|
|
Dol op het vliegveld
'In dit leven zijn we allemaal op doorreis. Maar we verkeren nooit concreet in het voorgeborchte van de hel. Daar kom je alleen terecht op een vliegveld als je vlucht vertraagd is.' Over magische ervaringen op het vliegveld.
Het voorstel kwam van de adjunct-hoofdredacteur van het tijdschrift New Statesman, een paar maanden geleden. Hij vroeg me een stuk te schrijven tegen de heersende opinie in, waarin ik stelde, dat een vliegveld geen vreselijk oord hoeft te zijn. Ik ben bang dat mijn reactie zowel spontaan als uitgesproken was. Ik zei dat ik van mijn leven nog nooit zo'n bezopen idee had gehoord, en kwakte de hoorn op de haak. Ik was net terug van een uitputtende reis naar de Verenigde Staten, waar ik - door een combinatie van knulligheid en gebrek aan souplesse bij American Airlines - in Washington mijn aansluitende vlucht misliep en aldus een oponthoud van negen uur moest uitzitten op het vliegveld Dulles. Rondhangen op een vliegveld is nooit fijn. Zeker niet op Dulles (dat ik na een verblijf van een half uur al had omgedoopt tot 'Dullest', en daar was ik vast niet de eerste mee), negen uur lang.
Amerikaanse vliegvelden zijn vreselijk, vooral als je wilt roken. Er is op Dulles een rookkamer. Hoewel er in de rookkamers van Amerika een atmosfeer heerst van een soort benepen broederschap, heerst er ook een atmosfeer van honderden benepen sigaretten waaraan is gesabbeld in zo'n raamloze glazen kubus, nog los van de wolk paranoia en wrok die de belaagde roker verspreidt in een Amerikaanse openbare ruimte. Op een bepaald moment glipte ik het gebouw uit, en bevond mij in de open lucht - althans, ik meen dat dit normaal gesproken zo wordt aangeduid: er was slechts één muur, achter mij, waar een licht briesje langsdartelde, en voor me was een bushalte, nondeju. Onmiddellijk werd ik toegekrijsd door een of andere nazi in uniform voor ik drie trekjes had kunnen nemen.
De tijd heeft me milder gemaakt. Of preciezer gezegd: de tijd heeft me innerlijk verhard, en me toen - een flinke poos later - weer wat doen verzachten. Want als kind kende ik geen plek op aarde met meer toverkracht dan een vliegveld. Om te beginnen was het nauwelijks meer op aarde. Het vliegveld was de plaats waar je afscheid nam van de grond. En terwijl je daarop wachtte, kon je zien hoe alle andere vliegtuigen ook het verre verschiet inzeilden. Weet je nog hoe je daar op het bezoekersplatform hebt gestaan? Die brullende motoren, de wind in je haar, de wind in de windzak, de imposante wervelende waakzaamheid van de radar, de majestueuze kolom van de verkeerstoren, net als bij de Thunderbirds?
Er werd goed voor ons kinderen gezorgd door luchtvaartmaatschappijen in de jaren zestig en begin zeventig. (Of ze wisten natuurlijk precies hoe ze ons moesten strikken.) De stewardessen leken stuk voor stuk op Tippi Hedren, en maakten wonderlijke, nieuwe verlangens los in het gemoed van zowel jongens als meisjes. Na diverse verhuizingen sinds 1966 heb ik tot vandaag elke trofee van vluchten als jongetje weten te behouden: een nog steeds glimmende insinge van een Western Airlines Junior Pilot,en twee insinges van een Pan Am Junior Clipper Stewardess. Geen idee waarom.
Wij vlogen altijd met Amerikaanse toestellen als dat mogelijk was. Immers, zij hadden het vliegen uitgevonden. Waar of niet? En rond de tijd waar we het nu over hebben, leek het erop, dat ze ook de ruimte gingen veroveren, want stond op dat ruimteveer dat Doctor Dinges naar de maan bracht in Stanley Kubrick's film 2001: A Space Odyssey niet heel onopvallend het logo van Pan Am? Nou dan. Ik liet mijn oma mij acht keer meenemen naar die film - wat haar levenseinde waarschijnlijk versneld zal hebben - maar de voornaamste indruk die ik eraan overhield, was de hoop - ja, zelfs zekerheid - dat ik over dertig korte jaartjes ook naar de maan zou vliegen in een raket van Pan Am. Ik zou daarvoor eerst naar een ruimteveld à la Kubrick moeten komen. Tot die tijd behielp ik me wel met vliegvelden.
De vliegvelden hadden toen nog niet van die ranzige winkelketens die teddyberen met een vliegeniersbril verkochten. Geen begerig winkelpersoneel dat in de belastingvrije winkel rondsloop en je vroeg of je misschien een ander merk whiskey wilde kopen, omdat ze je favoriete soort helaas niet meer hadden. Geen vele vierkante meters menselijk wrakhout, samengeperst in een wankel evenwicht tussen overwintering en doodsangst. Toen was er geen sprake van verveling, alleen uitzinnige voorpret over de komende vlucht. We waren te jong om zelf te weten wat 'vliegangst' betekent. Terrorisme en de fobieën die daarbij horen, bestonden nog niet. De uitdrukking 'jet set' werd nog zonder ironie gebezigd.
Van wat er sindsdien is gebeurd, kun je niemand de schuld geven. In die dagen kostte een vlucht naar Amerika drie weken loon - of, in mijn geval: twintig jaar zakgeld. Nu is het aanzienlijk minder duur, dus is het geen wonder dat de vliegvelden verstopt zitten. De ontmoedigende ervaringen stapelen zich binnen je bewustzijn in blijvende patronen op. Typische gevalletjes: voetganger-transportbanden die niet transporteren, machines voor bagageafhandeling die je koffers aan flarden scheuren, zoektochten naar de wc die sterk aan de Odyssee doen denken. Maar toch, dat zijn routinekwesties, clichés, het soort van dertien-in-een-dozijn-beledigingen die je echt niet meer persoonlijk kunt opvatten. Daarnaast is er de doorsnee kolonne aan emoties, die maar twee keer stopt: bij gevallen van 'uitgeput' en 'bang' (dat is: bang dat je niet alleen het vliegtuig zult missen, maar ook gaat sterven als je het wel haalt).
Ik ben van gedachten veranderd door een recente vlucht vanaf het vliegveld bij het Franse Nice. Ditmaal had mijn toestel weer eens vertraging, bijna drie uur. Ook was ik al uren onderweg geweest om op het vliegveld te komen, en waren mijn koffers nog steeds aan repen gesneden na de meedogenloze behandeling op de heenreis. Zo liep ik daar rond. Zonder een cent op zak, eenzaam, met in mijn armen een laptop waar twee jaar werk opstond. Ik was als de dood dat een of andere salaud Niçoise mij die afhandig zou maken. Helaas is het mijn gewoonte om zodanig gekleed te gaan, dat ze me nooit een betere stoel zouden aanbieden - hoogstens iets beter dan het vrachtruim, ook al was het hele toestel leeg. En als klap op de vuurpijl had ik als leesvoer een van die romans van Paul Bowles bij me, waarin de hoofdpersoon tegen het eind volledig geschift wordt, alleen en op een vreemde plek. En dat boek had ik net uit.
Toen gebeurde er iets dat nogal heerlijk was. Ik kwam erachter, dat de bar op het vliegveld creditcards accepteerde. Ik ben oud genoeg om dit als een verworvenheid van onze beschaving te ervaren, en jong genoeg om afrekenen met plastic als iets heel anders te beschouwen dan betalen met geld. Ik ging zitten met genoeg cognacjes voor m'n neus om mezelf drie uur zoet te houden, en dacht ineens weer aan dat rare verzoek voor dat artikel. Ik keek om me heen. Ik bevond me op ogenschijnlijk de allerergste plek van de wereld, met uitsluitend verveling en zorgen als gezelschap. En ik zal je wat vertellen: het was zo gek nog niet. Als je denkt, dat je werkelijk niet dieper kunt zinken, is er altijd iets om je aan vast te klampen, zoals bijvoorbeeld dat je nú géén last hebt van kiespijn, en ook niet wordt gemarteld vanwege je politieke overtuiging.
Toen ging de bar dicht.
Maar er was er nog een. Als je vliegveld groot genoeg is, dan is er altijd nog eentje. En dit keer trof ik iemand, met wie ik een gesprek kon aanknopen. Ik kletste met een aantrekkelijke alleenstaande vrouw, iets jonger dan ik. Ik ben iemand die er nooit in slaagt om met succes een vrouw aan te spreken op de plekken waar je geacht wordt ze aan te spreken - feestjes, disco's, kunstprogramma's op de radio - dus verbaas ik me eerlijk gezegd nogal over het gemak, waarmee ik met volslagen vreemden gesprekjes voer op een vliegveld, zonder ze op de vlucht te jagen. Dat lukte me. Ineens stond ik te praten, in een verrassend doeltreffende mengelmoes van Duits, Frans, Italiaans en Engels, met een verrukkelijke vrouw uit Oostenrijk, over van alles: van het werk van Thomas Bernhard tot haar vliegangst.
We regelden dat we tijdens de vlucht naast elkaar konden zitten, en na de landing op Heathrow wist ik nog een lift tot aan mijn huis los te peuteren in de wagen van haar bedrijf. Terwijl ik bij mij thuis naar binnen liep, dacht ik na over dit succesje. Hoe kwam dit? Welk toverpoedertje was er op dat vliegveld over me uitgestrooid?
Mijn favoriete boektitel wat betreft vliegvelden, prijkt op de dichtbundel van Ivan Kershner, Airports full of people a long time dead. Ik heb er nooit een woord in gelezen, maar met zo'n titel moet het wel de moeite waard zijn. Misschien is die titel van Kershner zelfs wel beter dan hij beseft. In dit leven zijn we allemaal op doorreis. Maar we verkeren nooit concreet in het voorgeborchte van de hel, de limbus. Daar kom je alleen terecht op een vliegveld als je vlucht vertraagd is. Uit Dante herinnert u zich misschien nog, dat de limbus officieel bij de Hel hoort, maar de eigenlijke plek is waar de deugdzame heidenen vertoeven, de mensen die de pech hadden te sterven voor ze de boodschap van Jezus konden horen, en dus geen toegang kregen tot het Paradijs, maar die jofel genoeg waren geweest om niet voor zoiets flauws gestraft te worden. En het aardige aan de limbus is, dat je er een praatje kunt maken, wanneer je even weg kunt komen bij de zwermen ongedoopte baby's die daar rondvliegen.
Precies zo voelt het aan als je op het vliegveld bent: het is wel een beetje een straf, maar omdat je er ook niets aan kunt doen, mag je van die ervaring maken wat je wil - of wat je kan. Zo bekeken, is het een goede test van je eigen vermogens, het soort ervaring dat Nietzsche zijn beste kreet voor op een T-shirt deed verzinnen: 'Wat mij niet vernietigt, maakt me sterker'. Want het zijn ongelooflijk gedenkwaardige plekken, ondanks zichzelf. Nu zou je hetzelfde kunnen beweren van een afdeling intensive-care om maar iets te noemen, maar een vliegveld grift zichzelf in je herinnering, niet alleen ondanks, maar misschien wel vanwege zijn gebrek aan een eigen gezicht, zijn vluchtigheid.
De regels om te genieten op een vliegveld zijn betrekkelijk eenvoudig.
1) Probeer Heathrow te mijden, en elk vliegveld waar te veel mensen rondlopen. Een vliegveld is een plek van mogelijkheden, bezwangerd met de kans op nieuwe vormen, maar dat moet wel meer inhouden dan de aanschaf van een nieuwe das, of een grappig slipje.
2) Je dient je op een vliegveld te voelen alsof je niets meer te verliezen hebt, in spiritueel opzicht. Het is prima om er volslagen uitgeput aan te komen, of met een kater.
3) Het helpt om die sectoren te ontlopen waar je complete gezinnen horizontaal ziet liggen, ongemakkelijk slapend op slecht passende stoelen. Vermijd kinderen met draagbare computerspelletjes. Vermijd kinderen sowieso.
4) Drink een paar borrels, en kom innemend verfomfaaid over. Maar zorg wel, dat je er niet echt als ziek of gestoord uitziet.
5) Lees een boek, niet de krant. Boeken leiden tot inzichten. Een krant zuigt je alleen maar leeg. In hoge nood kun je een exemplaar van dit blad aanschaffen.
6) Begin met roken, en zoek dan iemand die ook wil roken. Ga voor solidariteit.
7) Kom niet op Amerikaanse vliegvelden. Natuurlijk is het een geweldig land, maar de vliegvelden zijn het gewoon niet waard.
8) Onthou dit: iedereen om je heen is net zo verveeld en opgefokt als jij. Jij hebt het vermogen in je om een klein snufje toverkracht te strooien in het verveelde, opgefokte leven van al die andere mensen.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.