|
|
De dictatuur van de schuld
Schulden kwellen de Derde Wereld. In vele ontwikkelingslanden vragen rente- en aflossingsbetalingen meer geld dan beschikbaar is voor gezondheidszorg en onderwijs. De internationale kloof tussen rijk en arm wordt alleen maar groter. Een pleidooi voor een nieuw begin in een nieuw millennium: een massale kwijtschelding van alle schulden van de allerarmste landen.
Als een doorsnee-Uruguayaan bij de internationale bank in Montevideo waar ik vroeger werkte een lening was komen vragen, had hij zeker nul op het rekest gekregen, alleen al vanwege zijn uiterlijk. Een deeltijdwerker die een voorschot wil! Een vrouw uit de barrios die om een blanco geldlening vraagt! Een gaucho (cowboy) met een paard als enig bezit, die geld moet lenen! Van een bank? Spottend hoongelach zou hun deel zijn en dat is ongetwijfeld de reden waarom ik nooit zo iemand heb zien binnenkomen bij de bank.
Op het eerste gezicht is het dan ook een raadsel, hoe het kon gebeuren dat in 1990 alle mannen, vrouwen en kinderen in Uruguay per persoon een bedrag schuldig waren ter grootte van hun totale jaarinkomen - zonder er ooit om te hebben gevraagd, laat staan iets van het geld te hebben gezien. Maar bij nader inzien blijkt er een eenvoudige verklaring voor te zijn. In 1973 greep het leger in Uruguay de macht. Het stelde een uiterst venijnige dictatuur in, waardoor naar verhouding meer mensen dan waar ook ter wereld voor enige tijd in de gevangenis belandden. De Uruguayaanse economie was naar de knoppen en voor de machtigen, die grote geldsommen waren verschuldigd aan de internationale banken, dreigde faillissement. Daarom kondigden de generaals af, dat het 'in het nationaal belang' was deze mensen te helpen door van diezelfde banken geld te lenen, alleen ditmaal uit naam van het Uruguayaanse volk.
De banken stonden te dringen om te lenen. De Opec, de organisatie van olieproducerende en -exporterende landen, had kort daarvoor tot een sterke prijsstijging besloten. Het aanzienlijke extra inkomen aan dollars dat ze incasseerden, werd op bankrekeningen gestort. De oliedollars waren zo talrijk, dat de banken niet goed wisten hoe ze het geld tegen de gebruikelijke winstmarge moesten wegzetten. Maar van een dictatuur die vrij gemakkelijk terugbetaling kon eisen van de beduchte bevolking, kon een veilig, aanzienlijk rendement worden verwacht.
Uruguay stond niet alleen met deze combinatie van dictatuur, buitenlandse leningen en het overhevelen van individuele schulden op de collectieve rug van de bevolking. Dit verhaal staat symbool voor het ontstaan van de schuldenlast. Twintig jaar lang - van halverwege de jaren zestig tot halverwege de jaren tachtig - was Latijns-Amerika het toneel van tirannie, die overal gepaard ging met ingenieuze zwendelpraktijken. Soms werd het geld voor grootse plannen geleend, soms gewoon ingepikt, meestal allebei - en altijd in het belang van de politieke macht, die in alle openheid was gegrepen.
Azië en Afrika gaven hetzelfde beeld te zien. Despoten - van Mobutu in Zaïre tot Soeharto in Indonesië en Marcos op de Filippijnen - met machtige vrienden en een onlesbare dorst naar persoonlijke rijkdom werden gretig gefinancierd door het internationale bankiersgilde. De truc werkte zo goed, dat er bijna geen grens was aan de kredietmogelijkheden - zeker als de betreffende regimes aan de 'goede' kant stonden in de Koude Oorlog en grote hoeveelheden wapens kochten van leveranciers uit het rijke noorden. De schuld van de Derde Wereld steeg van minder dan honderd miljard dollar in 1970 naar zo'n zeshonderd miljard, tien jaar later.
Uiteindelijk kwamen de regimes zelf financieel in de knoei. De geldleningen die ze hadden losgekregen en verkwist aan krankzinnige plannen of hadden doorgesluisd naar particuliere bankrekeningen, werden zo groot, dat het onderdrukte land de buitenlandse valuta noch de belastinginkomsten had om de leningen af te lossen. Het gevaar van 'in gebreke blijven' was levensgroot. Toen Mexico in 1982 overwoog de aflossingen te staken, greep de Amerikaanse regering in om de belangen van de eigen particuliere banken - de grootste schuldeisers van Mexico - te beschermen. Het Internationale Monetaire Fonds (IMF) en de Wereldbank kregen opdracht de Amerikaanse overheid te helpen de particuliere banken te redden. De verschuiving van particuliere schulden naar algemene lasten was daarmee compleet en de schuldencrisis van de Derde Wereld was geboren. De particuliere banken konden weer nieuwe terreinen ontginnen, zoals de expanderende economieën van Zuidoost-Azië en China, waar later natuurlijk precies hetzelfde zou gebeuren.
Het berustte allemaal op een primitief dreigement. Als de schuldenlanden niet akkoord zouden gaan met bepaalde voorwaarden, zouden ze financieel in de ban worden gedaan en zouden verdere leningen worden geweigerd. Overal ter wereld werd dit toonbeeld van financiële integriteit aangeprezen onder de naam 'structurele aanpassing'. Het hoofddoel was de 'liberalisering' van het betreffende land: de munt devalueren, het land openstellen voor de wereldmarkt, de overheidsbemoeienis beperken en zo veel mogelijk producten tegen afbraakprijzen inpikken. De theorie erachter luidde, dat de welvaart erdoor zou toenemen, zodat de schuld geen probleem meer zou vormen. Maar de jaren tachtig waren voor het grootste deel van de Derde Wereld het 'verloren decennium', eentje zonder economische groei. De schuldenlast van de Derde Wereld verdubbelde en bedroeg in 1990 bijna 1900 miljard dollar. Een steeds groter gedeelte hiervan was bestemd voor de aflossing van oude schulden en de instandhouding van het systeem.
Door de voorwaarden voor 'structurele aanpassing' gingen de overheidsinkomsten intussen naar schuldaflossing en exportbevordering en níét naar bijvoorbeeld onderwijs en gezondheidszorg. Hierdoor kregen de Wereldbank en het IMF een machtspositie die zelfs de meest dictatoriale koloniale regimes zelden hadden verworven. De situatie is sindsdien niet wezenlijk veranderd.
Dit levert een absurd en vernederend beeld op.
In Ethiopië overlijden zo'n honderdduizend kinderen per jaar aan eenvoudig te voorkomen ziekten, terwijl er viermaal meer geld gaat naar de aflossing van schulden dan naar de volksgezondheid.
In Tanzania, waar veertig procent van de mensen voor het vijfendertigste levensjaar sterft, wordt zesmaal meer uitgegeven aan de aflossing van schulden dan aan gezondheidszorg.
Over heel Afrika, waar vier op de tien kinderen van basisschoolleeftijd niet naar school gaan, sturen de regeringen viermaal meer geld als aflossing naar schuldeisers in het rijke noorden dan er aan gezondheidszorg en onderwijs voor de eigen bevolking wordt besteed.
De economie van de schuldenlast schiet aan alle kanten tekort, wemelt van de fouten, al worden die meestal afgedaan als 'onbedoelde' neveneffecten. Zo ontstaat een elementair cumulatief probleem als totaal kaalgeplukte landen allemaal tegelijk door het IMF worden geïnstrueerd de export van goederen te stimuleren. Het volkomen voorspelbare resultaat is, dat de prijs ervan op de wereldmarkt keldert en dat het milieu er ernstig onder zal lijden. Zonder enige economische winst voor de arme landen wordt duurzame schade aangericht aan onvervangbare grondstoffen.
Op een bepaald moment moet je je gaan afvragen wat er nu werkelijk tot stand is gebracht in al die jaren van 'structurele aanpassing', behalve dat uitgestrekte gebieden economisch te gronde zijn gericht. Door de financiële chaos die in 1997 Zuidoost-Azië trof, wordt het fiasco des te duidelijker. De theorie - voorzover aanwezig - achter de structurele aanpassing beriep zich voornamelijk op het aantrekkelijke economische model van de 'Aziatische Tijgers', dat nu domweg is ingestort. De structuur werd aangepast - en prompt begaf ze het.
Intussen blijft de schuldenlast van de Derde Wereld onverbiddelijk stijgen. Eind 1997 werd de grens van twee biljoen dollar overschreden - en hierbij moeten nu ook nog enige honderden miljarden worden opgeteld door de crisis in Zuidoost-Azië, Rusland en Brazilië. Er kan nog meer bijkomen. Het einde is nog niet in zicht, al weet iedereen dat het zo niet kan doorgaan.
Vandaar dat 'afvalligheid' tot nieuwe doctrine is verheven. Eén voor één hebben de apostelen van de 'structurele aanpassing' het geloof afgezworen dat ze ooit zo ijverig verspreidden. Zelfs Jeffrey Sachs, de hogepriester van Harvard, die in Oost-Europa de panacee van de vrije markt tot dogma uitriep, valt van zijn geloof: 'De drie miljard allerarmsten van de wereld wonen merendeels in landen die allang bankroet zijn door de last van vroegere leningen van buitenlandse regeringen, banken en instellingen als de Wereldbank en het IMF. Deze wanhopige landen staan nu onder curatele van het IMF. Hun schulden moeten onmiddellijk worden kwijtgescholden en het IMF moet naar huis worden gestuurd.'
In 1996 gaven het IMF en de Wereldbank eindelijk toe wat ze nooit eerder hebben willen toegeven: dat de schuld van de allerarmste landen met de grootste schuld misschien wel eens voor een deel zou moeten worden afgeschreven. Het Heavily Indebted Poor Country (arm land met een hoge schuldenlast)-initiatief was geboren en er werd een lijst opgesteld van veertig landen die in deze categorie zouden thuishoren. Het initiatief moet de schuldenlast verlichten tot een 'draaglijk' niveau, zodat het land dit bedrag - volgens het IMF en de Wereldbank - kan betalen, maar de norm voor 'draaglijkheid' ligt zeer hoog: twintig tot vijfentwintig procent van de winst uit export - dat is meer dan tweemaal zo hoog als het percentage dat na de Tweede Wereldoorlog aan Duitsland werd opgelegd. En de voorgestelde 'verlichting' maakt in de praktijk weinig verschil, aangezien er louter schulden worden kwijtgescholden die toch al niet werden afgelost.
Maar er is een ander, veel fundamenteler bezwaar tegen het initiatief. De 'structurele aanpassing' wordt er niet door uitgeschakeld, maar juist versterkt. Pas na zes jaar van ononderbroken, absolute onderwerping aan de strengste vereisten wordt 'lastenverlichting' zelfs maar in overweging genomen. Met als gevolg dat in het jaar 2000 krap een vijftal landen er enig profijt van zal hebben gehad, terwijl een veel groter aantal van deze armste landen sterker dan ooit zal zijn onderworpen aan structurele aanpassing.
Het nieuwe initiatief mag dan een belangrijk uitgangspunt zijn, het kan nooit het doel zijn. Het vermoeden rijst, dat de bedoeling ervan niet zozeer minimalisering als wel maximalisering van het 'draaglijke' niveau van schuldaflossing is; dat rijke overheden, hun agenten in het IMF en de Wereldbank en hun cliënten van de particuliere banken de verplichtingen juist in stand willen houden vanwege de macht die ze daardoor krijgen over de schuldenlanden. Als dat zo is, zullen de armen de gevolgen tot in lengte van dagen blijven voelen. Hun wens - en dringende behoefte - is te worden verlost van de tirannie, óf in de vorm van dictatuur óf in de vorm van een delegatie van het IMF.
De schuldenlanden hebben veel meer macht dan ze wordt voorgespiegeld. De grootste angst van de geldschieters is, dat de aflossingen massaal worden gestaakt. Dat blijkt uit de geschiedenis van de schuldenlast van de Derde Wereld. Wanneer dit systeem in gevaar komt - zoals in de crisis van 1982 en vóór het Poor Country-initiatief van 1996 - reageren de schuldeisers razendsnel om het spel voort te zetten.
Nu dienen de spelregels drastisch te worden gewijzigd in het voordeel van de arme meerderheid van de wereldbevolking, die al genoeg heeft geleden. Alleen als de schuld van de Derde Wereld systematisch, volledig en onvoorwaardelijk wordt kwijtgescholden, bestaat er waarschijnlijk nog enige kans om de VN-doelstelling van armoedebeperking in 2015 te verwezenlijken - en om een nog ergere nachtmerrie te voorkomen: de uit het gerommel in de haute-finance voortvloeiende nachtmerrie die voor de bevolking van Indonesië, Rusland en Brazilië nu al realiteit is.
Kunnen we ons dat permitteren? Tja, als binnen enkele maanden enige honderden miljarden dollars beschikbaar kunnen worden gesteld om de crisis in Zuidoost-Azië af te wenden, moet een kleine tweehonderd miljard om de onrechtvaardige schulden van 's werelds allerarmsten kwijt te schelden toch binnen onze macht liggen. Daarom moet Noord in alle nederigheid een nieuw contract aanbieden aan Zuid: onvoorwaardelijke kwijtschelding van schulden in geval van een democratisch bestel, het vooruitzicht van onvoorwaardelijke kwijtschelding waar dat nog moet worden gevestigd. En om te beginnen kwijtschelding voor de allerarmsten in het 'jubeljaar' 2000 (zie kader).
En dit contract moet nu maar eens worden geschreven door en voor Zuid. De civil society, of burgermaatschappij, dat enorme web van vakbonden, mensenrechtenorganisaties, boeren, daklozen en ontheemden, die zo lang hebben gestreden om zich te ontworstelen aan een letterlijk schrikbarende dictatuur, moet nu actief aan het proces deelnemen. Alleen dan is de breuk met het verleden compleet en bestaat de garantie dat de arme meerderheid voor eens en altijd uit de slavernij van de schuld zal worden verlost.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.