Het dilemma Irak
VN-sancties treffen doel, maar zijn niet doeltreffend.
Marco Visscher
| 30 januari/februari 2000 issue
Er is geen schoon water en nauwelijks nog elektriciteit. De landbouwgrond is ernstig vervuild. Autowegen zijn er niet veilig en er rijden geen treinen rmeer. Ziekenhuisbedden zijn er te weinig, terwijl de volksgezondheid achteruit holt. Vooral onder jongeren is kanker een verwoestende ziekte geworden. De meeste scholen zijn dicht. Het is de tragiek van Irak. Tien jaar geleden nog een welvarende oliestaat, nu een land met pre-industriële standaarden. New Internationalist, een zeer waardevolle en respectabele bron in de journalistieke berichtgeving over ongelijkheid in de wereld, wijdde in september een schokkend dossier aan Irak. Of liever: aan de gevolgen van de draconische sancties van de Verenigde Naties tegen Irak. De cijfers van Unicef spreken voor zich: iedere maand sterven vijf- tot zesduizend kinderen vanwege gebrekkige voeding en verzorging; de kindersterfte is in nog geen decennium bijna verdrievoudigd en staat nu wereldwijd aan kop. Eén op de vier kinderen is ondervoed, een stijging van 73 procent in zes jaar. Het dodental, als rechtstreeks gevolg van de sancties, is de miljoen allang gepasseerd. Slechts één conclusie is mogelijk: de Verenigde Naties is een complete natie aan het vernietigen, zoals Denis Halliday, voormalig ondersecretaris van de VN, ook al eens heeft beweerd. Intussen gaan de bombardementen op Irak gestaag door. Met uitzondering van enkele dagen in maart en mei, vallen Amerikaanse en Britse bommen sinds december 1998 dagelijks in héél Irak, dus evengoed in de zogenoemde no-fly-zones. De VN zijn in de twijfelachtige positie beland, dat ze zowel de oorzaak van het lijden zijn als de instantie om er een einde aan te maken.
De Irakese economie bedraagt nu twee procent van het jaarlijkse budget dat Amerika aan defensie - ironisch niet... 'defensie' - uitgeeft. Salarissen zijn dramatisch gedaald, terwijl de inflatie dagelijks stijgt. Niet dat de inwoners van Irak er iets wezenlijks mee kunnen doen. Voor een gemiddeld maandsalaris kun je twee blikjes cola en een tandenborstel kopen. Wie aan geld of goederen uit het buitenland kan komen, is rijk. Het is bekend, dat Saddam Hoessein en de leden van de regerende Ba'ath partij zélf niet verhongeren. Maar ook zij kunnen niet ontsnappen aan vervuilde lucht, smerig water en een bijna volledig ontspoord rioleringsysteem. In Irak - waar bijna de helft van de bevolking jonger is dan achttien jaar - groeit thans een verloren generatie op, stelt ook LM (juni 1999). Vanwege de economische en sociale problemen, vallen gezinnen uit elkaar. Overal om zich heen zien jongeren mismaakte baby's worden geboren, die vaak het eerste levensjaar niet doorkomen. Weeshuizen zitten overvol met kinderen die niet beter weten dan dat hun land een schietschijf van het Westen is. Daarmee heeft de VN het tegenovergestelde bereikt dan waarop het had gehoopt: voor de Irakese bevolking is Saddam Hoessein het trotse symbool van verzet tegen het westerse geweld geworden.
Hoe heeft het zover kunnen komen, dat de Verenigde Naties de eigen records heeft gebroken door een land zó lang met zó veel geweld te bestoken? In de jaren tachtig behoorde Irak tot de rijkste, krachtigste landen in de Arabische wereld. Irakezen kregen goed te eten en meer dan negentig procent van de bevolking had toegang tot veilig water en gezondheidszorg. Irak won drie keer op rij de Unesco-prijs voor alfabetisme. Het land was bovendien een bondgenoot van de Verenigde Staten in de strijd tegen het islamitisch fundamentalisme in Iran, waarbij Irak gretig werd voorzien van militair geschut. De Golfoorlog, door de VN uitgeroepen nadat Saddam Hoessein weigerde zijn soldaten uit Koeweit te halen, haalde de verhoudingen echter volledig overhoop. En nu die oorlog inmiddels allang is beëindigd, zijn de sancties nog altijd van kracht.
Ondanks deze belangwekkende ontwikkelingen lijkt Irak nauwelijks meer interessant voor de dagbladen en de televisiejournaals. Amerikaanse autoriteiten, de voornaamste bron voor de gevestigde media, spreken zich nog maar zelden uit over de bombardementen, die uiteraard 'gerechtvaardigd' zijn na 'nieuwe provocaties' van Hoessein. The Big Issue (21 juni 1999) spreekt dan ook van een 'stille oorlog'. Maar het is de vraag hoe reëel het gevaar is, dat Irak vormt voor buurlanden - laat staan, voor de wereldgemeenschap. Chemische wapens, waarvan Amerika al decennia lang de grootste producent en exporteur is, zijn weliswaar nog altijd in Irak aanwezig, maar op zeer kleine schaal. Volgens Scott Ritter, voormalig wapeninspecteur van de VN, zouden er hooguit vijfhonderd 155 mm-mosterdgranaten zijn, maar in een militaire strijd betekent dat niets; daarvoor heb je tenminste tienduizenden nodig. De grote chemische wapenfabriek is jaren geleden al vernietigd. Wat Irak nodig heeft, is een opheffing van de sancties en financiële steun voor de opbouw van een verwoest land.