Email   Print

De wetenschap is niet meer vrij

Wetenschappelijke informatie dient het fundament te zijn voor de inrichting van de samenleving en voor het leven van mensen. Maar commerciële, bureaucratische en zelfs ideologische belangen vertroebelen de berichtgeving vanuit de wetenschap. Belangrijke ontdekkingen en toepassingen zijn nauwelijks toegankelijk voor het publiek. Een aanklacht: dDiegenen die informatie achter houden, zijn vijanden van de samenleving.

Colin Tudge | 28 september/oktober 1999 issue

De wetenschap heeft twee opvallende kenmerken die zowel haar bestaansrecht als haar kracht bepalen. Allereerst houdt de wetenschap zich bezig met ideeën - zoals Karl Popper het in de jaren dertig formuleerde - ' - idee'hypothesen' die toetst ideeën - 'hypothesen' - die toetsbaar zijn. In feite, zo stelde Popper, is het niet mogelijk om onomstotelijk aan te tonen dat een hypothese altijd waar is, omdat er altijd uitzonderingen kunnen bestaan waarvan we geen weet hebben. Maar het is in theorie wel mogelijk om aan te tonen dat een bepaalde hypothese onjuist is - aangezien we dan slechts één uitzondering hoeven te vinden. Hypothesen worden daarom als wetenschappelijk gekwalificeerd als ze, in principe, 'falsifieerbaar' zijn. De 'theorieën' van de wetenschap - de ideeën die de geschiedenis hebben getrotseerd en die haar richtsnoer canon vormen - zijn niets anders dan hypothesen die bestand zijn gebleken tegen de allerbeste pogingen om hun onjuistheid aan te tonen. Zelfs de belangrijkste wetenschappelijke ideeën dienen dus te worden beschouwd te worden als voorlopige beschrijvingen - allemaal wachtend tot ze van hun troon worden gestoten. De wetenschap is in wezen een bescheiden onderneming en het is dus spijtig dat veel wetenschappers zich zo arrogant gedragen en dat het wetenschappelijk bedrijf als geheel zo arrogant overkomt.
Het tweede kenmerk sterke punt van de wetenschap is, dat ze waardevrij zou moeten zijn. Dit ideaal kan nooit helemaal worden gerealiseerd, omdat wetenschappers mensen zijn, maar het wordt wel nagestreefd. De wetenschap poogt te beschrijven hoe het uUniversum ís en niet hoe het behoort te zijn. Zodra wetenschappers of niet-wetenschappers dus proberen om de moraal een wetenschappelijke onderbouwing te geven, worden ze gevaarlijk, want zoals David Hume in de achttiende eeuw zei: '"Is" is niet "behoort"'.

Tot dusver hebben politici en moraalfilosofen niet altijd oog gehad voor de kracht van de wetenschap -( haar vermogen om toetsbare en dus soliede beschrijvingen te geven -) en voor haar beperkingen (- haar onvermogen om waardeoordelen te geven). Politici laten soms ten onrechte wetenschappelijke bevindingen buiten beschouwing, hoewel ze er soms ook zonder enige rechtvaardiging hun beleid op baseren. Zo hadvond de invoering van scholengemeenschappen in Groot-Brittannië op een ongestructureerde - onwetenschappelijke - manier plaats, zodat het achteraf niet mogelijk is om vast te stellen of ze aan hun verwachtingen hebben voldaan. Anderzijds leek de Britse regering nog niet zo lang geleden van mening te zijn, dat genetisch gemodificeerde gewassen aanvaardbaar waren, gewoon omdat ze mogelijk zijn en -( tot dusver -) niet is aangetoond dat ze schadelijk zouden zijn. Maar dat maakt ze nog niet goed. In een vrije samenleving zouden we altijd het recht moeten hebben om GM (genetisch gemodificeerd) voedsel -( en andere zaken) - te weigeren, ongeacht onze beweegredenen. Als u bijvoorbeeld weigert om een gemanipuleerde GM-ppastinaak te eten omdat het gezicht van de verantwoordelijke wetenschapper u niet aanstaat, dan hoeft u geen andere keuze te maken als die pastinaak naar pâté de foie gras ganzenleverpaté zou smaken en een dubbeltje per kilo zou kosten. Toch speelt de wetenschap een rol bij het nemen van morele beslissingen, aangezien de feiten altijd relevant zijn. Een van de vele afwegingen rond het klonerenren van mensen is de vraag hoe gevaarlijk het is; alleen de wetenschap kan daar iets zinnigs over zeggen.
Het product van de wetenschap - de steeds omvangrijkere en gedetailleerdere beschrijving van het Universum universum - zou, in een ideale wereld, uit de hoofden en pennen van wetenschappers moeten vloeien in één grote, ononderbroken stroom, waaraan wij ons allen konden laven. Maar zo zit het leven niet in elkaar. In werkelijkheid wordt de 'horizontale' overdracht van ideeën tussen wetenschappers onderling op allerlei manieren verstoord en hetzelfde geldt voor de communicatie met de buitenwereld. Dat is het probleem waarover de samenleving zich zorgen zou moeten maken. Als de communicatie vanuit de wetenschap naar de samenleving wordt gefilterd en gemanipuleerd wordt en wanneer 'objectieve' wetenschappelijke uitspraken onderweg achteloos worden beladen met waarden -( zodat 'is' verandert in 'behoort' -), dan wordt wetenschap iets gevaarlijks. En de mechanismen die de informatiestroom hinderen of verdraaien, worden steeds geraffineerder. De wetenschap is me zeer dierbaar - het is mijn vak - maar de vulgariteit van het misbruik ervan vervult me met afschuw.

Hoewel de wetenschap vrij van ideologie zou moeten zijn, is ze in feite maar al te vaak in botsing gekomen met ideologieën en doet dat nog steeds; soms in het verborgene en soms in de openbaarheid. De klassieke botsing hadvond plaats in de zeventiende eeuw, tussen Galileï en de katholieke kerk. Galileï leek in niets op de manier waarop hij tegenwoordig wordt afgebeeld - als een nadrukkelijk moderne no-nonsense atheïst. En ook de katholieken waren allesbehalve monsters en in bepaalde opzichten zelfs moderner dan Galileï. Galileï was een gelovig katholiek - want in de zeventiende eeuw werd de wetenschapsbeoefening meestal beschouwd als een daad van eerbetoon: het door God geschonken intellect gebruiken om Gods werken beter te leren waarderen. Isaac Newton, Robert Boyle en John Ray waren al even devoot. Galileï had hooggeplaatste vrienden binnen de kerk, die net als hij scherpzinnige intellectuelen waren. 'Erken gewoon dat je ideeën hypothetisch zijn,' zeiden ze tegen Galileï, 'en je mag er vrijelijk over spreken'. Dit is een zeer moderne, Popperiaanse opvatting. Maar Galileï dreef de spot met zijn katholieke vrienden, stelde hun gezag ter discussie en maakte er een machtsstrijd van. Dat was iets wat de kerk zich in die politiek hachelijke periode niet kon veroorloven te tolereren. Wat later als een enorme ideologische kloof werd beschouwd, begon heel gewoon als diplomatieke onzorgvuldigheid.
In de twintigste eeuw hebben zich echter veel opzettelijker ideologische botsingen voorgedaan, met name in Rusland ten tijde van Stalin, waar de genetica van Mendel onverenigbaar werd geacht met de Marxistische ideologie. Volgens de Mendeliaanse genetica geldt voor alle levende wezens, inclusief de mens, dat een groot deel van hun wezenlijke aard erfelijk is bepaald is, terwijl de visie van Marx zodanig werd geïnterpreteerd als zouden alle levende wezens, inclusief de mens, naar believen kunnen worden beïnvloed kunnen worden door manipulatie van hun omgeving. Grote Russische genetici werd de mond gesnoerd en charlatans hadden vrij spel. Nikolai Ivanovitsj Vavilov, om een bekend geval te nemen, leverde uiterst belangwekkende bijdragen aan het kweken van planten en mocht als beloning wegkwijnen in een Siberisch strafkamp; Tofrim Lysenko, een van de bekendste charlatans, probeerde onder meer aan te tonen, dat tarwe ook tijdens de winter zou groeien als de planten vermanend werden toegesproken. Maar de natuur is echt en laat niet met zich spotten; en aangezien men deze onzin volhield, kwam de Russische bevolking om van de honger.
Er is een opvallend verschil tussen de afwijzing van Vavilov door Stalin en de bezwaren die tegenwoordig worden gemaakt tegen het Amerikaanse voedingsmiddelenconcern Monsanto. Niemand zal beweren, dat Monsanto in wetenschappelijk opzicht niet deugt - alleen willen sommigen van ons hun producten niet consumeren. Maar de Sovjets beweerden dat Vavilov de aard van planten verkeerd had begrepen en dat Lysenko het bij het rechte eind had. De feiten (zoals blijkt uit duizenden andere, naar behoren getoetste hypothesen - en uit het mislukken van de Russische oogsten) wijzen anders uit.

Helaas sluipt er nog steeds ideologie binnen.
Ook binnen de wetenschap is sprake van botsingen en oponthoud, alleen worden die niet veroorzaakt door ideologie -( hoewel dat vaak ergens wel een rol speelt) - maar gewoon door meningsverschillen. Op elk willekeurig moment wordt een wetenschappelijke discipline gekenmerkt door een canonheersende opvatting van aanvaarde theorieën - iets wat de Amerikaanse filosoof Thomas Kuhn een 'paradigma' noemt - en ideeën die bedreigend zijn voor die opvattingcanon moeten zich letterlijk naar binnen vechten. Het is maar goed dat het zo gaat. De wetenschap dient conservatief te zijn. De wetenschap valt of staat met de aanname dat het uUniversum echt is en dat het mogelijk is er ware uitspraken over te doen. Uiteraard zijn die waarheden voorlopig - (zoals hierboven geschetst) - en kunnen ze nooit volledig zijn (- alleen God is in staat het geheel te overzien) -, maar bepaalde uitspraken zijn ongetwijfeld geldiger of vollediger dan andere. Dus is de bewering dat de aarde rond is geldiger dan de bewering dat ze plat is en is de relativiteitstheorie van Einstein een vollediger beschrijving van het uUniversum dan de mechanica van Newton. Deze inzichten zijn met pijn en moeite verworven - zelfs de platte-aarde-aanhangers zijn pas kort geleden volledig uitgestorven - en nieuwe ideeën, hoe aanlokkelijk ze ook zijn, moeten strijd leveren om geaccepteerd te raken.
Maar conservatisme mag niet ontaarden in fixatie. Als de canonheersende opvatting verandert in een dogma, wordt ze iets kwaadaardigs. Veel uitstekende ideeën zijn schandelijk slecht behandeld. Toen Theodor Schwann, bijvoorbeeld, die hielp aantonen dat levende wezens zijn opgebouwd uit cellen, in 1836 tevens aantoonde - correct uiteraard - dat gist een rol speelt bij fermentatie, werd hij door andere Duitse hoogleraren zo scherp bekritiseerd, dat hij gedwongen was in ballingschap te gaan (naar België). Alfred Wegener publiceerde zijn hypothese over continentale drift in 1915. Na een eerste enthousiast onthaal werd hij echter publiek belachelijk gemaakt, totdat - pas tientallen jaren na zijn dood - uit onderzoek naar verschuiving van de zeebodem bleek bleek, dat hij inderdaad gelijk had gehad. Zijn idee, dat inmiddels is omgedoopt tot 'aardkorsttectonica', vormt tegenwoordig de orthodoxiehet gevestigde standpunt. In termen van Kuhn initieerde Wegener een 'paradigmaverschuiving': een verandering van het wereldbeeld.

Het is nog steeds van belang dat we 'paradigma's' herkennen als we ze tegenkomen. De moderne heersende medische visieorthodoxie beschouwtd ziekte globaal genomen als een plaatselijke ad hoc verstoring in een anderszins gezond lichaam; iets wat kan worden verdreven kan worden met de juiste geneesmiddelen of operatieve ingrepen. De ayurvedische geneeskunde daarentegen beschouwt ziekte als een algeheel verlies van 'harmonie' en probeert de persoon als geheel weer gezond te maken. Het is jammer, dat beide benaderingen meestal als strijdig worden gezien, aangezien ze elkaar onmiskenbaar zo veel te bieden hebben. Op de zelfde manier blijken landbouwers nogal scherp verdeeld in 'conventionele' boeren, die moderne bestrijdingsmiddelen en kunstmest gebruiken, en 'biologische' boeren, die dat niet doen. Ook hier lijkt een synthese op zijn plaats -( waarbij de aanpak van de biologische boeren globaal genomen de overhand zou moeten hebben). Paradigma's veranderen maar al te makkelijk in ideologieën - en daarbij gaat veel goeds verloren.
Ernstiger en ook kwalijker zijn de vele barrières die een belemmering vormen voor de communicatie van wetenschappelijke ideeën naar de buitenwereld. In een samenleving die het predikaat democratie verdient, moeten alle beleidsmakers en burgers op de hoogte zijn van wat er aan de hand is; en om allerlei redenen is dat niet het geval.
D Deels is dat onze eigen schuld. De wetenschap is niet per definitie iets ingewikkelds, maar vereist wel enige belangstelling, en dat is voor veel mensen al te veel moeite. Het merkwaardige Britse onderwijssysteem - met zijn scherpe onderscheid tussen 'arts' en 'sciences' - biedt zeker geen uitkomst. Hoe het mogelijk is, dat onze universiteiten het een goede zaak vinden dat ze half opgeleide mensen afleveren - zeker als we bezien wat het allemaal kost - valt nauwelijks te bevatten. Toch ligt een groot deel van het probleem bij de wetenschappers zelf, bij hun werkgevers en bij 'het systeem'.
Hoewel veel van mijn beste vrienden wetenschappers zijn - en velen van hen tot de aardigste en slimste mensen behoren die ik ken - zijn er ook hele slechten en enkelen daarvan bekleden zeer hoge functies. Daarom willen veel wetenschappers beslist niet, dat de rest van de mensheid weet hoe het eraan toe gaat. Natuurlijk doen ze alsof ze dat wel degelijk nastreven - en nemen soms zitting in commissies die de wetenschap onder de aandacht van een breed publiek moeten brengen - maar eigenlijk houden ze de rest van de mensheid liever op gepaste afstand. Pas op voor wetenschappers die ons voortdurend bij alles wat ze zeggen waarschuwen hoe moeilijk het allemaal is - en daarmee suggereren dat we onze kleine hersentjes beter kunnen ontzien. Als je erop gespitst bent, hoor je het telkens weer. Want als we ooit op het idee zouden komen dat wetenschap iets makkelijks was, zouden wetenschappers hun bijzondere status verliezen; en wat zouden ze zijn zónder? De slimsten zouden uiteraard nog steeds slim zijn en terecht bewondering afdwingen, maar de minder bedeelden zouden met de billen bloot moeten.
Wetenschappers werken echter voor andere mensen. Ze hebben een vast inkomen en een gezin - en kinderen, zo is al vaak gebleken, maken lafaards van ons. Relatief weinig wetenschappers zijn betrokken bij zoiets dramatisch als atoomwapenonderzoekkernwapenonderzoek, maar er zijn er veel die werken aan technieken die ons leven ingrijpend veranderen, zoals bijvoorbeeld op het gebied van voedselbehandeling. Niet alle voedselbehandeling is slecht - ook koken is een vorm van voedselbehandeling en wie zal bezwaar maken tegen ingemaakte groente - maar vaak gaat het om niets anders dan 'toegevoegde waarde', wat zoveel betekent als hogere prijzen. We, en kunnen we zonder veel moeite aantonen, dat allerlei moderne vormen van voedselbehandeling de algehele kwaliteit van ons voedsel ondermijnen en de oplossing van het wereldvoedselvraagstuk in feite bemoeilijken. Heel wat competente wetenschappers zijn naïef of berustend genoeg om zich niettemin erbij neer te leggen bij deze ontwikkeling en er hun medewerking aan te verlenen. Daarmee zijn ze medeverantwoordelijk voor de teloorgang van traditionele vaardigheden die ons autonoom maakten en maken ze zich tevens schuldig aan bedrog.

Ook hier geldt dat - als je er oog voor hebt -, je de verlakkerij overal ziet. Zo zijn de meeste voedingsdeskundigen van mening, dat een vetrijk dieet tot een hoog cholesterolgehalte van het bloed leidt en daarmee het risico op hart- en vaatziekten verhoogt. Niemand heeft dit echter ondubbelzinnig kunnen aantonen. Het probleem is deels, zoals Popper aangaf: hypothesen kunnen niet worden bewezen - alleen weerstand bieden tegen falsificatie. Maar ook kan het verband tussen vetrijk eten en hartziekten kan ook niet onomstotelijk worden aangetoond, omdat we niet dat ene experiment kunnen uitvoeren dat alle twijfels zou wegnemen. Om het verband tussen een vetrijk dieet, een hoge cholesterolspiegel en hart- en vaatziekten aan te tonen, zouden we diverse grote en genetisch geselecteerde populaties mensen tientallen jaren lang moeten onderwerpen aan een streng gecontroleerd dieet. Politiek, geld en sentimenten maken zo'n onderneming echter onmogelijk. Dus wordt het verband afgeleid uit onderzoeken die elk afzonderlijk ontoereikend zijn: bij dieren (de verkeerde soort), bij patiënten (die al ziek zijn), bij willekeurige mensen (waardoor een controlegroep niet mogelijk is), bij mensen met een speciaal dieet, zoals vegetariërs (die zichzelf al hebben geselecteerd) et ceteranzovoort. In het algemeen wijzen alle uitkomsten echter in dezelfde richting - veel vet is slecht. Een pietluttige filosoof kan echter altijd wel redenen vinden om te twijfelen.

Tijdens de jaren zeventig, toen de 'vetgekte' echt losbrak, werden die twijfels door allerlei voedsellobby'ies geëxploiteerd en de medische literatuur uit die tijd omvatte vele artikelen waarin met zoveel woorden werd beweerd dat vet veilig is. Die waren van verschillende kantenzijden afkomstig. Een veelgehoord argument was bijvoorbeeld, dat bij mensen die een hartaanval achter de rug hadden, vaak een vrij lage cholesterolspiegel werd gevonden werd. Waar het echter om gaat, is dat bij miljoenen mensen de cholesterolspiegel een gemiddelde waarde heeft, terwijl extreem hoge waarden heel zeldzaam zijn. Maar een individu met een zeer hoge cholesterolspiegel heeft wel degelijk een veel hogere kans op een hartaanval dan iemand met een gemiddelde cholesterolspiegel en mensen met een zeer lage cholesterolspiegel (zoals de traditionele Japanse plattelandsbevolking) krijgen gewoon nooit hartklachten. Enige achtergrondkennis en gevoel voor statistiek brengen het bedrog al snel aan het licht; maar kennis is wat de meeste mensen ontberen. Zijn zien alleen 'wetenschappers' die hen blijkbaar vertellen dat vet veilig is.

Maar diegenen die proberen om geld te verdienen aan vetarm voedsel, zijn misschien wel even onbetrouwbaar. Vrouwen die niet de vVoedingswijzer bij de hand hebben en gewoon het beste willen voor hun uitzakkende echtgenoten en mollige kinderen, zijn een makkelijke prooi. Zij worden om de tuin geleid en dat is slecht.

Ingrijpender -, en ook verraderlijker -, is de steeds groter wordende invloed die grote bedrijven hebben gekregen op de wetenschap en de technologie. Zowel in Europangeland als de Verenigde Staten is dat sinds de jaren zeventig door de overheid actief bevorderd. Vóór 1970 werd aan wetenschappers aan Britse universiteiten en overheidslaboratoria expliciet te verstaan gegeven, dat ze terughoudendheid moesten betrachten ten opzichte van de industrie, maar tegenwoordig worden wetenschappers steeds vaker na het rapport van Lord Rothschild uit het begin van de jaren zeventig en met name onder Margaret Thatcher werden wetenschappers juist aangemoedigd om industriële sponsors te zoeken, met alle beperkingen die dat met zich mee bracht. Een kennis van me - die als medicus verbonden is aan de universiteit - bevestigde, dat het vandaag de dag buitengewoon moeilijk is om nog onderzoek naar voeding te vinden dat niet door de industrie is gefinancierd - en dat het vrijwel onmogelijk is om nog een echt 'objectieve' opinie te vinden.

Deze trend wordt verder versterkt door de behoefte om informatie te patenteren en royalties te claimen.


Patenteren was oorspronkelijk bedoeld om ideeën te bevrijden: zodra een idee gepatenteerd is, kan iedereen er vrijelijk over beschikken, mits de makers daarvoor worden betaald. Zonder patentering zou iedereen verplicht zijn nieuwe ideeën exclusief voor zichzelf te houden. Maar tegenwoordig kan alles worden gepatenteerd, tot en met menselijke genen; en iedereen houdt zijn mond, uit angst dat de patentering van de onderzoeksresultaten op problemen zou kunnen stuiten. Collega's die tijdens de koffiepauze met elkaar zitten te kletsen, zijn geneigd hun beste ideeën voor zich te houden.

Dan is er ook nog de kwestie van subsidies. Wetenschappers die hun werk moeten financieren, kunnen niet meer gewoon een beroep doen op de algemene subsidiepot. Professionele wetenschappers zijn tegenwoordig enkele dagen per week kwijt met het werven van fondsen; een enorme verspilling van energie. In toenemende mate zijn die fondsen afkomstig van de industrie, dat wil zeggen van multinationals die hun eigen agenda hebben. Fondsenwervers moeten inspelen op de luimen en de kuren van hun financiers - wat ze meestal doen door gebruik te maken van aansprekende kreten. Toen Isaac Asimov ooit vertwijfeld opmerkte, dat het misschien nog wel eens zo ver zou komen dat men met 'kanker' zouden schermen om geld voor een onderzoeksproject op de maan los te krijgen, kreeg hij tot zijn verbazing te horen dat iemand dat al had gedaan.

Het gaat te ver om te suggereren dat multinationals per definitie boosaardig zijn of dat winst maken altijd slecht is, maar de mate waarin ze de meest verfijnde technologie in hun macht hebben gekregen, is beslist zorgwekkend. Dit is een duidelijke pervertering van het wetenschappelijk bedrijf - die heldere, diepe rivier van 'objectieve' inzichten - en, veel gevaarlijker nog, een pervertering van het leven zelf, zowel het menselijke als het niet-menselijke.

Het modieuze onderwerp van genetische manipulatie illustreert dit op duidelijke wijze. Nuttige toepassingen daarvan zijn zeker voorstelbaar - bijvoorbeeld het ontwikkelen van echt betrouwbare, veilige en effectieve vaccins tegen mond- en klauwzeer bij runderen in ontwikkelingslandende derde wereld; iets wat waarschijnlijk niet mogelijk zal zijn zonder enige genetische manipulatie.

Maar in het algemeen wordt genetische manipulatie niet voor zulke dingen gebruikt, omdat high-tech duur is en mensen in de Dderde Wwereld geen geld hebben. In plaats daarvan worden er in rijke landen tomaten mee gekweekt die langer vers blijven: een triviale onderneming die slechts gericht is op het maximaliseren van winsten. En natuurlijk is winst niet alleen maar slecht, maar het is verkeerd als winstmaximalisering het enige motief is. Op die manier is high-tech het alleenrecht van grote bedrijven geworden - zij alleen kunnen het zich veroorloven. Nu regeringen het in meerderheid hebben laten afweten, hebben grote bedrijven en hun belangen inderdaad vrij spel.

Mijn bezwaar tegen grote bedrijven is niet, dat ze groot zijn en ook niet, dat ze winstgevend zijn, maar dat ze de wereld dwingen te functioneren op manieren die de industrie welgevallig zijn - zodat al het andere het moet afleggen.
De hegemonie van multinationals wordt mogelijk gemaakt door hoog ontwikkelde technologie en hoog ontwikkelde technologie is per definitie de vrucht van wetenschappelijke inspanningen. Dat bezorgt de wetenschap een slechte naam: in deze context misschien niet die van een Frankenstein, maar wel die van een Strangelove - de almachtige manipulator. En omdat wetenschap eigenlijk zou moeten staan voor schoonheid en vrijheid, is deze pervertering een schande. Het is nog steeds niet te laat om weerstand te bieden tegen het misbruik en de zwendel, maar dat zal alleen lukken als we goed geïnformeerd zijn. Informatie, informatie, informatie - nog altijd de sleutel tot vrijheid en autonomie. Diegenen die om welke reden dan ook informatie achter houden - ook wetenschappers die bang zijn om hun ideeën met ons te delen - moeten als vijanden van de samenleving worden beschouwd.

Colin Tudge is onderzoeker aan het Centre for Philosophy aan de London School of Economics.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.