|
|
De pianomaniak
Iedereen kan pianospelen. Iedereen kan zich met hard studeren een goede klank eigen maken en een stuk voor vijfennegentig procent correct spelen. Maar het echte spelen begint pas, wanneer je toe bent aan het perfectioneren van de resterende vijf procent. Pas dan heeft de piano je gegrepen en in haar macht gekregen. Een gepensioneerde theatercriticus overkwam het en schreef erover.
Ik studeer op de toccata uit Le tombeau de Couperin van Ravel. Ik studeer er al zes maanden op. Het is geen gemakkelijk stuk. Vlot gespeeld duurt het 3 minuut 59 seconden. Ik speel het niet vlot. Ik weet niet eens wat mijn eigen vlotheid waard is, aangezien het me nog geen enkele keer is gelukt de volle negen pagina's zonder hapering door te spelen. Maar al deed ik dat wel, dan nog vermoed ik dat mijn snelheid aanzienlijk zou achterlopen bij de opname van François-Joel Thollier. Zelfs al deed ik er maar twee keer zo lang over als Thollier, dan nog zou er een scherpe discrepantie blijven bestaan tussen de circa driehonderd uur studeren die ik heb geïnvesteerd en de opbrengst: een vertolking van acht minuten. Volgende maand speel ik de toccata voor de deelnemers aan mijn pianoklasje, en zoals de zaken er nu voorstaan, steek ik net zo lief over een dun koord de Niagara-waterval over.
Waarom doe ik mezelf dit aan? Omdat ik weet, dat ik een uitstekende pianist ben. Het enige probleem is, dat ik niet zo goed kan spelen. De remedie is om elke dag te oefenen, en dan komt de snelheid wel; de aanslag wordt net zo regelmatig als mijn adem, en mijn kundigheid zal zich aan anderen openbaren. Ik ben tenslotte nog geen zeventig. Zodra ik het puin van mijn puberale techniek heb geruimd, kan ik alsnog emplooi vinden achter een witte vleugel in een nachtclub.
In de jaren vijftig studeerde ik piano aan een van de Londense conservatoria. Maar ik kwam geen stap verder. Ik had het helemaal gehad met de muziek, maar kon me anderzijds niet van de kunsten losmaken. Zo werd ik theaterrecensent, en hoestte veertig jaar lang elke avond laat mijn tekst op, tot de voorstellingen waarmee ik aan het begin van mijn schrijversloopbaan was begonnen, schimmige legenden waren geworden. Toen aan die carrière een eind was gekomen, klikte ik terug in mijn zelf van de jaren vijftig. Ik moest en zou weer piano studeren.
Als pianoleerling van vijfenzestig voel je je behoorlijk maf. Mensen vroegen me wel eens, wat ik nou deed tegenwoordig, en als ik het dan vertelde, vielen ze stil. Ik had me aangemeld bij een zomercursus, in de hoop meer ouwe mafkezen te ontmoeten en kwam terecht in een gemengde club van achttienjarige pianokanonnen en reumatische enthousiastelingen, op een oude boerderij nabij Cahors in Frankrijk. De behuizing was schilderachtig en zeer krakkemikkig, met één werkende wc voor ongeveer dertig mensen, en piano's die willekeurig waren neergepoot in koeienstallen en varkenskotten. Zoiets schept een band.... Je blijft geen koele buitenstaander als je op de trap in de rij staat om te kunnen plassen, of met de kudde meedraaft om een uur studeren te boeken. De klassen waren gesplitst in gevorderd en (tactvol omschreven) tussenniveau. Maar het voornaamste verschil tussen ons was niet zozeer dat sommigen over het circuit scheurden met Liszt, terwijl anderen door de andantes van Mozart sukkelden. Het voornaamste verschil was, dat sommigen gewend waren voor publiek te spelen en de anderen niet.
Als jongetje zou ik onbekommerd elk podium zijn opgelopen om het publiek met mijn meest recente feestnummer ter wille te zijn. Maar nu lijd ik prompt aan geheugenverlies en ontsnapt alle energie via mijn voetzolen. Met alle anderen zie ik overigens hetzelfde gebeuren. Een jolige bankier uit Glasgow, de directeur van een ziekenhuis in Yorkshire, een man uit Hongkong die zijn eigen notenschrift had ontwikkeld - ze verbrokkelden stuk voor stuk vóór ze aan de zesde maat toe waren. Je bent je ik weet niet hoeveel uur aan het voorbereiden. Dan is je grote moment aangebroken, en de ooit zo goedmoedige toetsen veranderen in een verlaten maanlandschap. Je voet begint te sidderen boven het pedaal, en je handen zijn ineens een paar levenloze vissen. 'Ik hoor het al', klinkt de stem van je leraar. 'Je kunt het nog niet spelen, hè?' Vervolgens is de goede raad niet meer van de lucht. Iedereen kan een goede klank bereiken, en een stuk voor vijfennegentig procent correct spelen. Maar het echte spelen begint pas, als je bij die laatste vijf procent kunt zorgen dat er niets meer fout gaat. Als je de fundamenten niet diep genoeg ingraaft, zal wat je ook uitvoert, volledig instorten.
Jammer, want vaak oogt het best als een aardig bouwwerkje. Neem jezelf eens op de band op. Het is een akelige ervaring, maar je hebt er baat bij. Als je in het openbaar moet optreden, prepareer jezelf dan door voor elke proefuitvoering een half uurtje te gaan joggen. Als je eraan gewend raakt om te spelen als je doodmoe bent, is het een minder zware opgave als er publiek bij is. Ik heb al deze adviezen genoteerd, omdat ze afkomstig zijn van mensen die weten waarover ze het hebben. Maar ze hadden geen van allen zo'n uitwerking op me als Maria. Maria was een van de leerlingen die me niet zo lagen. Bij de anderen voelde ik me net Doornroosje - ik werd wakker na een droomslaap van veertig jaar, en hoorde dat ze nog steeds aan het zwoegen waren op het repertoire waarbij ik had afgehaakt. Dat schept een band, vooral toen bleek dat meerdere veelbelovende spelers net zo uitgekeken waren op Reflets dans l'eau van Debussy als ik. Maar roddelen met Maria leverde helemaal niets op.
Ze lag op het terras l'Être et le néant van Sartre te lezen, en weerde babbelpraatjes mijnerzijds af met een minachtende blik. Ze leek nimmer in de buurt te komen van een piano. Toen moest ze optreden tijdens het afscheidsconcert, en ze stortte zich in wat later nummer vijf van de Etudes opus 42 van Skriabin bleek te zijn. Het haar op mijn rug ging geleidelijk overeind staan. Het stuk was een gekweld lied, dat steeds maar niet tot een resolutie kwam. Bij elke gefrustreerde cadens bouwde het weer verder vanuit een hoger niveau van harmonische complexiteit, tot de zangstem ónderging alsof er kerkklokken hingen te galmen. Een geval van marteling, eindigend in een requiem. Maria leek er geen enkele moeite voor te hoeven doen, of zelfs maar haar handen te gebruiken. Het leek meer op paardrijden dan op pianospelen. Ze leek vanuit haar billen te spelen, waarbij de energie langs haar ruggengraat omhoog en door haar armen liep. Ze gaf alleen maar vorm aan de melodische lijn, en liet de ingewikkelde muzikale figuren voor zichzelf zorgen. Pas toen ze ophield, merkte ik, dat ik al een tijd niet meer had ademgehaald.
Zelfs al was ik reeds in de baarmoeder met studeren begonnen, dan nog zou ik nooit zo hebben leren spelen. Maar toen ik het concert verliet, wist ik precies wat ik wel en niet wilde. Ik wilde bijvoorbeeld niet Mozart noot voor noot kunnen spelen. Ik zocht een soort spel dat een positieve draai zou geven aan de eigenschappen die ik mijn hele leven had onderdrukt - agressie, hysterie, arrogantie, wanhoop. (Volgens Cyril Scott was de enige reden, dat de getrouwde vrouwen in de Victoriaanse tijd niet krankzinnig waren, te vinden in de piano die in huis stond.) En dat gold ook voor de overige oudere deelnemers. De meesten van hen wilden net als ik dingen spelen die te lastig voor ze waren. Want pas als de muziek een bepaalde technische grens overschrijdt, wordt het specifiek pianomuziek, op welk moment de speler de sensatie ervaart dat hij kan vliegen. En wat betekent 'te lastig' nou helemaal? Louis Kentner zei, dat er geen moeilijke stukken bestaan. Een stuk is ofwel simpel, ofwel onmogelijk. De brug tussen deze twee situaties heet 'studeren'.
Een van de troostrijke kanten aan het klasje in Cahors was, dat de gedachte aan onmogelijkheid werd uitgebannen. Alles werd teruggebracht tot een 'probleem' waarvoor een oplossing kon worden gevonden.
Ik ben me ervan bewust, dat deze doctrine al leeft sinds Timothy Gallwey zijn boek The inner way of tennis publiceerde en daarmee talloze talentarmen de hoop verschafte dat ze uitsluitend de sleur van hun zelfkritiek moesten doorbreken om hun volledige creatieve potentieel te ontplooien. In pianistische termen heet het vlaggenschip van deze theorie Ernest Hall, de vastgoedmiljonair, die op zijn vijfenzestigste terugkeerde bij de ivoren toetsen met een opname van de drie pianoconcerten van Bartók. Vooruit, bij hem is het gelukt. Voor anderen (mij, bijvoorbeeld) is het wellicht niet meer dan een bemoedigend vals voorbeeld. Deze gedachte treft me iedere keer dat ik de plaatselijke straatmuzikant hoor in de voetgangerstunnel van South Kensington. Zijn vioolkoffer ligt open met het opschrift: 'De kleinste concertzaal ter wereld'. En hij speelt met een trefzekere toonvorming en een gedreven emotionele toewijding. Hij weet, dat hij een kunstenaar is. Het laat hem volkomen koud dat hij geen enkel gevoel voor ritme heeft, en dat zijn spel als een zinloze hutspot van noten overkomt op de voorbijgangers, die maar zelden een muntje in zijn koffer laten vallen.
Misschien speel ik nog wel slechter dan hij. Wat is het verschil tussen ons? Hij beseft niet, dat hij een hopeloos geval is. Ik heb daarentegen inzicht in mijn tekortkomingen, hetgeen ik bewijs - zoals uit dit artikel blijkt - door een toon van schertsende zelfkritiek aan te slaan. Ik wek de suggestie dat de bezigheid waar ik mijn nog resterende jaren aan wil besteden, volslagen tijdverspilling is. Uit deze vergelijking komt hij als de onmiskenbare winnaar naar voren. Waarbij nog mag worden gevoegd, dat hij zijn angst voor het publiek heeft weten te overwinnen.
Dus wen ik nu langzaam aan de gedachte dat het dom is om weg te vluchten in mislukking, en dat verbetering mogelijk moet zijn. Na meer dan twee jaren bij de zomercursus in Cahors werd ik nog steeds aan nieuwkomers voorgesteld als 'een van onze kleine succesjes'. Dus wat waren mijn alternatieven? Ik vond een weergaloze leraar, Philip Fowke, die me niet alleen leert spelen, maar ook leert oefenen. Bovendien staat hij me toe om mijn tanden stuk te bijten op stukken waar ik zelf mee aankom. Het is een waarheid als een koe dat de virtuoos lak heeft aan virtuositeit.
Maar als je er nooit in geslaagd bent vlot te spelen, wordt het toch een obsessie. En terecht: adembenemende snelheid en enorme dynamische contrasten vormen nu juist de verheven ziel van dit instrument, en de reden waarom zoveel uiterlijk weinig adembenemende mensen het willen beheersen. Een al wat oudere deelnemer aan de zomercursus deed de volgende aankondiging: 'Ik wil graag een verschrikkelijk moeilijk stuk van Balakirev voor jullie spelen, het heet Islamey. Maar omdat dat absoluut niet lukt, komt er nu een sonate van Beethoven.' Jarenlang had ik boven mijn bureau een pentekening hangen van een sterpianist uit de achttiende eeuw, van Michael Ayrton. Te zien is een groteske figuur met een enorm waterhoofd en een weggeteerd lichaam, haast een skelet. Hij benadert het ivoor met handen als kolenschoppen (vast geïnspireerd door de handen van de leraar die ik als jongetje had).
Uit de koeienstallen en varkenskotten van Cahors kwam nog een stel even bizarre afbeeldingen tevoorschijn, dankzij een plaatselijke kunstenares die een merkwaardige antenne had voor de manier waarop mensen aan de toetsen laten zien wie ze zijn. Zo tekende ze een meisje dat er bijna ondervoed uitzag met armen als een gewichtheffer en handen die met gemak twaalf toetsen overspanden. En dan had je David, een laboratoriumassistent die stotterde van onzekerheid, en alleen in zijn baan geïnteresseerd was, omdat hij zoveel tijd overhield om piano te studeren. Hij was bij zijn vrouw weggegaan, omdat ze zei dat 'muziek herrie was.' Op het schilderij van Stephanie staat hij afgebeeld als Batman aan het klavier: een superheld in zwart en dieprood, die het dubbele octaven laat regenen met lichtgevende armen.
David was een extreem voorbeeld van de pianomaniak, die elke overige menselijke ambitie had opgeofferd om zijn persoonlijke lusten aan de toetsen te kunnen botvieren. Maar het soort verstandhouding dat dit instrument bij je afdwingt, brengt als vanzelf een vorm van isolement met zich mee. Het vindt maar lastig zijn plek binnen het huwelijk, want het is iets dat je alleen doet, en het is luidruchtig. Bezit je een vleugel, dan staat die daar met zijn charmante zwarte contouren, verblindt je met zijn blinkende tanden en zegt: 'Kom je 's met mij vermaken.' Een maîtresse die is komen inwonen en erg veel ruimte opslokt.
Je speelt om allerlei redenen. Een ervan is deze: zolang je jezelf verliest in de wetten van de muziek, leef je in de tegenwoordige tijd, en ontsnap je zodoende aan de tirannie van morgen en de angst voor de dood. Het is verlokkelijk als een drug. Dringende verplichtingen stapelen zich op - onbetaalde rekeningen, ongeboekte vakanties - maar jij sluipt weg en drukt de eerste toets in, met de zalige gewaarwording, dat je niet naar deze planeet hoeft terug te keren tot je de klep weer hebt dichtgeslagen. Dat is een bloemrijke manier van uitdrukken. Als ik nog wat langer nadenk, kan ik het vast nog beter formuleren. Maar ik moet die Ravel nog een keer doornemen.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.