Email   Print

Anders dan de rest

Alleen op de wereld, terwijl hij zijn eenzame sporen over het veld trekt, weet voetballer Peter van Vossen dat hij niet op weg is naar het doel. Hij is op weg naar een verloren paradijs.

Jos de Putter | 32 mei/juni 2000 issue

Mijn geliefde heeft geen verstand van voetbal. En zoals dat op een gegeven moment gaat tijdens een verhouding - toch? - komt onverbiddelijk het moment, dat ik tijdens Studio Sport in de keuken sta. Natuurlijk net wanneer Feyenoord speelt. Het seizoen 1998-'99 is nog pril, en ik sta achter de pannen. Ik heb met de situatie ingestemd, op voorwaarde dat zij commentaar zal leveren bij de beelden die ik mis. Uit pure liefde is ze recht voor de beeldbuis op de grond gaan zitten. 'De mannen in het blauw rennen allemaal naar rechts!' klinkt het monter vanuit de kamer. Boter smelt langzaam in de pan. 'Ze zijn alweer gestopt en gaan nu op de weg terug!' Het gaat zeker tien minuten duren voordat deze aardappeltjes gebakken zijn. Ik zou natuurlijk het geluid harder kunnen zetten, maar ik vertrouw Evert ten Napel al helemaal niet. 'Ik zie er nu eentje, die is grappig! Hij loopt zigzaggend heen en weer en als hij klaar is, molenwiekt hij met z'n armen!' Ze klinkt steeds enthousiaster. 'Ik denk dat hij een publieksspeler is! Hij doet het heel anders dan de rest.' Anders dan de rest. Hoe is het mogelijk. Peter van Vossen heeft maar een paar minuten van een samenvatting nodig om mijn vriendin tot een diep inzicht te brengen.

Peter van Vossen is een geboren ongelukkige, de wandelende Romantiek, een buitenbeentje pur sang. Van Vossens jeugd was de ideale voorbereiding: geboren in een Zeeuws gereformeerd gezin met zestien kinderen, waar hij al niet helemaal in paste. De jonge Peter had het gevoel van een roeping die buiten het geloof lag. In een interview met Hugo Camps in 1992 vertelt Van Vossen over zijn geloofscrisis: 'Er was een geloofsprobleem tussen mij en mijn vader gerezen. Ik wilde niet meer naar de kerk. Daarop zei vader: "Dan neem je verantwoording voor jezelf." Ik dus het huis uit.' Van Vossen was toen vijftien jaar.
Misschien moet je Zeeuw zijn en uit een gereformeerd gezin komen om te begrijpen wat dat betekent. Er zijn in het leven twee autoriteiten: God en de vader. In die volgorde. Het verlies van beiden leidt ongetwijfeld tot een nauwelijks te dragen eenzaamheid. En je kan daar niet over praten. Want je bent Zeeuw. En gereformeerd. Het verhaal krijgt een diepe, Hector Malot-achtige dimensie; Romantiek voor kinderen. Je zoekt genegenheid en vindt die in de hondendressuurkennel van je broer. Voor de 16-jarige Van Vossen waren honden veel belangrijker dan voetbal. Tot zijn verbazing bleef hij voetballen, maar het hart lag bij de kennel.
Hector Malot zal Van Vossens boek nog lang schrijven. Als jonge volwassene verdient hij de kost met het poten van helmgras op Zeeuwse dijken. De man en het gras, alleen in weer en wind. En het wordt nog erger: Van Vossen slijt jaren in de steriliteit van de kerncentrale van Borssele. Daar is zelfs geen regen meer, en geen wind. Geen plaats denkbaar waar de eenzaamheid en vervreeemding groter zijn.

Tegen die achtergrond is het snel duidelijk, dat de voetbalcarrière van Van Vossen één lange zoektocht naar liefde is. Van Vossen zwerft, alleen op de wereld, langs een aantal clubs, en is eigenlijk nergens thuis. Hij gaat van Vlissingen naar Beveren, en vandaar naar Anderlecht. Bij Anderlecht speelt hij soms de sterren van de hemel, maar hij is nooit thuis in Brussel. 'Ik wil minstens één keer per week Zeeland binnenrijden. Je komt er bepaalde dingen tegen die je in België toch mist. De vertrouwde sfeer van vader en moeder, de vrienden uit het amateurvoetbal, lucht en water, de ruimte en de leegte…'
Van Vossens verlangen is typerend voor het buitenbeentje: op zoek naar vader en moeder, naar de vrienden van weleer; een eenzame op zoek naar het verloren paradijs. Dat onderscheidt hem van de grote buitenspelers van vroeger, die liefde niet opzochten, maar afdwongen. In zijn zoektocht ontwikkelt Van Vossen daarom niet toevallig een spiegelbeeldige techniek ten opzichte van zijn voorgangers: hij zal steeds vaker naar buiten dreigen en dan binnendoor gaan. Duidelijk op zoek naar kameraadschap, naar teamgenoten die niet zo akelig dicht aan de buitenkant staan. Maar de liefde komt van één kant; Van Vossen vergeet meestal de bal af te spelen. Communicatie is niet zijn sterke kant, hij wil laten zien dat hij erbij hoort en in het moderne voetbal werkt dat averechts. Wanneer hij door trombose het Europees kampioenschap in Zweden mist, waarnaar hij zo had uitgezien, belt geen van de spelers hem op. Van Vossen is weer waar hij begon: alleen op de dijk, tussen het helmgras.

Intussen was het wél zo, dat Van Vossens eigenaardige stijl ervoor zorgde, dat het Nederlands elftal het WK van 1994 haalde. In de kwalificatie voor Amerika maakt hij helemaal in z'n eentje een reeks gedenkwaardige doelpunten. Hij scoort tweemaal tegen Polen en redt zo een gelijkspel, en tweemaal uit tegen Turkije, dat Nederland onder de voet dreigt te lopen. Het zijn doelpunten waarbij hij niemand anders nodig heeft. Peter van Vossen eindigt een actie zoals hij hem begint: alleen. Omdat de Polen en de Turken geen weet hebben van de duistere psyche van een gereformeerde Zeeuw, zijn ze stomverbaasd wanneer Van Vossen zijn eenzame sporen trekt over het veld. Zijn medespelers, veelal arrogante randstedelingen die op weg zijn godenzonen te worden, zijn eigenlijk altijd net zo verbaasd. Van Vossen is anders dan de rest. Hij is niet op weg naar de achterlijn, hij is niet op weg naar het doel, Van Vossen is op weg naar een verloren paradijs. Alleen daarom is niemand in staat hem tegen te houden.
Deze merkwaardige queeste komt tot een hoogtepunt op 28 april 1993. Op Wembley is Nederland op weg de wedstrijd tegen Engeland te verliezen en daarmee de kwalificatie voor het WK te verspelen, tot er een strafschop mag worden genomen. Het is vijf minuten voor tijd en Peter van Vossen is koud het veld in. Hij raapt de bal op en geeft hem niet meer af. De Ajacieden die op de trainingen zo om zijn gebrek aan techniek moeten lachen, zijn in geen velden of wegen te bekennen. Je vraagt je af voor wie hij het doet. Jaren later geeft hij in een interview het begin van een antwoord. Het gaat over zijn ouders. 'Nu zitten ze af en toe op de tribune. Dan zegt die vader van me, trots, terwijl hij naar mij wijst: "Dat is wel mijn zoon, hoor." Wie had dat vijftien jaar geleden nou kunnen denken.' Van Vossen schoot die bal tegen Engeland niet in het hoekje voor zichzelf, niet voor z'n medespelers, niet voor het vaderland, maar om eindelijk respect te krijgen van z'n vader, de man die hem het voetbal had verboden. Een gevecht tegen God, eigenlijk. Een strafschop als een smeekbede om genade. Hoe prozaïsch kan het worden.
Maar met die strafschop was de Verlossing er nog lang niet, integendeel. Het leek wel of God hem strafte voor zoveel hoogmoed. Een wraakzuchtige God, de God uit de jeugd van een streng gereformeerde.

Van Vossen vervolgt zijn zwerftocht, die nu eerder uit Dante dan uit Hector Malot begint te komen. De plaatsen zijn gruwelijk: van Amsterdam, waar hij bij Ajax vooral op de bank zit, gaat het naar Istanbul. Van Vossen: 'Ik had bij Ajax zoveel warmte gekregen en plots zat ik in een klimaat van zakelijkheid en kilte. Dat verschil was te groot. Ik heb vaak gedacht: wat doe ik hier eigenlijk?' In Turkije wordt hij bedreigd, telefoon en licht worden afgesloten, op weg naar de training rijdt hij langs mensen die zijn doodgeschoten. Dante.
Uit deze periode dateert een interview met Harry Vermeegen waarin deze hem vraagt waarom hij niet voor Feyenoord gaat spelen. Iedereen kon de tranen in de ogen van Peter van Vossen zien. Later zei hij, dat z'n ogen vochtig waren geworden door de tegenwind. Iedereen weet dat de ogen van een Zeeuwse helmgrasplanter niet nat worden van tegenwind. Van Istanbul ging het naar Glasgow, en alweer volgen blessures en zit Van Vossen vaak op de bank.
Ergens in die periode moet hem het Doel voor ogen zijn gekomen. Hij heeft nagedacht over zijn omzwervingen, over zijn kennelijk niet te helen eenzaamheid. Hij is volwassen genoeg om te voelen waar hij misschien een thuis heeft: terug naar Nederland, naar Rotterdam, naar de Kuip.
Voor het begin van het seizoen 1998-'99 arriveert Van Vossen met een helikopter in de Kuip. Dat slaat natuurlijk nergens op; hij is geen godenzoon, hij is over de dijk hierheen gekomen, langs het water, door de modder. Hij kent de hel, niet de hemel. Hij is nog altijd de Peter van Vossen die niet echt kan genieten. En dan is de Verlossing daar. Vanaf het moment dat hij het Feyenoord-shirt aantrekt, voelt Van Vossen de geborgenheid die hij een leven lang gezocht heeft. Hij heeft in verschillende interviews geprobeerd uit te leggen wat het precies is, maar is daar nooit in geslaagd. Het zijn ook maar woorden: 'thuiskomst', 'deel van de groep', 'kameraadschap', en hij is te lang niet in de kerk geweest om uit te spreken wat het is: genade. Peter van Vossen beëindigt zijn weg in het Feyenoord-stadion, waar hij als jochie enthousiast raakte voor voetbal, een sport die uit den boze was. Het is een moderne love story met een happy end: een omarming.

Ik spoed me naar de kamer om mijn geliefde eens een mooi voetbalverhaal te vertellen. Ze is in slaap gevallen voor de tv. In de nabeschouwing zie ik een vertraagde opname van Peter van Vossen. Hij soleert binnendoor, het lijkt alsof hij op zoek is naar een medespeler, maar hij vindt er geen. Nog eens binnendoor en nog eens. Ineens is hij voor de keeper en rolt de bal in het doel. Molenwiekend vliegt hij langs supporters. Je ziet z'n medespelers kijken. Ze vergeven hem. Peter van Vossen is anders dan de rest.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.