|
|
De onmens en het dier
Mensen vertroetelen hun huisdieren tot in het absurde. Ze leven intens mee met gestrande potvissen en een geboorte in de dierentuin. Maar tegelijkertijd mishandelen ze dagelijks miljarden dieren. Hoe zit dat met de verhouding tussen mens en dier? Tijn Touber over het verschil tussen onzichtbare en zichtbare dieren, een reportage over de dierenambulance en Darryl Ponicsan legt uit waarom een hond van de mens niets te leren heeft.
Rare mensen zijn we met ons allen... Het ene moment vertroetelen we onze parkietjes, siervissen en konijnen, om vervolgens kippen, sardientjes en diezelfde konijntjes net zo makkelijk op te eten. Aan de ene kant leggen we voor miljoenen guldens dassentunnels onder snelwegen aan, om een handjevol van die zeldzame diertjes te redden, en aan de andere kant proppen we miljoenen dieren in veel te kleine hokken, om ze uiteindelijk meedogenloos af te slachten. Het is een schrale troost, dat wij Nederlanders niet alleen staan in ons merkwaardige gedrag. Toen twee potvissen enkele jaren geleden nabij Alaska door het ijs ingesloten waren geraakt, was iedereen - tot de president van Amerika aan toe - in rep en roer. Meer dan een miljard kijkers - ruim twee keer zoveel als destijds de eerste stappen op de maan aanschouwden - waren er getuige van hoe de dieren voor bijna zes miljard dollar, met behulp van hovercrafts, helikopters, ijsbommen en uiteindelijk Russische ijsbrekers, van de dood werden gered. Zouden er die dag minder broodjes zalm zijn verkocht?
De verklaring is, dat er dieren en dieren zijn. Twee soorten dieren: zichtbare en onzichtbare. Voor de zichtbare dieren is alles goed geregeld: voor onze trouwe viervoeters zijn er trimsalons, uitlaatcentrales, vitaminebrokken en zelfs crematoria (kat of kleine hond: 92,95 gulden; middelgrote hond 145 gulden; grote hond: 165 gulden; zeer grote hond: 199 gulden). Over aandacht en liefde hebben deze dieren - zo vertrouwde de meneer van het crematorium de Groene Amsterdammer (17 december 1997) toe - niet te klagen: 'Als je ziet hoeveel verdriet mensen hebben over de dood van hun dier: verschrikkelijk. Het klinkt raar, maar soms vraag ik me af of ze ook zo hard hebben gehuild toen hun moeder doodging.' In Frankrijk hebben ze er onderzoek naar gedaan. Op de vraag ' Wat zou u doen als u partner uw hond of kat niet zou accepteren?' antwoordde 21 procent dat hij of zij zou scheiden van deze 'dierenhater' ; 19 procent wist nog niet wat te verkiezen. Bijna dertig procent van de ondervraagden slaapt 's nachts met zijn huisdier en eenzelfde percentage geeft het beest een cadeau voor zijn verjaardag. Dieren krijgen ook steeds vaker een menselijke voornaam. Niks geen Fikkie, Blackie of Tarzan, maar Sander, Herman of Constance. Psychologen denken, dat deze dierenliefde mede voortkomt uit een onvermogen om met menselijke liefde om te gaan. Moderne dierenliefde zou vooral het gevolg zijn van vereenzaming, gevoelsarmoede en toenemende gebrekkigheid bij het uiten van gevoelens. Dieren fungeren als bliksemafleiders voor onbestemde emoties die hun natuurlijke uitingsvorm niet meer kunnen vinden. Een goed voorbeeld hiervan is de koele Britse Koningin Elisabeth, die aanzienlijk gemakkelijker met haar honden omgaat dan met haar landgenoten. Een officiële film over het privé-leven van het Britse koningshuis kreeg in 1969 de werktitel Corgi and Beth mee, omdat de koningin zich in het openbaar liever met haar hondjes dan met Prins Philip en haar kinderen vertoonde.
Overigens is het ook voor zichtbare dieren niet altijd even fijn. Je zult maar een golden retriever zijn en driehoog achter in de Amsterdamse Kinkerstraat wonen, of een leguaan in de Haagse Schilderswijk. Logisch, dat er tegenwoordig dierenpsychiaters zijn en opvangcentra voor doorgedraaide knaagdieren. Logisch ook, dat er een dierenambulance is (zie kader). Je vraagt natuurlijk ook om moeilijkheden, als je voor je plezier vogelspinnen, krokodillen, siervarkens, tijgers, slangen, schildpadden, hagedissen en ratten in je huiskamer houdt.
Maar het lot van de onzichtbare dieren is vele malen erger: in Nederland wonen er een slordige 140 miljoen, veelal in te kleine hokken of in overvolle broedmachines. Als we bereid zouden zijn ook deze dieren thuis te houden, zouden er in iedere achtertuin of op ieder balkon zo'n dertig wonen. Spreek gerust van een beestenbende. Maar deze onzichtbare dieren hebben geen enkel recht; ze zijn nog minder in rang dan gebruiksvoorwerpen. Ze worden slechts verbruikt. Ze zijn niet meer dan grondstoffen voor vlees, eieren of melk. Hun enige waarde is wat ze opleveren, een eigen - intrinsieke - waarde hebben ze niet. Hun leed is afschrikwekkend, maar het speelt zich achter gesloten deuren af, zodat wij - beschaafde mensen - ons er niet rot over hoeven te voelen. Schrijver en dierenliefhebber Koos van Zomeren formuleert het zo: 'Ze leven op een soort eilandjes waar andere normen gelden dan in de rest van de maatschappij. Als het in de openheid zou gebeuren, zou het waarschijnlijk niet kunnen. Het zijn eilandjes waarin leven zo weinig betekent - of zo veel, als je het in geld uitdrukt - waarin leven zo instrumenteel wordt benaderd, dat er een soort ethische gezwellen in onze maatschappij ontstaan. Je kunt je bijna niet voorstellen dat mensen wreed omgaan met dieren en niet met elkaar.'
Hoe heeft het zover kunnen komen? In de Middeleeuwen ging het al fout. In de toonaangevende dertiende-eeuwse encyclopedie - geschreven door Bartholomeus Anglicus - worden dieren alleen bekeken vanuit het nut en de bruikbaarheid die ze voor de mens hebben. Men ging ervan uit, dat dieren niets liever wilden dan zich door de mens laten opeten. Zwommen vissen niet in scholen om zich zo het makkelijkst in grote getale te laten vangen? Vissen en vogels werden in de encyclopedie niet eens tot het dierenrijk gerekend en de rest werd in de volgende groepen verdeeld: consumptiebeesten, werkdieren, huisdieren, parasieten en roofdieren. Zelfs parasieten bleken voor de mens van enig nut te zijn. Zo waren vlooien en luizen vooral bedoeld om de mens permanent aan zijn kwetsbaarheid te herinneren. Roofdieren moesten er de schrik voor God's almacht inhouden. Werk- en huisdieren werden op alle mogelijke manieren in en om het huis gebruikt. En de rest werd vooral geconsumeerd. Dat zag er allemaal wat barbaarser uit dan vandaag de dag. Een varken werd voor je ogen geslacht en met kop en al geserveerd. Eng, vies? Misschien, maar er zat een gedachte achter. Door afwezigheid van moderne hormonen, kleurstoffen en e-nummers, kon men aan de kop zien hoe vers het dier was. In onze beschaafde wereld willen we er liever niet aan worden herinnerd hoe het dier er in levenden lijve uitzag. Of - anders gezegd - dat ons fraaigevormde stukje vlees ooit een levend wezen was. Hoe onzichtbaarder het dier, des te minder last we van ons geweten hebben. Misschien was de middeleeuwse mens wat primitiever in zijn omgang met dieren, maar je kunt hem in ieder geval niet betichten van een wereldwijde bio-industrie, gemechaniseerde massaslachtingen, vanzelfsprekende dierproeven en lopende-bandcastraties.
Ook het christendom heeft zijn steentje bijgedragen aan de moderne dierenbeulerij. Van theologische zijde bestond er geen enkele twijfel over, dat dieren er waren om de mens te dienen. Zo wilde de bijbel het immers, meteen in Genesis al. Eerst gebood God dat de mens de baas zou zijn van de vissen in het water, de vogels in de lucht en alle beesten op aarde. Een tweede aanwijzing om dieren aan zich te onderwerpen werd gevonden in de naamgeving van de dieren door Adam, eveneens in opdracht van het Opperwezen.
Ruim tweeduizend jaar later lijkt er weinig te zijn veranderd in de starre visie van de christelijke kerk. Toen theoloog en priester Andrew Linzey van de Church of England begin dit jaar een gebedenboek voor dieren schreef, was de boot aan. De liturgieën voor begrafenissen van huisdieren, zegenwensen voor zieke honden en katten, avondwaken voor uitgebuite dieren en litanieën om Gods bescherming over dieren af te smeken, riepen alom verontwaardiging op. Er wordt op werelddierendag (4 oktober) door veel kerken wel een dienst gehouden waarbij dieren kunnen worden gezegend, maar daarbij moest het blijven, aldus de officiële reactie van de kerk. Andrew Linzey heeft er geen goed woord voor over: 'Het christendom en het daarvan afgeleide seculiere denken gaat er vanuit, dat de mens de kern is van de schepping. Het idee dat dieren meer zijn dan een soort dienst-robotten, die alleen bestaan opdat wij ervan kunnen profiteren, wordt daarom meestal van de hand gewezen.' Zijn boek is overigens opgedragen aan zijn geliefde (overleden) hond Barney 'die in de hemel nog altijd kwispelt'. Linzey is ervan overtuigd, dat dieren de eeuwige zaligheid zullen verkrijgen. Over mensen heeft hij wat dat betreft zijn twijfels: 'Wij zijn ongelovige, zondige wezens. Zij niet. In de hele bijbel gaat het over de arrogantie van de mens die zich tegen zijn Schepper keert. Dieren doen zoiets nooit. Wat ik het ergste vind, is dat de kerk totaal niet nadenkt over de positie van dieren.'
Voor een instantie die naastenliefde en barmhartigheid hoog in het vaandel zegt te dragen, is dit inderdaad een merkwaardig standpunt. Misschien ligt het misverstand dat dieren niet echt zouden voelen - en dus ook niet kunnen lijden - hieraan ten grondslag. Gorilla-expert Dian Fossey beschrijft in haar boek Gorillas in the mist hoe ze op een Afrikaanse markt een jonge gorilla vindt, die op transport naar Europa zou worden gesteld. Ze confisqueert het dier en neemt het mee naar haar huis. Daar kijkt het gorillameisje uit het raam en op dat moment ziet Fossey echte tranen. Ze ziet hoe de kleine gorilla huilt.
Er is geen enkele reden om ons beter te voelen dan menig dier dat wij opeten of anderszins aan ons onderwerpen. Zelfs Charles Darwin, de man die vanuit zijn evolutieleer toch van een zekere hiërarchie uitging, was duidelijk in zijn opvattingen: 'Het is absurd om er vanuit te gaan, dat een bepaald dier hoger zou zijn dan een ander.' Dieren blijken tot zodanige nobele daden in staat, dat hun deugdelijkheid spreekwoordelijk is geworden. Zo begeleidde het Japanse hondje Hachiko zijn baas elke ochtend naar het station. Elke middag stond Hachiko dan precies om vijf uur weer aan de spoorweg om zijn baasje op te wachten. Toen zijn baas op het werk door een hartaanval werd geveld, bleef Hachiko tien jaar lang elke dag komen. Braaf wachtte hij dan op de trein van vijf uur. Waar vind je zoveel trouw? Natuurlijk zullen sceptici dit gedrag afdoen met te wijzen naar instinct, maar dan nog: waar vind je zoveel trouw? Dat het diereninstinct verder gaat dan een puur mechanische reactie op een gegeven situatie, bewees het beroemde gorillavrouwtje Binti Jua uit de Brookfield Zoo bij Chicago. Toen een driejarig jongetje in 1996 over het hek tussen de apen was gevallen, droeg Binti Jua het jongetje voorzichtig naar de uitgang en beschermde het tegen de andere gorilla's. Was haar gedrag haast menselijk te noemen, of heeft het begrip 'menselijkheid' - gezien ons beestachtige gedrag - inmiddels zijn betekenis verloren? Misschien is het enige dat een mens van een dier onderscheidt, het feit dat de mens zich wél als onmens kan gedragen en een dier niet.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.