitgaven ter preventie van criminaliteit en het herstel van schade hiervan; uitgaven voor veiligheid, zoals bijvoorbeeld kosten van auto-ongelukken en luchtzuiveringsinstallaties; inkomensverdeling - niet de hele bevolking heeft noodzakelijkerwijs voordeel van inkomensstijgingen, uitputting van natuurlijke rijkdommen en milieuvervuiling. Wanneer dergelijke factoren in beschouwing worden genomen, ontstaat een economisch beeld dat past bij de werkelijke beleving van de meeste mensen. Volgens de officiële cijfers is het nationaal inkomen in het Westen per hoofd van de bevolking vanaf 1950 meer dan verdubbeld. Toch voelen weinig mensen zich tegenwoordig tweemaal zo gelukkig. De werkelijke vooruitgangsindex loopt tot 1970 parallel met de stijging van het nationaal inkomen, maar vertoont daarna een terugval van 45 procent. Vanaf dat moment wordt de economische groei geneutraliseerd door de kosten van de toenemende economische activiteiten. Veel van wat in het nationaal inkomen als groei wordt gezien, blijkt in werkelijkheid het herstellen van fouten en maatschappelijk verval uit het verleden en het lenen van grondstoffen op de toekomst te zijn. Zodra we onze gangbare economische activiteiten anders waarderen, ontstaat een economie waarin weer plaats is voor mens en natuur.

2. Ten tweede zouden we een nieuwe wereldwijde munteenheid invoeren: de Terra. De ontwerper van de terra - de Belgische topeconoom Bernard Lietaer (zie pagina XX) - is idealist genoeg om van een nieuwe duurzame economie te dromen en realist genoeg om te begrijpen dat deze er alleen komt als dit aantrekkelijk is voor iedereen. En als geen ander weet hij dat 'aantrekkelijk' voor veel mensen 'financieel winstgevend' betekent. De Terra is een waardevaste munteenheid die is gebaseerd op werkelijke waarde, zoals de dollar vroeger aan het goed was gekoppeld. De waarde van de Terra wordt uitgedrukt in een vastgesteld mandje van grondstoffen. Lietaer ziet ons huidige monetaire systeem als het grootste struikelblok naar een duurzame economie. Omdat geld steeds minder waard wordt, zijn we geneigd alleen nog op korte termijn te denken. De teruggave van de honderd gulden die ik vandaag investeer wordt - naarmate de tijd verstrijkt en de munteenheid devalueert - steeds minder waard. Dit is de reden dat weinigen in langere-termijnprojecten investeren. Als we met een munteenheid zouden werken die niet devalueert, dan worden langere-termijninvesteringen een stuk aantrekkelijker.

3. Vervolgens zouden we de Tobin Tax invoeren. Nobelprijswinnaar James Tobin heeft voorgesteld om internationale financiële transacties te belasten met een heffing van een kwart procent. Deze kapitaalbelasting levert per jaar ten minste 250 miljoen dollar op: genoeg om de ergste vormen van armoede te bestrijden, het milieu te verbeteren en basisgezondheidszorg, eten, scholing, schoon water en sanitair voor ieder mens op deze wereld te bewerkstelligen. Canada besloot vorig jaar als eerste land om de Tobin Tax in te voeren. Het voordeel van Tobin's belasting is, dat vrije wereldhandel gewoon kan doorgaan, maar dat een deel van de grenzeloze speculatiedrift wordt afgeroomd en wordt overgedragen op armere delen van de wereld.

4. Natuurlijk zouden we in hotel New York ook besluiten om het initiatief van de Jubilee 2000 Coalition te volgen en per omgaande de schulden van de armste landen kwijtschelden. De gemiddelde buitenlandse schuld van de 41 armste landen bedroeg in 1996 per persoon (man, vrouw of kind) 377 dollar op een jaarinkomen van krap 425 dollar. De totale schuld van deze landen bedraagt tweehonderd miljard dollar. Dit bedrag is eenvoudig op te brengen als je bedenkt, dat binnen een paar maanden enkele honderden miljarden dollars beschikbaar kwamen om de crisis in Zuidoost-Azië af te wenden.

5. De Verklaring van hotel New York zou ook nieuwe regels voor de wereldhandel vaststellen. In plaats van de thans geldende uniforme handelsregels zouden we het aan ieder land zelf overlaten om te bepalen in hoeverre het wil deelnemen aan de mondiale handel. Gedifferentieerde spelregels maken het mogelijk, dat verschillende culturen, steden, volkeren en landen allemaal naar wens kunnen profiteren van de handel. Paul Hawken, auteur van onder andere Natural Capitalism, ziet het zo: 'Het opheffen van landsgrenzen lijkt misschien een goed idee, maar het tegelijkertijd opheffen van de onafhankelijkheid van het betreffende land is geen goed idee. Landen die onderling zo verschillend zijn als Mongolië, Bhutan en Oeganda, hebben geen andere keuze dan Burger King en Pizza Hut binnen hun grenzen toe te laten.'

6. We zouden nog eens uitvoerig stilstaan bij het idee van handel en ons afvragen welke handel zinvol is en welke niet. Het is een verrijking om in Nederland thee te drinken of een mango te eten, maar boter is gewoon boter. Het lijkt niet erg noodzakelijk om Nieuw-Zeelandse boter in Nederland te importeren. Het gemiddelde pondje voedsel van een Amerikaan heeft tweeduizend kilometer afgelegd. Koekjes zijn koekjes. Misschien zijn de koekjes in Italië wel lekkerder dan de koekjes die wij hier maken, maar dat is toch alleen maar leuk? Des te meer reden om eens naar Italië te gaan. Wat is er mis met diversiteit? Wat is er mooier dan een cultuur met eigen koekjes? In de wereldeconomie zijn wij allemaal verworden tot een filiaal van McWorld. Culturen en tradities worden weggevaagd. Zonde! Als we zonodig Frans stokbrood willen eten, is het misschien een idee om iemand uit Frankrijk over te laten komen om ons te laten zien hoe ze dat daar doen.

7. We zouden ook pleiten voor kinder- en bejaardenarbeid. Of liever: we zouden minder in traditionele hokjes willen denken en iedereen de ruimte geven deel te nemen aan het leven met al zijn facetten. Uit naam van koning Efficiëntie hebben we alles en iedereen van elkaar gescheiden: de typistes in een kamer, de staf in een andere ruimte, de arbeiders samen op de werkvloer et cetera. Dit 'efficiënte' systeem zijn we vervolgens op de hele samenleving gaan toepassen: alle kinderen bij elkaar - naar leeftijd gegroepeerd - ouderen in tehuizen, mannen in de fabriek, vrouwen thuis. We komen er nu achter, hoe schadelijk dit is voor menselijke ontwikkeling. Van natuurvolkeren kunnen we leren dat, als kinderen niet alleen met kinderen, maar met meerdere volwassenen opgroeien - en mogen meewerken - ze completere mensen worden. Van ouderen in tehuizen is het bekend dat, als ze actief mogen meedoen in de organisatie, ze gezonder en gelukkiger blijven. Isolement werkt niet. Mensen beleven hun eigen waarde in interactie met anderen - in geven, nemen, lachen, leren en uitwisselen. De misstanden van kinderarbeid in ontwikkelingslanden zouden binnen de context van de Verklaring van hotel New York natuurlijk niet ontstaan.

8. Vervolgens zouden we mensen aansporen om minder te werken voor materiële vooruitgang en meer voor geestelijke groei. Veel van de 'onzichtbare economie' - al dat onbetaalde werk dat van wezenlijk belang is voor de samenleving: koken, boodschappen doen, kinderen grootbrengen, tuinieren, vrijwilligerswerk, enzovoorts - heeft daarmee te maken. Een economie die is gebaseerd op voortdurende materiële groei - steeds harder werken, steeds meer verdienen, steeds meer uitgeven - is in tegenspraak met de wetten van de natuur. De natuur kent zelfregulerende mechanismen, die grenzen stellen aan haar groei. Als er sprake is van ongeremde groei, heet dat 'kanker', een ernstige, levensbedreigende ziekte. Ons economische systeem is op het principe van voortdurende groei - op kanker - gebaseerd. Zo'n systeem kan zichzelf alleen maar vernietigen. Binnen de natuur is ieder onderdeel even belangrijk, geen enkel deel is superieur aan het andere. Atomen vormen moleculen, moleculen vormen cellen, cellen vormen organen, organen vormen lichamen. De organisatie is niet gefragmenteerd, maar één geheel dat bestaat bij de gratie van wederzijdse afhankelijkheid. Het niet erkennen en bekrachtigen van ieder onderdeel van het lichaam maakt het geheel uiteindelijk ziek. Het niet erkennen van de waarde en waardigheid van ieder individu, cultuur en land kan alleen maar leiden tot vernietiging van de hele soort.

9. 'Small is beautiful', hou het klein, schreef E.F. Schumacher in 1963. De menselijke maat zou opnieuw de maat moeten worden waarmee we meten. Geen kolossale waterhoofden die vanonder niet weten wat er vanboven gebeurt. Geen bedrijven die worden gerund door aandeelhouders die slechts uit zijn op winst zonder zorg voor de lokale gemeenschap. Geen anonieme transacties, maar aansprakelijke individuen die verantwoordelijkheid dragen voor hun producten en voor het resultaat van hun productiemethoden. Zo'n economie steunt allereerst op plattere organisaties zonder onnodige hiërarchische structuren, zodat individuen weer verantwoordelijkheid nemen, hun creatieve vermogens kunnen aanspreken en een taak van a tot z kunnen uitvoeren. Als je niet slechts een radertje in een grote machine bent, voel je je betrokken, doe je je werk met plezier en bent je - dus - vanzelf efficiënter. De productiviteit van ondernemingen die het eigendom zijn van haar werknemers, blijkt gemiddeld twintig procent hoger te liggen dan bij gewone bedrijven. Omdat de arbeider-eigenaren woonachtig zijn in de omgeving van hun onderneming, zijn ze vanzelf voorzichtig met het milieu en denken op de langere termijn, als het gaat om het creëren van werkgelegenheid voor hun kinderen.

10. We zouden een vurig pleidooi houden voor plezier tijdens het werk. Meer lachen, meer van elkaar genieten, meer lummelen. (Het is bewezen, dat de beste ideeën ontstaan als je lummelt.) De huidige economie is zo op het resultaat van de productie gericht, dat we vergeten dat het productieproces veel belangrijker is. Het zal best efficiënt zijn om alle kleine boerderijen op te slokken in één grote gigant, maar die gigant zal nooit het product leveren waar we zo langzamerhand meer behoefte aan hebben dan aan wat dan ook: het 'sociale product'. Gewoon: gezelligheid, medeleven, geborgenheid, hartelijkheid. Wat zei die Japanse bankier ook alweer? 'We zijn oververzadigd, bang en eenzaam.' Een boerderij of fabriek produceert meer dan aardappels en schoenen. Het creëert vooral een gemeenschap. En in de nieuwe berekening van het nationaal inkomen is dat een wezenlijke bijdrag aan de werkelijke vooruitgang.

11. We zouden ook kiezen voor de makkelijkste weg. We zouden gewoon weer natuurlijk gaan verbouwen - dus zonder hulp van alle mogelijke chemische bestrijdingsmiddelen. We verminderen dan vanzelf onze uitgaven (bestrijdingsmiddelen kosten een hoop geld) en gaan natuurlijke reststoffen recyclen. De bodem herstelt zich, het milieu raakt minder overbelast en de gezondheid van zowel boeren als consumenten verbetert. We geven minder uit aan gezondheidszorg en investeren het vrijkomende geld in duurzame energie. Ook hier kiezen we de makkelijkste en meest voor de hand liggende weg. Waarom atomen splitsen als wind- en zonne-energie voor het oprapen liggen? Deze energie is niet alleen eindeloos veel veiliger, maar bovendien onuitputtelijk, duurzaam en 'groen'. Kortom: de ideale investering en een enorme injectie voor de economie. Wat willen we nog meer?

12. Natuurlijk zouden we ook gaan besparen, maar niet omdat het moet, maar omdat we het vanzelfsprekend vinden om met respect om te gaan met het kapitaal dat ons is toevertrouwd. De BV Aarde is van ons allemaal. Economie betekent letterlijk 'staatshuishouding'. Wanneer we beseffen dat dit huis van ons allemaal is, dan zullen we vanzelf voorzichtig met 'onze spullen' omgaan. Beperkte aansprakelijkheid bestaat dan niet meer - niet in ons kleine huishouden, niet in ons grote huishouden. Besparen is niet moeilijk en hoeft niet ten koste te gaan van onze welvaart. In Duitsland en Japan is het energiegebruik per persoon nu de helft minder dan in de Verenigde Staten, maar de levensstandaard is daardoor niet met de helft afgenomen.

Terugkijkend zullen historici zien, dat de Verklaring van hotel New York, die op 25 september 2000 door alle grote wereldleiders werd getekend, precies op het goede moment kwam. Na een leven lang te hebben gestudeerd op de oorzaken van de neergang van beschavingen kwam historicus Arnold Toynbee erachter, dat er in feite maar twee redenen zijn waarom de 21 grote beschavingen waren ingestort: extreme concentratie van rijkdom en een gebrek aan flexibiliteit om veranderende omstandigheden het hoofd te bieden. Aan het einde van de twintigste eeuw was de westerse beschaving ernstig afgegleden in de richting van het verval van Toynbee. De nieuwe economische koers na 'New York' was bepaald geen luxe, maar bittere noodzaak.
Wie herinnert zich niet dat historische moment waarop Kofi Anan daar aan de Maas het glas hief en de wens uitsprak dat we alsnog met een schone lei het nieuwe millennium in mochten gaan? En wie herinnert zich niet die aangrijpende woorden toen hij ons - met de ogen van de hele wereld op zich gericht - voorhield dat dit verdrag niet betekende dat we nu een waterdicht systeem hadden. Het betekende niet dat iemands 'onzichtbare hand' er voortaan voor zou zorgen dat alles goed zou komen. Hij herinnerde ons eraan dat de grote Mahatma Gandhi destijds al neerbuigend had gesproken over 'het dromen over systemen die zo perfect zijn, dat niemand meer goed hoeft te zijn'. Nee, de uitdaging lag 'm erin om in te zien dat we elkaar nu - juist nu - meer dan ooit nodig hadden. Een wereldeconomie was tenslotte alleen een wereldeconomie als iedereen meedeed.

Ik weet nog precies waar ik was, die dag, hoe ik me voelde en met wie ik was. Ik weet zelfs nog wat voor kleren ik aan had. Sommige dagen vergeet je nooit meer. Wat ik ook nog heel goed weet is, dat ik toen voor het eerst begreep hoe belangrijk de economie eigenlijk is en dat ze ons allemaal aangaat. Ook mij. Ik hief mijn glas en glimlachte. Ik wist, dat de Verklaring van hotel New York een nieuw begin zou zijn waarbij léven, voelen, erváren en zíjn hand in hand zouden gaan met rekenen, afmeten, cijferen en boekhouden. Ik wist, dat een nieuwe economie geboren was. Een economie, alsof mensen ertoe doen.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.