Email   Print

Democratische luizen

Hoofdluis hoort bij een gezonde jeugd.

Christine Schoefer | 27 juli/augustus 1999 issue

Niets had me deugdelijk voorbereid op mijn eerste kennismaking met een levensechte luis. Niet de slagorden van vette kakkerlakken die in mijn studententijd de gemeenschappelijke keuken binnentrokken, niet de vlooien die van de kat op de vloerbedekking sprongen, niet eens het briefje met 'Pas op, luizen' dat mijn dochter van school meebracht. Toen ik op een ochtend het weerbarstige haar van mijn zesjarige nageslacht in vlechten stond te wringen, zag ik plotseling een donker spikkeltje door haar krullen scharrelen. Ik had nooit eerder een hoofdluis gezien, maar ik wist dat dit kleine insect niets anders kon zijn. Het idee van minuscule parasieten die floreren dankzij het bloed van onschuldige kinderen is dermate weerzinwekkend, dat mijn hart ervan in mijn keel klopte. Ik viste het schoolbriefje uit de vuilnisbak. 'Onderzoek het haar van uw kind zorgvuldig', las ik. 'Als er neten aanwezig zijn, pas dan onmiddellijk luizenshampoo toe, verkrijgbaar bij de drogist.' Met gespitste vingertoppen tilde ik voorzichtig kleine plukjes haar bij Ella op en ontdekte een kleinschalige leefwereld op haar hoofdhuid. Parelkleurige neten ter grootte van een sesamzaadje, de gevreesde luizeneitjes, zaten stevig vastgelijmd dicht bij de haarwortels en een levensechte luis zocht beschutting achter een lief zacht krulletje. Dit bewijs dat parasieten op het hoofd van mijn dochter liepen te schransen, copuleren en poepen, maakte heftige gevoelens bij me los en wekte de oerangst op dat de natuur onze beschaving in een wurggreep kon pakken. Het krioelde in mijn hoofd van beelden waarvan ik het bestaan nooit had vermoed: zwermen sprinkhanen die een complete plantage kaalvreten, bloedzuigers die de levenskracht uit iemand zuigen tot die persoon eindigt als een verschrompeld ballonnetje, termieten die zich een weg knagen door eeuwenoude hanenbalken. Ik besefte ineens, dat insecten op elk gewenst moment konden besluiten tot een invasie binnen onze leefomgeving.

Om mijn irrationele angsten de kop in te drukken, scharrelde ik een aantal relevante feiten bij elkaar. Ik kwam erachte, dat er van de meer dan drieduizend soorten luizen die bijten en zuigen slechts drie zijn met belangstelling voor mensenbloed. 'Je hebt maar één neet nodig om een complete klas aan te steken', zo gaat het hardnekkige gerucht. Maar zoveel macht heeft de luis nou ook weer niet. Ze kunnen niet springen - zelfs geen klein eindje - en niet vliegen, maar moeten naar de hoofdhuid toekruipen. Maar in hun soort zijn luizen wel verbijsterend vruchtbaar. Elk vrouwtje legt dagelijks drie tot vijf keer haar eitje, dat zijn meer dan honderd eitjes tijdens een leven van dertig dagen. En ze worden bevestigd aan mensenharen met een substantie waar superlijm een puntje aan kan zuigen. Maar nu het goede nieuws: luizen zijn democratisch. Iedereen kan ze krijgen, ongeacht je sociale status, opleiding, huisvesting, maatschappelijk gedrag of persoonlijke hygiëne. Toch wees onderzoek uit, dat meer dan de helft van de mensen hoofdluis in hun gezin gênant vindt. Waarschijnlijk ligt het percentage dichter bij de honderd: ik hoor van kappers, dat ouders zonder uitzondering ineenkrimpen als ze horen dat het krioelt op de schedel van hun telg. Eén vader vertrouwde me zelfs toe, dat de aankoop van luizenshampoo hem bijna in dezelfde verlegenheid had gebracht als toen hij condooms ging kopen in zijn puberjaren.

Intussen signaleren de gezondheidsdeskundigen een nieuwe 'epidemie' van hoofdluis. Kinderen tussen de leeftijd van vijf en twaalf zijn bij uitstek vatbaar voor luis, omdat ze hun hoofden vaak bij elkaar in de buurt brengen tijdens het spelen. Onze grootouders waren praktisch voortdurend gespitst op luizen en riepen de hulp in van alle huismiddeltjes die ze maar konden vinden. Mijn moeder herinnert zich nog levendig het geluid als van regendruppeltjes, afkomstig van de luizen die op de krant onder haar hoofd vielen, wanneer mijn oudtante elke zaterdagavond met grote zorg haar haren uitkamde. Gedurende de jaren veertig en vijftig had de angst voor overdraagbare ziekten de hygiëne hoog op de agenda van de volksgezondheid weten te zetten. Kinderen wisten wat bacillen waren en leerden om regelmatig hun handen te wassen. Maar later - in de jaren zestig - begonnen de jongeren te rebelleren tegen de normen van hun ouders, groepsgewijs bij elkaar te komen en samen te leven. De persoonlijke verzorging werd wat minder strikt, terloopse intimiteit nam een hoge vlucht en de hoofdluis kreeg weer alle ruimte. Vandaag de dag ontmoeten kleine kinderen elkaar in groepen zoals peuterspeelzalen - eerder en vaker dan vroeger. Toch wordt hen weinig geleerd over elementaire hygiëne.

De dag dat ik naar de neten in het haar van mijn dochter staarde, voelde ik een duidelijk merkbare schaamte opwellen en ik realiseerde me, dat ik mij net als zovelen hierdoor sociaal gebrandmerkt voelde. Tomeloos stortte ik me in een blinde tegenaanval en waste alle drie mijn dochters met een shampoo van de drogist waar je ogen van gingen tranen en je neus een brandend gevoel door kreeg. Ik wou dat ik het niet had gedaan. Hoofdluizen blijken steeds vaker resistent tegen deze verdelgers. Na drie immense aanvalsgolven van hoofdluis aanvaard ik inmiddels dat luizen horen bij een leven met kinderen, net als driftbuien en slaapgebrek. In navolging van mijn oma heb ik zelfs een soort humor ontwikkeld inzake die kleine bloedzuigertjes. Zij houdt vol dat ze geld verdiende door levende luizen te verkopen aan schoolgenootjes die graag de rest van de dag naar huis wilden worden gestuurd. Ze hoefden niets anders te doen, grinnikte ze, 'dan die beestjes in hun haar stoppen en vlak voor de juf op hun hoofd gaan krabben'. Ik begin dat gevlooi zelfs plezierig te vinden. Mijn dochter en ik noemen het apentijd, omdat we als berggorilla's op de vloer tegen elkaar aankruipen, met een langharig hoofd op mijn knie. We verzamelen de benodigde hulpmiddelen: een klein kommetje water (voor neten en luizen), een fijntandig kammetje, een vergrootglas, en een paar snoepjes (want zo'n sessie kan makkelijk een uur duren). Ik heb haar verteld, dat ze een klein dierentuintje boven op haar hoofd heeft. Ik praat over luizenbossen en luizenstreken, en verbeter haar niet als ze luisteraars aan ons woordspelletje toevoegt. Al snel gaat haar verzet tegen lang stilzitten over in ontspanning. Ze vertelt dingen die ze heeft meegemaakt en niet begrijpt en bevrijdt haar ziel van kwetsuren die ze heeft opgelopen. Ze verwacht van mij geen commentaar vol diep inzicht, alleen maar aandacht. Natuurlijk wordt ze uiteindelijk toch ongeduldig. En ik net zo goed. Maar we kunnen elkaar niet loslaten tot de klus is geklaard, dus volharden we maar in onze nabijheid.

In sprookjes is haren kammen een zinnebeeld van dingen die goed worden geregeld. Het ontluizen van mijn dochters biedt me de gelegenheid om de rimpels in hun bestaan glad te strijken. Als we dan klaar zijn, gooi ik het water vol met neten in de gootsteen, en duw mijn onredelijke angst weg dat de eitjes op een of andere manier in de afvoer zullen uitkomen en ons massaal zullen overvallen. Zij dribbelt er vandoor. En terwijl ik aan de enorme taak begin om het huis te ontluizen, valt me de gedachte in dat hoofdluizen wel eens minuscule boodschappertjes zouden kunnen zijn van de Grote Geest, die moet giechelen om onze arrogante idee dat de natuur kan worden getemd en gesteriliseerd. De luis zal altijd de sterkste blijken. En ik heb besloten, dat dit ondanks alles luisterrijk nieuws is.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.