|
|
Niet mijn kind
Elke woensdag komt zij naar het ziekenhuis. Naar de afdeling pasgeborenen. Als vrijwilliger houdt zij dan drie uur lang baby's vast.
Dit kind is niet van mij, maar toch ontglippen me bezitterige woordjes: 'Mijn kleine meisje. Lief baby'tje van me.' Al heb ik haar nooit eerder gezien, toch denk ik te weten wat ze nodig heeft: het licht naast haar ziekenhuisbedje moet worden gedimd, haar losse armpjes moeten met een bandje veilig tegen haar borstkas worden vastgemaakt. Ze heeft nog geen naam, ze heet 'Meisje' plus een achternaam getypt op een identificatiekaartje aan het voeteneind. Ze wist iedereen te verrassen, overviel haar ouders voor ze een wiegje of een autozitje bij de hand hadden, zonder kant-en-klaarmaaltijd in de vriezer, zonder het uithoudingsvermogen dat ouders zo nodig hebben. Ik klop haar op haar ruggetje, bescherm haar oogjes tegen het licht, pak haar twee handjes stevig in mijn handpalm en druk ze tegen haar borstbeen. Ze ontspant zich en maakt een geluidje - geen lachje of een snik, maar iets daartussenin: een pruttelende zucht van overgave. Ik kir terug tegen haar, zo voeren we een gesprek en onze primitieve klanken laten de innerlijke snaar trillen die de macht heeft over de reflexen. Hiertoe is de communicatie op de afdeling neonatologie teruggebracht: zij steekt haar tongetje uit, ik doe het ook. Zij huilt en vol medeleven stijgt mijn stem enige octaven: 'Ja, weet ik heus wel. Alles komt goed met jou.'
Uiteraard weet ik daar helemaal niets van. Ik kan niets over haar weten, afgezien van haar urgente lichamelijke behoeften en verlangens. Ik weet niet welke organen het kunnen opgeven, of er lacunes zijn die haar hart verzwakken, of waar haar ouders zouden kunnen zijn. Ik ben vrijwilliger. Ik kom elke woensdag naar de afdeling pasgeborenen, daar doe ik een blauw jasje aan met een naamkaartje erop en dan hou ik drie uur lang baby's vast. 'Ik ben maar vrijwilliger', zeg ik, als een ouder mij iets vraagt over medicijnen, of als er een dokter langskomt die een zaklampje over het gezicht van een baby laat schijnen. Ik weet niets, dus ontwikkel ik mijn instinct in plaats van parate kennis. Ik loop zachtjes door de gangen, vrijwel onzichtbaar, omdat babygehuil ergens op de afdeling mij die kant op lokt. Ik trek rubberen handschoenen aan, die tegen mijn huid petsen en baan met mijn armen een weg door een jungle aan infuusbuisjes om het kind uit zijn bedje te tillen. Ik loop achteruit en ga in een schommelstoel zitten. Ik ben inmiddels volleerd als het erom gaat de wirwar aan slangen en buizen in de lucht te houden. Ik sla nauwelijks acht op het verband, de blauwe plekken en de snijwonden. De baby valt onmiddellijk in mijn armen in slaap, maar ik ga door met schommelen. Ik kan haar niet neerleggen, nu nog niet. Ik weet dat ze me voelt schommelen, zelfs al slaapt ze. Haar adem - zuur en bitter - wordt mijn adem, haar ratelende hartje dat van mij.
De verpleegster vraagt, of ik wil helpen om een vroeggeboren kindje dat helemaal van streek is, te kalmeren. Ik laat mijn handen in de handschoenen aan de couveuse glijden en streel over het buikje, dat zo groot is als bij een pasgeboren katje. Hij huilt, maar ik kan hem nauwelijks horen door de wanden van plastic en al gauw wordt hij weer rustig. Zijn armen liggen open langs de zijkanten van zijn lijfje, zijn mond vormt zich naar een ingebeelde moederborst.
Om me heen verspreidt deze afdeling een sfeer van kalmte - hier geen noodgevallen, geen alarmsignalen. Eén verdieping hoger is de intensive care. Veel van de baby's hier zijn neergedaald vanaf dat niveau, weggehaald van de drempel, hun ouders uitgeput en bleek. Eén verdieping lager is de noodbehandeling. Andere baby's zijn daarvandaan opgestegen, gered van stuipen, stikken, een hersenschudding. Midden tussen deze twee paniek-etages ligt dit rijk van volledige balans, waar elke ademtocht met apparatuur wordt gevolgd - en elke polsslag. Zusters lopen snel heen en weer tussen de ene plicht en de andere, doen baby's hun luier om, ritsen de papieren huls van een thermometer, noteren elk relevant feitje op hun dagstaat. Al deze handelingen vloeien tezamen, en geven me het doezelige gevoel dat alles hier gewoon z'n gangetje gaat en er niets echt mis kan gaan.
Toen ik twintig was, had ik twee buitenbaarmoederlijke zwangerschappen, waardoor ik geen kinderen meer kon krijgen. De bevruchte eitjes hadden zich genesteld in mijn eileiders en deden de nauwe doorgangen openbarsten. Na beide miskramen werd ik wakker in een ziekenhuiskamer en voelde ik niet alleen de pijn in mijn liezen, waar ik met drukverbanden bij elkaar werd gehouden, maar ook een vaag gevoel van schuld, alsof ik werd gestraft voor een of andere vreselijke misstap. Ik was niet religieus, maar toch sloeg ik het Oude Testament op en las daar over onvruchtbare vrouwen - Sara, Rachel, Hanna - wier verhalen mijn angsten bevestigden: onvruchtbaarheid was een ingreep van God, die de baarmoeders had 'gesloten' van vrouwen die tekort waren geschoten. Omgekeerd was een kind ter wereld brengen een zegen - een opening en een daad van vergeving.
Sommige van deze kinderen dragen een T-shirt van het ziekenhuis en worden warmgehouden in goedkope flanellen dekens. Hun wiegjes zijn kaal. De enige versiering is een identificatiekaartje en een druk beschreven dagstaat - geen ballonnen, geen foto's, geen tekeningen. Zo'n naakt bedje wil meestal zeggen dat dit kind te vondeling is gelegd, overgelaten aan de zorg van het ziekenhuis of de instanties die zich ontfermen over dergelijke zuigelingen. De ouders zijn niet te vinden, of weigeren te komen, of zitten achter slot en grendel.
In een steriele kamer wordt een meisje te vroeg geboren, met dertig weken. Haar tienermoeder heeft voor de bevalling geen enkele vorm van zorg gekregen. De botten van de baby waren zo broos, dat de meeste ervan gebroken zijn tijdens de bevalling. Nu is ze bijna blind, haar longen zijn misvormd en haar gehoor beschadigd. Toch lijkt ze - nu ze het moederlichaam twee maanden geleden heeft verlaten - vastbesloten om in leven te blijven. Ze zuigt met woeste energie aan haar fles, pakt de speen stevig vast met haar mondje en zet enorme ogen op. De moeder is al drie weken niet langsgekomen, vertelt een leerling-verpleegster me en dus hou ik deze baby dichter tegen me aan en fluister zacht in haar oortje, alsof deze luttele uurtjes een leven vol verwaarlozing kunnen goedmaken.
Als ik thuiskom en mijn vriend vertel over dit kindje, over haar medische problemen en de afwezige moeder, is zijn reactie: 'Waarom heeft ze niet gewoon voor een abortus gekozen?' Hij zegt hardop wat ik alleen durfde denken, wat ik al de hele middag loop weg te duwen en dus word ik kwaad en ga op het trappetje bij de voordeur zitten huilen. Als hij naar buiten komt om zijn excuses te maken, leg ik uit: 'Die baby is nu geen abstract idee meer.'
Na mijn drie maanden op de afdeling neonatologie is het vraagstuk van abortus toegespitst tot één fundamentele vraag: op welk moment werd dat kluitje gedeelde cellen binnen in dat tienermeisje die baby waarvan ik het gewicht nog steeds in mijn armen voel? Het meisje was zeker beter af geweest als ze voor een abortus had gekozen. Misschien staat haar kind een zwaar leven vol pijn te wachten. Maar bestaat er werkelijk een drempel tussen niet-menselijk en menselijk die wordt overschreden na drie maanden, of vier maanden, of zes? Wordt een foetus pas menselijk als die eruit gaat zien als een persoon, met handen en vingers en haar? Hoe verklaar ik het verdriet dat ik nog steeds voel over mijn eigen miskramen? Ik heb daar geen antwoord op en ik heb te veel tijd om vragen te stellen terwijl ik op en neer schommel, met een baby in mijn armen die snel ligt te ademen. Sommige ervan zien eruit alsof ze nog in de baarmoeder zitten: zo gerimpeld en iel zijn ze. Ik geef ze ritmische klapjes met mijn hand tussen hun schouderbladen en boots daarmee de hartslag van de moeder in de uterus na. Ik geef ze een allesoverheersende impuls waaromheen ze de chaos kunnen rangschikken.
Op onze afdeling kijken wij vrijwilligers steels naar elkaar. We zien de blauwe jasjes vanuit een ooghoek en knikken dan. We zijn hier om diverse redenen, maar op het aanmeldingsformulier zien onze motieven er eender uit: Ik wil iets terugdoen voor de gemeenschap. Ik ben dol op kinderen. Ik zou wel graag arts willen worden. Achter die woorden gaan de andere redenen schuil: Ik ben eenzaam. Ik heb geen kinderen. Ik wil het gevoel hebben dat ik ertoe doe. Ik wil dat iemand me mist als ik er niet meer ben.
Ik weet niet of iemand mij mist als ik weg ben. Ik stap in mijn auto en trek het blauwe jasje met mijn naamkaartje uit. Mijn handen ruiken nog naar baby, of naar ziekenhuiszeep en het talkpoeder dat aan de binnenkant van de rubberen handschoenen zit. Mijn linkerarm zal een hele dag stijf zijn. Ik breng de rest van de week op de gebruikelijke manieren door. Dan wordt het dinsdag en komt er een plezierige en onvermijdelijke druk op mijn agenda. 'Morgen ben ik in het ziekenhuis', zeg ik tegen niemand in het bijzonder en kruis het weer eens aan op de kalender.
Gisteren heb ik een baby vastgehouden die door hard slaan in een coma was geraakt. Ik heb haar drie uur vastgehouden. Haar lichaamshouding was onnatuurlijk verstijfd, haar huilen klonk als het miauwen van een kat. Haar zenuwen konden nog steeds reageren op pijn, vertelde de zuster me, maar voor de rest lagen haar hersenen stil. Ze was zes maanden oud. 'Lijkt er niet op dat ze er nog uitkomt', zei de verpleegster. Ze aaide voorzichtig het babyhoofdje en liet me toen met haar alleen. Het kindje leek het meest op haar gemak als ik haar dicht tegen mijn zij hield, zo lang als ik niet bewoog. Ze schrok hevig van iedere beweging en ging dan huilen. Ik prentte haar wimpers in mijn geheugen - diepzwart en zo onwaarschijnlijk lang, dat ze tegen de bovenrand van haar wangetjes krulden.
Ik kon niet de gedachte verdringen aan het moment waarop een grote hand tegen de tere plek op haar slaap had geslagen. Ik hield haar tegen me aan, in de kromming van mijn arm en verstijfde ook - net als zij - roerloos bevroren. Later, toen ik het meisje samen met de zuster rechtop in haar bedje tussen de kussens had gezet, zag ik voor het eerst haar hele gezichtje. Ze was wakker: één oog wijd open, het andere half dicht.
Toen ik het ziekenhuis uitliep, zat ik een tijd in mijn auto te huilen van uitputting en woede. Ik reed naar huis, met witte knokkels vastgeknepen aan mijn stuur. Mijn vriend zei: 'Misschien ben je later een flitsje in haar herinnering, één seconde troost.' Misschien. 'Je weet wel, als je ziek bent,' zei hij, 'en je herinnert je alleen nog maar het ogenblik dat er een mild windje door het open raam woei en je koelte gaf. Zo'n moment van zachtheid.' Waarschijnlijk ben ik later helemaal niets, of alleen maar onderdeel van een niet-aflatende pijn. De hele nacht voelde ik het gewicht van die baby op mijn arm. Ik weet nog hoe ik haar knietje streelde, haar kuit, haar tenen die al helemaal stijf waren, alsof de rigor mortis al had toegeslagen. Ik herinnerde me dat ene oogje, wijd open maar nergens op gericht. Ik kon haar niet bereiken. Toen ik haar streelde, probeerde ik het uit te leggen: zo kan het zijn als je wordt aangeraakt.
Vandaag is het de laatste dag op de afdeling pasgeborenen. Ik ga verhuizen naar een andere stad en ik zal deze kindjes erger missen dan ik kan verwoorden. Een verpleegster wier naam ik nooit te weten ben gekomen, heeft me gevraagd om een meisje van twee maanden vast te houden, piepklein als een pasgeborene. Deze baby heeft last van een diepe, rochelende hoest, dus draag ik een lange jas, handschoenen en een mondkapje als ik haar de fles geef. Ze staart me verbijsterd aan en grijnst zoveel, dat de speen tussen haar lippen vandaan plopt. Voor haar bestaat de hele wereld uit ogen die boven roze papieren kapjes op haar neerkijken en ik voel hoe ze die maskers met de kracht van haar blik probeert af te rukken. Ze heeft een T-shirt van het ziekenhuis aan en sokken die langs haar kuiten zwabberen als beenwarmers. Geen boekjes, ballonnen of tekeningen versieren haar kamer. Ik zie geen naam op haar dagstaat.
'Wie ben jij?' vraag ik haar, en glimlach onder mijn mondkapje. De speen glijdt uit haar mond. Haar ogen staan zo helder dat ik hun aanblik haast niet kan verdragen. Maar ik buig me een beetje voorover om te horen wat ze zou kunnen zeggen. Haar armen zwaaien als molenwieken om haar hoofdje - wijzen naar de kersenbomen buiten het raam, naar de andere baby's, naar de zusters, en dan weer terug naar mij. Ze houdt haar blik vast op mijn gezicht gericht. 'Wie ben jij?' lacht ze.
Wie ben ik? Ik ben een vrouw die een baby vasthoudt die niet van mij is. Ik neem haar gewicht in mijn armen, licht als het is en houd haar vast zoals moeders altijd een klein kind zullen vasthouden: dicht bij mijn borst, mijn hart.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.