|
|
Ik denk, dus ik win
De weg naar winst en roem is voor een sporter een beleving. Psychologen hebben het onderzocht en bewezen: er zijn technieken waardoor je beter presteert. De voetbaltrainer die in de kleedkamer tegen zijn spelers brult en met theekopjes smijt, sterft langzaam uit. De Chicago Bulls lieten het al zien: geestelijke discipline is belangrijk voor de winning mood.
Toen David Batty tijdens het laatste wereldkampioenschap voetbal naar voren kwam om voor Engeland een van de beslissende strafschoppen te nemen tegen Argentinië, deed hij alles volgens het boekje van de sportpsychologie. Hij nam in gedachten de hele procedure door, stelde zich voor hoe de bal tegen het net zou vliegen, nam de beslissing waar hij hem zou inschieten en veranderde niet op het cruciale moment van mening. Ondanks al die voorzorg werd zijn schot gestopt. Hartelijk dank aan de handboeken sportpsychologie, zou je zeggen.
Mohammed Ali hoefde geen boeken te raadplegen. Aan zijn geloof in eigen kunnen hoefde hij niet te werken. Mocht de gedachte ooit bij hem zijn opgekomen dat hij niet The Greatest was, dan liet hij daarvan nooit iets merken. 'Het is gewoon een bezigheid', omschreef hij op een keer zijn broodwinning. 'Het gras groeit, vogels vliegen, de golven rollen naar het strand. En ik sla mensen in elkaar.'
Maar er zijn tegenwoordig maar heel weinig profspelers en trainers die de psychologische kant van hun sport niet serieus nemen. Noem het motivatie, inzet, doelbewust bezig zijn, teamgeest, het komt allemaal op hetzelfde neer: de geest inschakelen om optimaal gebruik te maken van de aanwezige aanleg en vaardigheden.
De wortels van de sportpsychologie liggen in de Verenigde Staten en zijn afgeleid van onderzoek in het zakenleven en militaire kringen. Wat een bevelhebber succesvol maakt - of hij nu een handelsbank leidt of een regiment - heeft logische consequenties voor sporttrainers en clubmanagers. De eigenschappen die een verkoper doen slagen of een peloton met een onwrikbaar moreel doen vechten, kunnen worden toegepast om de prestaties van individuele deelnemers of ploegen te verbeteren. Onderzoek naar het moreel van Amerikaanse troepen tijdens de Tweede Wereldoorlog gaf aan, dat kameraadschap en onderling vertrouwen binnen een kleine groep personen - gewoonlijk niet meer dan acht soldaten - hen tot succesvolle strijders maakten. Ze vochten niet voor de democratie, de Amerikaanse cultuur of om al die landen van de nazi's te bevrijden. Nee, ze vochten heel eenvoudig voor elkaar.
'Het feit dat sommige mensen een natuurlijk psychologisch overwicht bezitten, leidde tot de opinie dat anderen nu eenmaal net een maatje te klein zijn', zegt Paul Morgan, als sportpsycholoog verbonden aan Newcastle College. 'Maar in de afgelopen tien tot vijftien jaar hebben we ingezien, dat veel van die dingen kunnen worden aangeleerd. Zelfs als je niet ter wereld bent gekomen met het vechtersinstinct van iemand als Björn Borg, kun je door bepaalde technieken te leren veel beter presteren in de sport.' Mensen die op hun terrein het meeste succes boeken, ondanks alle variaties in afkomst en karakter, voldoen aan een gemeenschappelijk patroon. Ze zijn strijdbaar, optimistisch en ambitieus. 'De ware groten onderscheiden zich van de middelmaat doordat ze in extreme mate doelgericht zijn', meent Morgan. 'Ze hebben hun doel nauwkeurig afgebakend en hebben een volkomen helder idee hoe ze het gaan bereiken. De meesten hebben het zelfs opgeschreven - hoewel ze dat niet snel zullen toegeven - en lezen het regelmatig nog eens terug. Dit zijn niet zomaar een paar woorden op papier gekrabbeld. Ze hebben een krachtig mentaal beeld van waarheen ze willen en hoe ze daar zullen komen.'
Hans Eysenck, de omstreden psycholoog, stelt in zijn boek The psychological basis of personality dat de persoonlijkheid twee voorname dimensies kent: van introvert naar extrovert en van neurotisch naar evenwichtig. Extroverte mensen zijn gezellig, optimistisch en impulsief, maar kunnen ook agressief en onbetrouwbaar zijn. De introverten zijn behoedzaam en betrouwbaar, ze hanteren een strenge moraal, en zijn pessimistisch. Degenen die hoog scoren op het neurotische vlak, zijn als type zorgelijk, buiig en snel van hun stuk gebracht, terwijl de evenwichtigen onder ons gelijkmoedig gestemd zijn en in lastige situaties weinig emoties tonen. Wij vallen allemaal ergens tussen deze vier uitersten en het zou voor de psycholoog gemakkelijk zijn, wanneer alle sporters in hetzelfde hokje zouden zitten. Dat is niet zo. De Engelse showvoetballer Paul Gascoigne zit aan de buitenste rand van extrovert en neurotisch en de koele spits Alan Shearer hoort meer thuis bij de evenwichtige variant van de licht-extroverten. Daardoor moeten uiteenlopende technieken worden toegepast om uit verschillende sportmensen het beste te halen.
Voor degenen die, net als Gascoigne, eerder moeten worden gekalmeerd dan opgepept voor een belangrijke wedstrijd, kunnen sportpsychologen een aanpak voorschrijven die varieert van rustgevende muziek tot hypnose. De sportman moet de meest effectieve plek weten te vinden op wat sportpsychologen 'de grafiek van de opwinding' noemen. Verkeer je ergens onder aan de grafiek, dan ben je bijna in slaap. Zit je helemaal bovenaan, dan ben je te gespannen om optimaal te presteren. De directe partner van een ontspannen houding is visualiseren, ofwel een 'positieve resultaatfantasie'. Ook die lijken de meest geslaagde sportmensen uit zichzelf al op te wekken, waarschijnlijk doordat ze een grote voorraad succesvolle ervaringen achter de hand houden om hun beeldvorming op te baseren. Maar uit onderzoek blijkt, dat een 'negatieve resultaatfantasie' - de overtuiging dat je zal verliezen - in feite meer invloed heeft: hoewel het inschakelen van een positieve resultaatfantasie heel belangrijk is, is het cruciaal om een negatieve resultaatfantasie geheel uit te bannen. Onder de techniek om dit te bereiken vallen een gerichte doelstelling, afleiding en innerlijke dialoog. Het voornaamste aan de doelstelling i, dat het beoogde doel eenduidig is en dat het realistisch is bij het uitdagen van de concurrentie. Een trefzekere vorm van feedback, die de doelstelling vergelijkt met behaalde resultaten en daarmee laat sporen, is onmisbaar.
Afleiding is de nobele kunst om niet te lang bij een zwak moment te blijven stilstaan. Morgan heeft een tijdje gewerkt met een rugbyspeler die vroeg in het seizoen een makkelijke vangbal had gemist, waarna de tegenpartij van de fout had geprofiteerd. Hij raakte helemaal zijn greep op de wedstrijd kwijt en gaf na afloop toe, dat hij zich na die ene fout had ingebeeld dat het hele seizoen voor hem een fiasco zou worden. 'We moesten zijn gedachten flink verzetten', herinnert Morgan zich. 'We zorgden er onder andere voor, dat hij ging nadenken of de bal met de klok mee draaide of andersom, als hij zich schrap zette om een hoge worp te vangen. Door hem zich daarop te laten concentreren en zich geen zorgen te maken of hij die zou laten vallen, werden zijn prestaties een stuk beter.' Zo'n innerlijke dialoog is een belangrijke techniek die mensen toepassen om zichzelf uit een negatieve gedachtespiraal te redeneren. De weifelachtige sporter doet elke fout af als zijn zoveelste pechgeval of als een overtuigend bewijs dat hij kwaliteit mist, maar hij kan technieken leren om hem vooruit te helpen. Hij kan bijvoorbeeld zijn gedachten richten op andere momenten waarop hij wel succes had. Hij kan zich aanleren om rationeel naar zijn fout te kijken, niet emotioneel. 'Die dingen moet je oefenen', zegt Morgan. 'En sporters hebben vaak een hoop aanmoediging nodig. Maar je ziet hun pessimisme na enkele weken vervagen. De meeste sportlieden worden bij het verwezenlijken van hun talenten gehinderd door een te beperkt geloof in hun eigen kunnen. Daarin moet je verandering brengen.'
Bij een aantal takken van sport wordt nog steeds neergekeken op de psychologie. Voetbal is niet uitgesproken vaardig op het mentale vlak. Het is een cultuur die sterk wordt gedomineerd door het lichamelijke. Stephen Smith is een gevestigde psycholoog die in sport is gespecialiseerd. Wanneer hij met voetbaltrainers werkt, beveelt hij het gebruik van vragenlijsten aan om de verschillende persoonlijkheden van zijn ploeg in kaart te brengen. 'Mensen voelen zich vaak ongemakkelijk als ze over hun gevoelens moeten praten en met name bij voetbal heerst er een cultuur dat je geen tekenen van zwakte wil tonen tegenover de trainer. Met een vragenlijst maak je veel meer kans om dichter bij de waarheid te komen: hoe iemand werkelijk over zichzelf denkt, hoe gevoelig hij is voor kritiek, hoe ambitieus hij is en hoe het staat met zijn persoonlijke niveau van emotionele zelfbeheersing.'
Het kan zijn, dat de meest succesvolle trainers in het Engelse voetbal geen vragenlijsten hebben gebruikt, maar ze hebben er persoonlijk voor gezorgd dat ze hun spelers goed kennen en begrijpen. Alex Ferguson, de manager van Manchester United, steunde niet alleen Eric Cantona na de beruchte karatetrap die hij uitdeelde naar iemand uit het publiek in Selhurst Park, maar maakte hem zelfs aanvoerder van de ploeg. De grotere verantwoordelijkheid die op Cantona's schouders kwam te rusten, hielp de Fransman om de al te agressieve uitwassen in zijn spel te beteugelen. Ferguson is er ook goed in geslaagd om een sterk gevoel van saamhorigheid en teamgeest te kweken bij Manchester United. Hij maakte bewust gebruik van het feit dat mensen graag de pest hebben aan die club om een underdog-mentaliteit van 'wij tegen de rest' te stimuleren.
De 'sport-shrink' blijkt een aanlokkelijk beroep. Aan Newcastle College zette Morgan een parttime vervolgopleiding in sportpsychologie op en binnen drie maanden waren er tienduizend aanmeldingen. Maar Morgen wil zijn werk niet overschatten. Hij geeft toe, dat veel ervan simpelweg is gebaseerd op de beste methoden van de meest succesvolle sportlieden. 'Er is niets nieuws onder de zon', zegt Jonathan Males van Sporting Body Mind, dat onder meer de nationale roeiploeg en kanoploeg van Engeland begeleidt. 'Veel technieken die je kunt leren, lijken op wat wordt toegepast in het zenboeddhisme: volslagen kalmte en geestelijke discipline. Natuurlijk beweren we niet, dat iemand vanzelf een groot sportman wordt door deze dingen in praktijk te brengen, maar we kunnen spelers helpen zich meer bewust te worden van wat ze eigenlijk doen en ze helpen om hun vaardigheden onder de juiste condities in te zetten.'
Het succes van de Chicago Bulls wordt vaak toegeschreven aan de boeddhistische levensvisie van hun trainer. Ze zijn in de afgelopen zeven jaar vijf keer basketbalkampioen van Amerika geworden. Afstand houden, je niet laten meeslepen door het belang van de wedstrijd en vertrouwen op je talent - dat is allemaal heel boeddhistisch.
Tegelijkertijd raakt de traditionele, Spartaanse aanpak, met de coach die tegen zijn spelers staat te brullen en met theekopjes smijt tijdens de rust, langzamerhand in onbruik. 'Er komt een hoop negatieve energie bij vrij, wat in eerste instantie kan leiden tot een enorme inzet op het veld en betere resultaten gedurende een half seizoen, maar het beklijft niet', zegt Morgan. De trainer moet de sporters die hij onder zijn hoede heeft, stimuleren om hun eigen mentale voorbereidingen te treffen. Vooral wanneer het om jongere spelers gaat, is er altijd het gevaar dat ze te veel op hun trainer gaan leunen of op een andere mentor. Dit is vaak de verklaring waarom deelnemers op internationaal niveau minder presteren dan in de eigen clubcompetitie of plotseling uit vorm raken wanneer ze overstappen van het ene team naar het andere.
Mike Tyson is een goed voorbeeld van wat Morgan 'negatieve energie' noemt. Voor het gevecht tegen Evander Holyfield, toen hij zijn toevlucht nam tot de ruigste rugbymethoden door een stuk uit het oor van zijn tegenstander te bijten, had hij reeds alle symptomen vertoond van een sportman die heel slecht in zijn vel steekt. Uit de persconferenties voor het gevecht kwam een man naar voren die bitter was over zijn verleden en onzeker over zijn toekomst en wiens leven buiten de ring weinig meer leek te bieden dan de strijd daarbinnen. Zijn gebrek aan zelfvertrouwen bleek uit zijn onvermogen om oogcontact met zijn tegenstander te maken. Tennisser John McEnroe lijkt misschien ook een voorbeeld van negatieve energie, maar Morgan is het daarmee niet eens. 'Hij speelde vaak genoeg subliem zonder zo opgefokt te doen. Het punt met hem was, dat hij van zichzelf eiste dat hij volmaakt moest zijn. Negatieve mensen twijfelen eraan of zij wel de beste zijn. Maar McEnroe deed dat niet. Hij geselde zichzelf soms, omdat hij niet presteerde op het peil dat hij van zichzelf kende.' Don Revie, voormalig trainer van Leeds United en het Engelse team, bereidde zijn spelers voor op de wedstrijd met dossiers over hun tegenstanders, maar de coach van tegenwoordig zal hen eerder aansporen om video's te bekijken waarop ze zelf prima spelen. De boodschap luidt: maak je niet al te druk over de tegenstander, concentreer je op je eigen prestatie.
De sportpsycholoog heeft een stevige voet aan de grond, maar er is nog ruimte voor de amateur. Toen John Lambie, de trainer van Partick Thistle, te horen kreeg dat een van zijn spelers na een hersenschudding niet meer wist wie hij was, brulde hij: 'Zeg maar dat hij Pele heet en stuur hem het veld weer op.'
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.