Email   Print

Het doel is niet het doel

De voornaamste charme van sport is, dat we mensen exact en accuraat kunnen beoordelen op wat ze doen. Sport laat ons weten, dat mensen onherroepelijk zijn wat ze doen.

Gerald Early | 32 mei/juni 2000 issue

Dat maakt het leven erg overzichtelijk en de zingeving een stuk vereenvoudiger. We kunnen ons natuurlijk nog steeds verdiepen in motieven: waarom doen de sportman en -vrouw wat ze doen, waarom is de toeschouwer geïnteresseerd in wat de sporter doet - dat soort vragen. Maar we kunnen best zonder die motieven, want de aandacht gaat vooral uit naar het moment van de handeling, het moment van de uitvoering die mislukt of slaagt. Die handeling is niet simpelweg puur lijfelijk, maar eerder een veeleisende, geritualiseerde weergave van een hoogontwikkelde lichamelijke vaardigheid. De zingeving wordt zo verrassend specifiek en eenduidig, uitgesproken en overtuigend. Het lichaam wordt niet slechts een vaardigheid verleend, een uitdrukkingsvorm, zoals bij dans, maar een helder doel. Sport maakt het lichaam niet feëriek, maar zorgt dat het nog concreter wordt.

Bij sport draait het om de beslissende gevolgen van een handeling - ja, om het onnavolgbare drama bij het maken van een lichamelijke en welbewuste keuze om het dreigend aanwezige lot af te dwingen. Zo verleent sport een bovennatuurlijk aspect aan het menselijk bestaan, dat je kan opvatten als een hoger doel of als bespottelijke flauwekul, waar dat bij religie bijvoorbeeld níet kan. Topsport is geen religie, maar er zijn wel overeenkomsten. Zo deelt de sport in de majestueuze kracht van ritueel en ceremonie, en verschaft zij ons bovendien een aantal feestdagen, zoals de Olympische Spelen, de Europese of Wereldkampioenschappen voetbal, de Super Bowl, de World Series, de Kentucky Derby, het Masters Golftoernooi, Wimbledon en de 500 Mijl van Indianapolis. Misschien is het paradoxale van sport wel, dat zij alle uiterlijke kenmerken van een geloof vertoont, en er tegelijk het tegendeel van vormt.

Spel is misschien wel het belangrijkste aspect van de sport. Het is iets om voor de lol te doen, omdat het ontspannend kan zijn en spannend tegelijk. Die kernopvatting lijkt tegengesteld aan de geloofsleer van de monotheïstische godsdiensten. Immers, die verbiedt het het gelovigen - terecht of onterecht - om 's zondags op straat of op het grasveld te spelen, omdat het niet zou bijdragen aan een sterker bewustzijn van God. Of wordt de lol uit de sport gehaald wanneer die zich eenmaal ontwikkelt tot een competitie op hoog niveau met de krankzinnige geldbedragen die ermee gemoeid zijn? Is de sport, nu zij steeds meer een vorm van werk wordt, geen bona fide spel meer, maar slechts een ironische vorm van spelen? Is ze een aanwijzing, dat het in ons postmoderne, post-christelijke tijdperk onmogelijk is om werk van spel te onderscheiden? Als dat zo is, dan is sport een metafoor van onze eigen verwarring en het failliet van een religieuze aanwezigheid in de wereld. Is sport een heldhaftige echo van de menselijke behoefte om uit te blinken, of alweer een teken en een weergave van onze wanhoop, onze kwellingen, ons ongeluk in deze wereld?

Er kleeft iets zondigs aan sport, omdat er ook onvermijdelijk een heidense, zinloze kant aan zit. Met name in het Westen kan de verklaring voor dat tegenstrijdige gevoel worden gezocht in het lichamelijke aspect van de sport, in haar lofzang op de mogelijkheden van het lijf. Wij hebben in het Westen altijd gemengde gevoelens gehad bij de aanbidding van het lichaam. We beschouwen het lichaam misschien niet als een mislukte uitvinding, maar we vinden de geest alleen een betere. Degenen die bepaald zijn door hun fysieke verschijning - zoals vrouwen en zwarten - worden in onze cultuur gezien als begaafd op hun eigen manier, maar van een duidelijk lagere orde. Vrouwen zijn minder dan mannen, omdat mannen slimmer zijn, en zwarten minder dan blanken, omdat blanken slimmer zijn.

Sport heeft meer te maken wetenschap dan op het eerste gezicht lijkt. 'Sportprofessor' John Hoberman heeft gelijk als hij in Darwin's Athletes stelt, dat de triomf van de sport in de moderne wereld tegelijk de triomf van het rationalisme is. Sport, schrijft hij, is de krachtigste manier waarop de moderne wereld zichzelf uitdrukt in de zoektocht naar haar humane karakter. Dat doet zij door de methode, het kwantificeren, de technische mystiek van de wetenschap. Bij sport gaat het simpel gezegd om het scheppen van een kader waarin het rationeel bestuurde mensenlichaam tot zijn recht kan komen. Dit raakt aan een schets van de waarden die de sport vertegenwoordigt en weergeeft. Sport is alles wat religie en wetenschap als mysterie en maatbepaling graag willen zijn op het gebied van de menselijke verbeelding, heroïek en toegankelijkheid. En daarom is sport in menig opzicht, als alledaagse menselijke vorm van expressie, effectiever dan deze twee. Daarom ook is sport het ideale onderwerp om over te schrijven. Het is een subliem trefpunt van spektakel en verklaring, van ritueel en het verstand.

Zo ontstaan belangrijke vragen over de betekenis van sport binnen onze cultuur. Wat betekent het georganiseerde spel? Welke vorm van spelen is sport? Waarom associëren we spel met kinderen, terwijl elke professionele sport van volwassenen afkomstig is? Waarom is het hele idee van hedendaagse sport ontstaan in één klein land, het Engeland van de negentiende eeuw? Waarom hebben wij over de hele wereld - mensen van links en van rechts, kapitalisten en socialisten - ons spelen op zo'n fanatieke manier professioneel gemaakt, zoals onze Griekse en Romeinse voorouders? En als sport de ideologie van zowel de kolonisator als de gekoloniseerde kan weergeven, de communist en de kapitalist, de jager en de stadbewoner, de man en de vrouw: welke menselijke kwaliteiten worden er dan uiteindelijk door sport werkelijk verbeeld?

Om teleurstellingen te vermijden: ik heb niet de bedoeling om ook maar één van deze vragen te beantwoorden. Volgens mij geeft dit soort vragen aan hoe ongelooflijk bepalend sport en spel in ons leven zijn geworden - en alleen al bij dat gegeven mag best eens worden stilgestaan. Inzicht in sport is onmisbaar om te begrijpen hoe het moderne leven in elkaar zit, en hoe de menselijke aandriften gesublimeerd zijn. Wat is het vreemde en glorierijke domein van het spel, waar ironisch genoeg de verdienste heerst zonder mededogen? Hoe kom je daar binnen? En hoe kun je eraan ontsnappen? Want wat is ons spel anders dan een verbeelding van onze rusteloosheid?

Elk jaar verschijnt er een hele berg aan sportboeken: 'autobiografieën' van sporters, weggooiboekjes met adviezen van vermaarde trainers, naslagwerken voor de fanaten, bundels met anecdotes, journalistieke biografieën, clubgeschiedenissen. Er blazen nu zelfs academici hun partijtje mee, met bijvoorbeeld een nieuwe wetenschappelijke biografie van atlete Babe Didrikson (zeer toepasselijk van een lesbische feministe die de hegonomie van de mannen aanvalt) en een nieuwe academische studie naar blank en zwart binnen de sport (zeer toepasselijk van een progressieveling die de hegonomie van de witten aanvalt). Ieder dagblad heeft z'n eigen sportpagina's en een ploeg sportjournalisten. En dus wordt er eindeloos verslag gedaan over, commentaar gegeven op, en analyses gemaakt van de sport op elk niveau. We worden constant op de hoogte gehouden van de mannen en vrouwen die sport beoefenen of er les in geven.

Niet alleen in die informatiestroom, maar in onze gehele cultuur, wordt sport vaak neergezet als een uitingsvorm binnen de volkscultuur, niet de hogere cultuur. De volkscultuur is de plek waar al onze sensualiteit wordt ingepakt en verkocht. Het lichaam van de blanke vrouw en de veronderstelde sensualiteit van de zwarte man vormen de brandstof voor dit proces. Voor de cynici en de hardnekkige puriteinen onder ons, is sport derhalve een teken, dat we de verkeerde goden aanbidden of dat we zo zijn afgezakt dat we geen enkele god meer vereren. Dat is volgens mij precies dezelfde klacht van de intellectueel over de volkscultuur. Feit blijft, dat maar zo weinig van de allerbeste schrijvers over sport hebben geschreven. Misschien hebben velen van hen de indruk, dat je een toegewijde fan moet zijn om over sport te kunnen schrijven. Maar dat is een vreemde smoes. Immers, van andere sectoren binnen de populaire massacultuur - film, muziek, theater, televisie - hoef je toch ook geen fan te zijn om erover te publiceren, er kritisch naar te kijken, er als menselijke bezigheid vragen over te stellen? De sport is op een diepgaande, veelzijdige manier in ons leven doorgedrongen en iedereen heeft er wel ervaring mee. Volgens onderzoeken is iedereen via minder dan zes familierelaties verwant aan een topsporter of aankomend topsporter. Deze wisselwerking tussen de sport en de terloopse waarnemer of deelnemer zou eigenlijk verder moeten worden uitgediept door goede schrijvers. En die hoeven heus geen fan van topsport te zijn.

In laatste instantie verwijst sport naar de angst voor een wereld in chaos. Er is een mooie paradox: sport draait om onze verwachtingen over de orde der dingen en tegelijk om het inzicht, dat die verwachtingen teniet zullen worden gedaan. Juist daarom heeft sport zo'n sterke aantrekkingskracht. Het is die vreemde contradictie dat je een gevoel van iets blijvends probeert te vinden in zo'n vluchtige, kunstmatige en ondergeschikte uiting van de menselijke wil. Zodoende zitten er in de bezigheid van het spelen zelf onschuld en ervaring verborgen, triomf en tragedie. Denk aan de huidige fitness-rage, die in wezen opkwam in de begindagen van de vegetariërs en de 'lichaamscultuur' van voor de Eerste Wereldoorlog. Wat moet zo'n rage anders weergeven dan onze angst voor ouderdom en dood? Het is een uiting van de naïeve hoop, dat we onze jeugd kunnen behouden en dat we onze gezondheid en ons lichaam kunnen behoeden voor de genadeloos naderende chaos en verval, wanneer we net zo hard trainen als de sporters.

Nu geloven we dus, dat ons lichaam naar het evenbeeld van God is geschapen, en dat we gevangen moeten zitten in die niksige, duivelse apparaten. Terwijl we ons bewust zijn van die gevangenschap! Het lichaam is het laatste terra incognita, het laatste onbekende gebied. Misschien is het lichaam in werkelijkheid wel het énige terra incognita geweest, en is onze geschiedenis louter de projectie van de talrijke onzekerheden die we over ons lichaam ervaren, over onze fysieke verschijning. Als dat zo is, vormt sport wellicht de grootste mystieke ervaring, de meest zuivere en diepgaande confrontatie met ons werkelijke en onwerkelijke zelf, die we ooit kunnen hopen te ervaren. Misschien heeft Gregory Corso het onderliggende gevoel in deze visie op sport het beste vertolkt in een regel uit zijn gedicht Droom van een honkbalster: 'God! Kom met Uw worp vol genade!'



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.